HIGAN

Leven in een natuurlijke omgeving was een van de wensen bij het zoeken naar een geschikte woonplek in Japan. Daar zijn we aardig in geslaagd vinden we zelf. Het buitengebied van Nara-stad, waar wij wonen, is net zo landelijk als de Achterhoek, Zuid-Limburg of de Belgische Ardennen. Golfterreinen en ‘recycling bedrijven’ daargelaten domineren bergen, bossen en nederzettingen zoals ‘ons’ Sugawacho. Terrasvormige rijstveldjes omgeven door groepjes overwegend in traditionele stijl gebouwde huizen.

Hier voel ik me heel sterk in de natuur. Het heftige klimaat, beboste bergen, onstuimige rivieren, woekerend groen en rijke fauna van minuscule insecten tot gevaarlijke beesten dragen bij tot dat besef. En dan heb ik het nog niet eens over de Stille Oceaan die rond de 6800 eilanden van Japan klotst of de talloze heet water- en zwavelbronnen.

80% van de bevolking woont samengepakt op z’n 20 procent van het grondoppervlak in lelijke uitgestrekte stedelijke agglomeraties. Hoewel het platteland zeker niet overal even mooi is steekt die ‘randstad’ wel erg schril af bij de overige 80 %. Telkens vraag ik me af hoe Japanners zoveel gebouwde lelijkheid kunnen verdragen terwijl ze een eeuwenoude traditie van schoonheid in hun genen moeten hebben. En vooral terwijl ze de natuur niet alleen zo rijk voorhanden hebben maar ook – letterlijk in Shintoistische goden – zo aanbidden.

Geen volk ter wereld, behalve Chinezen, heeft de natuur met zo veel aandacht en bewondering bezongen in poezie of met een penseel verbeeld als Japanners. Misschien ook dat nergens zo dikwijls wordt stil gestaan bij natuurfenomenen als lentebloesem, herfsttooi, volle maan en de vier seizoenen als hier. Er zijn seizoenssnoepjes en Japanse brieven beginnen vrijwel nooit zonder een persoonlijke natuurbespiegeling.

 Naast de vier jaargetijden zijn 21 maart en 21 september nog eens bijzondere dagen voor Japanners omdat dag en nacht dan even lang zijn. Ze noemen die dagen ‘Higan’. Dit is een Boeddhistische term voor ‘verlichting’, verwijzend naar het feit dat de zon op die twee dagen precies in het Westen*) ondergaat. Daar wonen de ‘verlichten’ (overledenen die de boeddha-status hebben verworven). Op die twee dagen zijn Oost en West, domeinen van de levenden respectievelijk doden, dicht bij elkaar. Dat is Higan. Maar de meeste mensen genieten gewoon van een vrije dag en gaan gezellig een dagje uit. ‘Verlichting’ van de dagelijkse hectiek zeg maar. 

 

Naar ’Higan’ is ook een bloem vernoemd, die in september rond de equinox (aan de dag gelijke nacht) bloeit. In heel Japan van Noord tot Zuid zie je ze overal langs wegen, bosranden, rijstvelden en in tuinen: roodbloeiend, af en toe wit zoals toevallig in onze tuin. Prachtige felrode vlekken in het verder zo groene landschap. Alsof de natuur zelf bloost.

 

 

Van die – nabije – natuur geniet ik met volle teugen, maar soms ook met lichte huivering. Dagelijks in onze tuin en omgeving: verwondering over de veelsoortigheid en spanning om het gevaar van een wespensteek (dodelijk!) of slangenbeet (accuut naar het ziekenhuis!). Onlangs passeerde ik een groepje apen waarvan de meesten op de vlucht sloegen. Een bleef rustig langs de weg op een muurtje drie meter boven mij zitten. Heb wel enkele keren omgekeken of ik niet gevolgd werd op het donkere pad dat ik insloeg. Of het wilde zwijn, dat in de schemering geen mens meer verwachtte en er als een speer van door ging toen ie mij op afstand van 30 meter gewaar werd. En dan die kolonie witte reigers die elke avond neerstrijkt in het struweel langs het stuwmeer. Witte stippen op groen als een gigantische bloeiende hibiscus, verdubbeld in de donkere waterspiegel. ’s-Ochtends verplaatsen ze zich naar de overkant van het meer om zich in de eerste zonnestralen te koesteren. Na deze warming-up verspreiden ze zich over het dorp en zie je ze overal individueel azen op kikkers en dergelijke. Elke dag opnieuw. Gisteren, bij het keren van gemaaid gras verstoorde ik de rust van kikkers, salamanders en hagedissen en van een kleine blauwe slang die onmiddellijk zijn heil elders zocht. Morgen trekt de vierde tyfoon van dit jaar over ons land.

 

stuwmeer in de ochtendmist

Zo kan ik nog wel even doorgaan met mijn verwondering over allerlei grote en kleine natuurverschijnselen. Als je naar oude Japanse landschapschilderingen kijkt zie je vaak bergen, bomen, rotsen, watervallen en rivieren, al dan niet opdoemend uit een mistige nevel. Pas als je heel goed kijkt ontdek je soms een nietig mensfiguurtje.  Iemand die een berghelling neemt, op een rotsblok zit te mediteren, of in een bootje naar vis hengelt. Die bescheiden plaats in de natuur zijn wij mensen al lang kwijt. Wij draaien bij wijze van spreken onze aardbol als een knikker tussen duim en wijsvinger van wetenschap en techniek. Betovering is verovering geworden en voor overweldigende natuurervaringen moet je bijna alpinist zijn of boeken bij reisorganisaties als Djoser. 

In plaats van een overweldigend gevoel ben ik tevreden met de ervaringen die ik hiervoor beschrijf, de heerlijke frisse lucht en het groene uitzicht vanuit ons huis. Daar kan ik me ook al klein bij voelen.

*) Het Westen reikt in deze opvatting niet verder dan China, de bakermat van het Japanse Boeddhisme.

BEKERINGSDRIFT

Onlangs attendeerde ik per mail op ‘Tokidoki’ een TV-serie over Japan die de VPRO vanaf 16 september uitzendt . Uit reacties hierop blijkt dat mijn suggestie overbodig was. Iedereen was er al van op de hoogte, had voorbeschouwingen gelezen of trailers gezien. Zelf las ik er een artikeltje over in de NRC en surfde naar de VPRO site.

Waar ik nieuwsgierig naar was is de motivatie achter het programma. Dan blijkt dat Paulin Cornelisse, die Tokidoki presenteert, van jongsaf aan geboeid is door Japan. Ze spreekt de taal, heeft een jaar in Hiroshima gestudeerd en Japanse vrienden. Dit garandeert natuurlijk nog geen boeiend programma. Ze geeft elke aflevering wel een motto mee dat de hele serie boven een toeristische promo kan uittillen. En dat is al heel wat. Ben benieuwd.

Vlak voor de ‘Tokidoki’- tip mijmerde ik over een nieuwe blogbijdrage. Daarbij vroeg ik me af wat er voor de ‘buitenwacht’ meer achter onze emigratie naar Japan steekt dan een senioren avontuur, een “Ik vertrek” zonder TV camera’s. Als Tokidoki al ontstaat uit persoonlijke interesse van een presentatrice dan durf ik mijn emigratie naar het land van de rijzende zon wel wat toe te lichten. 

 We willen hier graag oud worden. Voor Hiroe lijkt dat een begrijpelijk motief, maar voor mij? De 70 gepasseerd en dan je echtgenote volgen naar een land aan de andere kant van de wereld, waar je de taal niet van kent? Een minder voordehand liggende ‘keuze’ zou je denken. Toch hebben we beiden de stap met overtuiging gezet. Maar zou ik ook geëmigreerd zijn als ik Hiroe niet kende? Hoogstwaarschijnlijk niet.

Behalve echtelijke liefde en trouw is er ook mijn fascinatie voor Japan. Ik was 18 en in opleiding voor priester-missionaris. In de stoffige kloosterbibliotheek vielen tussen de dikke zwarte ruggen van theologie- en filosofieboeken twee kleine hagelwitte boekjes op. Een over Zen van T.D.Suzuki en de ander ‘Tau Te Ting’ van Lao Tse. Die volstrekt onbekende namen en begrippen maakten me nieuwsgierig. De inhoud ging over een compleet andere wereld, andere levensvisie en -wijsheid zo veel was me wel duidelijk, maar veel begrijpen deed ik niet. Evengoed ontging me toen de verwevenheid van het Japanse Zen met het Chinese Tau. Pas vele jaren later ging ik zen oefeningen doen onder leiding van een lerares. Want zoveel had ik inmiddels wel door: zen is praktijk. 

Ondertussen las ik over de bakermat van Zen Boeddhisme:  China waar Zen ontstond als  mengvorm van Boeddhisme en Tau. En Japan natuurlijk, dat in cultureel opzicht zeer schatplichtig is aan China:  het schrift, litteratuur, schilderkunst, thee-cultuur, stedenbouw, keramiek, geneeskunde, Confucianisme, Taoisme, (zen)Boeddhisme. Japanners zijn misschien niet zo origineel als het om uitvindingen/ontdekkingen gaat, maar ze zijn nieuwsgierig en ware meesters in het opnemen en vervolgens ‘perfectioneren’ van wat ze importeren. Dat geldt ook voor Zen.

 In dat missionaris willen worden zat al een zekere hang naar avontuur.  Tijdens mijn studie deed ik veel informatie en kennis op over Japan. Aangevuld met de ervaringen en verhalen van medebroeder-missionarissen die in Japan woonden en werkten besefte ik steeds meer dat Japanners ons meer te bieden hebben dan andersom. Dus weg bekeringsdrift. In plaats daarvan een onverzadigbare honger naar alles wat met Japan heeft te maken. Het land ooit bezoeken kwam bovenaan op het verlanglijstje.

Destijds wel eens overwogen om in Leiden Japanse taal en cultuur te gaan studeren en van mijn interesse een beroep te maken. Maar ik ben een amateur gebleven in de beste betekenis van het woord. Aan mijn Japan-interesse heb ik evengoed op allerlei manier vorm kunnen geven. Ook professioneel zoals door het maken van tentoonstellingen met Japanse kunst en design. Beeldende kunst – die andere liefde – heeft me uiteindelijk voor het eerst naar Japan gebracht in 1988. Een jaar later leerde ik Hiroe kennen, in Nederland. Die persoonlijke band met Hiroe gaf – en geeft nog steeds – mijn Japan fascinatie zowel een warme doorbloeding en als gezonde ontnuchtering. 

Want ik mag dan een bibliotheek met boeken over Japan hebben (gelezen), Japanse films en documentaires hebben gezien, tentoonstellingen hebben bezocht, veel gereisd door Japan enzovoort, het dagelijkse leven leert je de details van een andere cultuur. Dat gold voor Hiroe in Nederland en voor mij nu in Japan.

De cultuurverschillen laten zich vooral zien in hoe mensen met elkaar omgaan. Japanners hebben dezelfde eigenschappen, emoties, strevingen als elk ander mens ter wereld. Maar ze ‘verpakken’ die in (andere) rituelen/omgangsvormen. Mensen geven elkaar bijvoorbeeld geen hand ter begroeting, laat staan een zoen. Die lichamelijke afstand staat een mentaal-emotionele betrokkenheid niet in de weg. Integendeel zou ik haast zeggen, contacten, zelfs vluchtige of eenmalige, kunnen juist intens en heel plezierig zijn. Henk Oosterling ( een Westerling die zijn naam eer aan doet vanwege zijn kennis van het Oosten, met name van Japan) zegt dat wij – Westerlingen – vorm en inhoud van elkaar scheiden en in het gedrag van Japanners een inhoudsloos ritueel zien, een lege verpakking. Hij benadrukt dat Japanners dat onderscheid niet maken en dat vorm tevens inhoud is of op zijn minst kan zijn. Ik denk dat hij gelijk heeft.

Die alledaagse praktische omgang met en door Japanners – helaas in mijn geval zeer gebrekkig vanwege de taalachterstand – wordt ook ergens onzichtbaar gestuurd door eeuwenlang doorgegeven levensbeschouwelijke visies op leven, dood en natuur. Shintoisme, (zen)Boeddhisme, Confucianisme en Taoisme doen zich niet als dogmatische instituties gelden, maar kleuren wel het leven van de mensen. 

Voor mij is nog steeds een raadsel waarom Japan zo vasthoudt aan de vele tradities en tegelijkertijd de ‘verworvenheden’ van de hedendaagse wetenschap en techniek omarmt. Verworvenheden, die bijvoorbeeld de natuur, waar Japanners altijd zo lyrisch over doen, vernietigen. Ze vergapen zich aan de kersenbloesem, maar ontbossen berghellingen om zonnepanelen te plaatsen. Zijn dat ongerijmdheden die alleen een Westers oog waarneemt?

Laat ik oppassen mijn vroegere bekeringsdrift geen nieuw leven in te blazen. 

TYFOON

Dinsdag 4 september 15.45u (Tokyotijd). Een heftige storm beukt tegen ons houten huisje en hevige regen striemt de ramen. We hebben ons de gehele dag binnen verschanst op dringend advies van de overheid. In alle vroegte schalmden luidsprekers de boodschap door het dorp vandaag binnen te blijven of te evacueren naar de locale gymzaal. Hiroe polst Junko de buurvrouw hierover, maar die reageert laconiek: ”overdreven bezorgdheid”. En dus blijven we net als zij en haar familie thuis. Wel met doorlopend nieuws op het scherm, verzorgd door de NHK, de publieke omroep van Japan.

Ik wil een ‘ooggetuige’ verslag maken van de 21e tyfoon van dit jaar en de derde deze zomer, die de Japanse archipel bereikt. De eerste veroorzaakte een watersnoodramp met veel doden, gewonden en daklozen in de buurt van Hiroshima, de tweede kwam dichterbij maar met veel minder schade. En nu dan de derde, ingeschat als de grootste, overdag. De aannemer heeft – evenals de vorige keren – ons huis goed gebarricadeerd en alles waar de wind vat op kan krijgen vastgesjord. Zelf houden we de amado (luiken) van ons gastenverblijf gesloten. Lichte nervositeit. Vorige keren passeerde de tyfoon ’s-nachts en hield ons uit de slaap door rukwinden die het huisje voelbaar in zijn voegen deed kraken. De hevige regenval kan ook nu weer voor wateroverlast zorgen.

We zitten voor het computerscherm met life reportages over het verloop van de tyfoon: waar en wanneer bereikt hij het ‘vaste’ land, welke koers volgt hij, met welke windsnelheden en neerslaghoeveelheden, gelardeerd met beelden van eerdere tyfoons, evacuaties, rondvliegende daken, huizenhoge golven. Vlieg- en treinverkeer dat stilligt. Een bezorgde premier spreekt het volk toe en maant tot voorzichtigheid.

 

Woensdag 5 september. We zijn nu een dag en een stroomstoring verder. Gisteren om 16.00 uur – dus 15 minuten na het begin van dit bericht – valt de stroom uit. En daarmee gaat het scherm op zwart. Geen stroom – dus geen informatie, licht, warm water, toiletspoeling, airco. Evenmin als koelvriescombi en kookplaat. Hiroe heeft uit voorzorg gekookt. We redden ons dus met eten waarvan de ingrediënten misschien zouden bederven bij gebrek aan koeling. Wat een voorzienigheid!  

In het halfduister vleien we ons op bed, hopend dat binnen enkele uren het licht weer aangaat. De storm luwt. Aantal en kracht van de windstoten minderen en stortbuien veranderen in gestage regen. Als de verwachtingen kloppen is de tyfoon het hoofdeiland Honshu inmiddels overgestoken en nu – afgezwakt – op weg naar China. We concluderen dat het noodweer ook deze keer voor ons is meegevallen. Tegen zessen meldt Junko zich: we wisselen het ongemak van de stroomstoring en het ongewisse einde ervan uit. Verder heeft ze vanuit haar keukenraam een grote tak van een van onze kakibomen zien afbreken, vlakbij de erfafscheiding. Jammer van de oude boom, die nu uit balans is, zoals ik even later constateer. 

Om 18.00 uur geen loeiende dorpssirene. Tegen half zeven is het nagenoeg droog en maak ik in het schemerlicht een wandelrondje door het dorp. Vanaf de weg zie ik de gehavende kakiboom, zijn kruin is bijna gehalveerd. Op plekken waar de weg is overgroeid met bomen is het asfalt bezaaid met groen en takken. Hier en daar zijn bamboes geknakt ‘op twintig voor of over zes’. Een enkele rijstboerin inspecteert haar veld op stormschade. Verder geen mens te bekennen. De straatverlichting werkt niet en het enige met stoplichten beveiligde kruispunt, is dubbeldonker en verlaten. Tegen de tijd dat ik thuiskom is het werkelijk donker en dat herinnert mij aan de verbazing van Jon, een bevriende Japankenner, over ons plan in Nara te gaan wonen. “Wat zoeken jullie in godsnaam in het duistere Nara, het is daar altijd ‘mak koera’ (pikkedonker)”.

Avondeten bij een zaklamp, kaarsen hebben we niet. Dankzij Hiroe’s smartphone vernemen we dat de stroomstoring ernstig is en vele huishoudens treft, geen prognose over het einde ervan. Behalve ‘mak koera’ is het muisstil. En zo gaan we een lange maar rustige nacht in.

Vanochtend evenmin een loeiende dorpssirene. Het ontbreken van zijn geluid wekt me eerder dan het lawaai dat ie produceert, zozeer ben ik er kennelijk aan gewend. We doen het met mineral water in plaats van groene thee, want de stroomvoorziening is nog niet hersteld.

Wanneer Kinia-san, de timmerman die in Nara stad woont arriveert wisselen we de belevenissen over de tyfoon met hem uit. Hij weet te melden dat anderhalf miljoen huishoudens in Osaka (tweede grootste stad van Japan) verstoken zijn van electriciteit. En daarmee is de ellende van ons ongemak in een klap gehalveerd.

Rond 11.00 uur floept het licht aan en start alles wat permanent op stroomt draait. Onze ‘hotspot’ wil nog niet meteen, maar een uur later stromen ook de e-mails weer binnen. En daarbij merk ik dat de actualiteit over de tyfoon die ik wilde brengen al lang ingehaald is door persbureau’s. 

HOTSPOT

De digitale snelweg in de vorm van glasvezelkabel is in Japan breed uitgerold. Ook in ons buurtschap Sugawacho, dat weliswaar onder Nara-stad valt maar toch echt platteland is. Net als aansluiting op het rioolnet geeft zo’n voorziening het gevoel bij de wereld en de tijd te horen. We dachten dan ook eenvoudig op de bovengrondse kabel, die al voor onze deur hangt, aangesloten te kunnen worden. Technisch een fluitje van een cent, maar…. daarmee vliegen de bites nog niet zo maar heen en weer. 

Eerder meldde ik al dat KCN, het kabelbedrijf, een monopolist is en de glasvezelkabel op de eerste plaats gebruikt voor doorgifte van Tv-signalen. Internet is bijzaak. Met de dorpsverenigingen in deze regio heeft het jaren geleden afgesproken dat het voor ongestoorde TV doorgifte zorgt als de vereniging optreedt als tussenpersoon tussen klant en KCN. Voor de vergrijzende bevolking in het buitengebied is Sumo-worstelwedstrijden kijken belangrijker dan de wereld van internet. En zodoende schikten de door oude mannen gedomineerde dorpsverenigingen in de voorwaarde van KCN dat kabelaansluiting altijd betekent: een TV + internet. En dat voor enorme bedragen.

Wij willen echter geen TV en voorzover we dat zouden willen kan dat via internet. Dus opteren wij uitsluitend voor internetverbinding met overeenkomstige betaling. Begin juli worden we – zonder contract – aangesloten op de glasvezelkabel. De installateurs gaan hun boekje te buiten door ons te verzekeren alleen voor internet aangeslagen te worden.

Aanvankelijk lijkt ons dorpsverenigingsbestuur in de personen van voorzitter en vice voorzitter wel oren te hebben naar ons standpunt. Temeer ook omdat we van verschillende mensen in de buurt vernemen KCN veel te duur te vinden en het niet eens te zijn met die verplichte TV – internet koppeling. Twee, drie keer komen de heren bestuursleden op bezoek. Maar ze laten Hiroe de kastanjes uit het vuur halen. Een manager van KCN komt bij ons langs die peentjes begint te zweten als Hiroe fel van leer trekt over de onwrikbaarheid van het bedrijf en geen enkele opening biedt of suggestie doet. Telkens hamert Hiroe op het feit dat we niet alleen voor ons zelf opkomen. Jonge mensen surfen meer op internet dan dat ze TV kijken en het peperdure KCN contract jaagt jonge mensen uit de dorpen weg. Persoonlijk begrijpt hij ons standpunt wel, maar het bedrijf….. Hij zal de zaak niettemin voorleggen aan zijn baas, maar waarschuwt voor vals optimisme. Dan weten we eigenlijk al genoeg.

Hiroe onderzoekt bij een soort ‘Autoriteit Consument en Markt’ in Tokyo of KCN zijn monopolie niet misbruikt, maar de dienstdoende ambtenaar reageert slechts alsof hij in zijn middagdutje wordt gestoord. We gaan naar het stadhuis in Nara om bij de afdeling ‘digitaal verkeer’ te informeren welke rol de gemeente speelt bij internetvoorziening in het buitengebied. Op hun verzoek stuurt Hiroe een uitvoerige en gedetailleerde e-mail waarin ze onze situatie met KCN en de dorpsvereniging schetst. Ze wijst er bovendien op dat internet belangrijk is om het platteland leefbaar te houden en dat wij daar op onze manier een bijdrage aan willen leveren. Na een week komt het antwoord: de gemeente Nara heeft niets te maken met KCN, de dorpsvereniging en wat die met elkaar regelen, dat behoort tot de ‘privesector’, oftewel de ‘vrije markt’. “Wij  wensen u verder een blij leven in onze gemeente”. 

Ondertussen duiken de bestuursleden van de dorpsvereniging weg. Ze nemen de telefoon niet meer op en reageren niet op ingesproken boodschappen. Zo gretig als ze aanvankelijk zijn om ons lid van de vereniging te maken en een KCN contract te laten tekenen zo onzichtbaar maken ze zich na het eerste bezoek aan ons van de KCN manager. In een flitscontact met de vicevoorzitter laat deze zich ontvallen dat inwilliging van ons verzoek tot prijsverhoging van alle leden/klanten leidt. En daarmee wordt duidelijk dat KCN het bestuur met een dreigement onder druk heeft gezet. Braaf schikken de heren zich in het standpunt van KCN. De intimidatie werkt.

Voor de tweede keer bezoek van de KCN manager. Zijn gezicht verraadt meteen bij binnenkomst ‘slecht weer’. Zijn superieuren zien geen mogelijkheid iets voor ons te doen. Als we het contract niet snel tekenen dan gaat de stekker er per 25 augustus uit. We hebben dan nog een week bedenktijd. Als troostprijs belooft hij ons geen kosten in rekening te brengen voor de installatie en het gebruik van de kabel. We zullen zien. 

Inmiddels naarstig op zoek naar een alternatief voor de glasvezelkabel, want ook wij blijven bij ons standpunt. Na een telefonische waarschuwing vooraf gaat de internetverbinding inderdaad op 25 augustus ‘op zwart’. We maken een speurtocht langs de grote mobiele telefoon aanbieders, zeg maar de KPN’s en Tele2’s van Japan. Mobiel internet via 4G blijkt de oplossing. Met een zogenaamde ‘router’ in huis hebben we de beschikking over minimaal 30 GB per maand, onze eigen hotspot zeg maar. En zo zijn we sinds 1 september weer – draadloos – met de wereld verbonden.

In 1995 publiceerde Karel van Wolferen “Japan, de onzichtbare drijfveren van een wereldmacht”, een boek dat in Japan veel stof deed opwaaien en waarvoor de Japanse uitgever doodsbedreigingen ontving. Van Wolferen, die vloeiend Japans spreekt en heel lang in Japan woonde, o.a. als correspondent van NRC-Handelsblad, probeert in dit boek te achterhalen, waar hier de politieke, economische en financiële macht zit. Hij komt tot de conclusie dat die zich concentreert in een schemergebied tussen bedrijfsleven en ambtenarij. Politici zijn slechts marionetten van deze machtsblokken. Het parlementaire systeem en verkiezingen dienen hier slechts als ‘democratische’ dekmantel voor. De burger is nergens. Destijds las ik dat boek, dat goed gedocumenteerd is, met grote verbazing. Maar nu ik in Japan woon – ik geef toe ik kom pas kijken – beginnen Van Wolferens observaties allengs voor me te leven. 

In korte tijd heb ik toch al ervaren dat de overheid het bedrijfsleven beter beschermt dan zijn burgers. Die laatsten ondergaan het maatschappelijk bestel tamelijk gelaten, evenals de verstikkende bureaucratie en schikken zich, volgen braaf. Conformisme ligt Japanners beter dan rebellie of verzet. Liever harmonie dan conflict. Als we met dorpsgenoten praten over onze ‘kabelaffaire’ zijn ze het grondig met ons eens. Tegelijkertijd ontwaar ik scepsis in hun ogen over onze pogingen iets veranderd te krijgen. 

L: Hiroe kijkt vanuit de ‘tatami-kamer’ in de tuin;

R: Hiroe in gesprek met buurman over KCN

O-bon

 

Sinds afgelopen vrijdag liggen de renovatiewerkzaamheden in ons huis stil. De timmerlieden hebben vrij wegens O-bon, een soort Allerzielen dat elk jaar van 13 tot en met 15 augustus plaatsvindt. Het is geen nationale feestdag, maar nagenoeg alle bedrijven liggen stil en er is beduidend minder vrachtverkeer op de weg. Niemand maakt zakelijke afspraken. Vóór O-bon heeft iedereen het extra druk: allerlei klussen moeten voordien geklaard zijn, overal wordt opgeruimd, gewied, gemaaid en geveegd. 

De doden blijven hier bij de levenden horen: er zijn regels die aangeven waar, hoe vaak en op welke momenten sinds het heengaan de overledene herdacht dient te worden en dat is vaak. Al dan niet in aanwezigheid van een Boeddhistische priester. Maar altijd voor de Butsudan, het huisaltaar dat in praktisch ieder huis te vinden is, zeker hier op het platteland. Je vindt ze in soorten en maten, van kaal en eenvoudig tot rijken en barok. Achter openslaande kastdeuren bevindt zich een rijkversierd tabernakel als van een katholieke kerk, vol blinkend koperkleurig metaal, met centraal achterin een boeddhabeeldje. Eromheen kitscherige lampjes, kaarsjes en decoraties. In nisjes en op plateautjes leunen soms de portretten van overleden familieleden evenals kleine boekjes, waarin de genealogie van gestorven voorouders wordt bijgehouden. Hiervoor worden offergaven geplaatst zoals rijst, fruit en soms een boeketje. Tenslotte geheel vooraan een schoteltje om wierook te branden en een bel om de aandacht van de overledene te trekken. Geregeld nemen familieleden of bezoekers plaats op het kussen voor de Butsudan, steken een wierookstokje aan, luiden de bel en buigen devoot met de handen tegen elkaar het hoofd. Zo heb ik zelf verschillende keren tijdens bezoek aan vrienden dit ritueel uitgevoerd als uiting van respect voor zowel de levenden als de doden.

     

Tijdens O-bon verzamelen familieleden zich in het (voor)ouderlijk huis. Op de 13e worden voor het huis bij de poort of inrit links en rechts een busseltjes stro of houtjes aangestoken. De rook die hiervan opstijgt dient de geesten van de overledenen naar hun vroegere woning te gidsen, waar ze gedurende drie dagen in het gezelschap van hun nabestaanden kunnen verkeren. Er worden Boeddhistische soetra’s gereciteerd en wierook gebrand; natuurlijk wordt er uitgebreid – vegetarisch – gegeten. Een portie ervan wordt op het altaar geplaatst. Op de 15e begeleiden rooksignalen bij de poort de geesten opnieuw wanneer ze geacht worden terug te keren naar hun hemelse verblijfplaats.

Ook Japan kent secularisering oftewel verwereldlijking. Bij verschillende huizen zie ik uitgedoofde strobusseltjes, zoals bij onze buren, een drie generatie familie. Maar dit zijn wellicht evenveel symbolische  als letterlijke overblijfselen van een traditie die aan het verdwijnen is. Onze buurvrouw vertelt dat de jongste generatie niet voor O-bon thuiskomt; ze hebben het te druk. Er zijn bovendien nog drie andere momenten in het jaar waarop doden kunnen worden herdacht en de familie bij elkaar komt. Zij doet er nogal onverschillig over en het is met name haar bejaarde moeder die ‘het vuurtje aansteekt’ en de traditie levend houdt. Japanners gooien niet gauw iets weg, of het nu spullen zijn of gewoonten/tradities. Ze houden de vorm van tradities wel in ere maar over de inhoud maken ze zich niet meer zo druk.

O-bon betekent topdrukte voor de Boeddhistische clerus en omdat ook hier het aantal priesters slinkt kunnen ze de vraag amper aan. Ze haasten zich van het ene adres naar het andere. Zeker wanneer een dierbare minder dan een jaar geleden is gestorven is de aanwezigheid van een O-bo-san bij de herdenking gewenst. Hij of zij gaat voor bij het reciteren van de soetra’s en het branden van de wierook terwijl iedereen rondom het huisaltaar is verzameld. Afgelopen dagen ben ik er twee – in vol ornaat – tegengekomen, waarvan er een op een motorfiets. Helaas heb ik geen foto van de eerwaarde kunnen maken: zoals hij licht voorovergebogen op zijn tweewieler zat, in wapperende gewaden met een helm op waar hij normaliter een plechtige mijter draagt.

Vanochtend kwamen de timmerlieden weer opdagen en, gevraagd naar hun O-bon, lieten ze spontaan weten drie dagen vooral geluierd te hebben. Sakai-san, onze aannemer en vader van een van de timmerlui, vertelde dat hij het wel heel druk had met O-bon: zowel voor zijn eigen familie alsook ook vanwege de herdenking bij de familie van zijn echtgenote. Sakai-san junior zwijgt. Hij is ongetwijfeld aanwezig geweest in het ouderlijk huis, maar zijn zwijgen zegt genoeg over het belang dat hij hecht aan de traditie van de generatie boven hem.

HANABI en HANAMI

Vorige week zaterdag hadden Hiroe en ik vrijkaarten voor een vuurwerk manifestatie in Osaka, de ‘Yodogawa hanabi tai kai’. Een goodwill investering van onze verzekeringsagent, die tijd noch moeite spaart om ons huis, inboedel en auto via hem verzekerd te krijgen. Behalve de vele uren die hij zich veroorlooft om met ons over koetjes en kalfjes te babbelen trakteert hij ons dus ook op ‘VIP plaatsen’ bij de vuurwerkshow. Compleet met gratis eten en drinken.We nemen de trein van Nara-stad naar centraal station Osaka om van daar te voet naar de oever van de Yodo rivier te gaan, waar het spektakel zich zal afspelen.
Bij elk tussenstation stappen passagiers in met hetzelfde reisdoel. En tegen de tijd dat we Osaka bereiken puilt de trein uit van vuurwerkgangers. Drommen mensen schuifelen naar de uitgang zonder haast of geduw. De massa beweegt organisch in een en dezelfde richting, niemand versnelt of vertraagt, niemand raakt elkaar aan. Eenmaal buiten op straat ontstaat er meer bewegingsruimte en vertakt die trage mensenrivier zich in kleinere, maar nog altijd trottoir-brede stromen. Alles richting Yodogawa.
Het is rond vijf uur en hoewel de lage zon hier en daar al door skyscrapers wordt tegengehouden is het nog volop licht. We lopen hoofdzakelijk tussen jonge mensen, waarvan er veel een zomerkimono dragen. De spetterende kimonokleuren en -patronen waarin de meisjes gekleed gaan is als een voorspel op het vuurwerkspektakel waarnaar we op weg zijn. Hun vriendjes geven die vrolijkheid extra cachet door het contrasterend antraciet en grijs van hun kimono’s met uiterst subtiele patronen. Om op tijd op onze VIPplaatsen te geraken moeten we af en toe onze pas versnellen en zelfs hier en daar tussen de menigte naar voren slalommen. Maar toch permitteer ik me telkens te genieten van het feestelijk schouwspel voor ons: de sierlijke bewegingen op de kletterende getta’s (houten schoeisel) vermengd met gegiechel en vrolijk gebabbel van de (verliefde) stelletjes in kimono. Ze gaan helemaal op in hun samenzijn maar raken elkaar amper aan.

De Yodogawa is een forse rivier die dwars door Osaka stroomt en op de plek waar de brede oevers een populair park vormen vindt het jaarlijkse vuurwerk plaats. Zo’n half miljoen mensen komt erop af en daar zijn wij er dit jaar twee van. Bij ‘onze gate’ staat een leger stewards klaar om gasten te voorzien van een plastic tas met ‘obento’ (lunchbox) en groene thee. Een van hen begeleidt ons naar onze plaatsen aan een lange smalle tafel in vak G, zo’n 40 meter van het water. Muziek schalt door de speakers. Een boot legt aan om het nog lege vak voor ons te vullen. Bedrijvigheid alom van gasten op zoek naar hun stoel en van jongelui die hen van grote sushischotels, bier en fris voorzien. Met het vallen van de avond nemen drukte, bedrijvigheid en de bergen afval toe. Het merendeel van de mensen staat of zit op het taluud en aan de overkant, vanwaar het vuurwerk word afgestoken kan iedereen gratis kijken.Ik voel me wel bevoorrecht maar geen VIP, zeker niet als onze begunstiger, de verzekeringsagent, in een T-shirt van het bedienend personeel aan komt zetten. Alleraardigste man, voor wie niets te veel is om zijn broodbazen van dienst te zijn en zijn klanten te plezieren. Dit is Japan. Onze tafelgenoten zijn de makelaar van wie wij ons huis kochten en zijn gezin. Hij heeft ons bij de verzekeringsagent geïntroduceerd, vandaar. Maar we kunnen het goed met hem vinden en we vinden het leuk om zijn vrouw en kinderen te leren kennen.

Om half acht is het donker. Een heerlijke buitentemperatuur. Kantoorlichten aan de overkant van het water herinneren ons eraan dat we midden in een miljoenenstad zitten.Sterren verschijnen aan de onbewolkte hemel en het drukke vliegverkeer zorgt voor bewegende lichtjes boven de skyline.

Klokslag 19.40 uur barst het vuurwerk los. Recht voor ons – vanaf de overzijde van het water -wordt de ene vuurwerkbom na de andere afgevuurd. Spectaculair! Het knallen en knetteren wordt begeleid door ahh’s en ooohh’s uit het publiek en door muziek dat uit de speakers knalt. Op de eerste maten van Beethovens vijfde symphonie schieten vuurpijlen omhoog om boven ons hoofd bij elke paukenslag in een kleurenparaplu uiteen te spatten. Zonder onderbreking is de lucht boven en voor ons het decor van het indrukwekkendste vuurwerk dat ik ooit mee mocht maken en dat een uur lang! Niet alleen de kleurexplosies en -fonteinen zelf ontlokken mij ah’s en oh’s van bewondering maar ook de grijswitte rooksporen die ze achterlaten. Als reusachtige spinnenwebben of octopussen hangen ze nog even in de lucht. Het tegelijkertijd zien oplichten en doven van zo’n massa vuurwerk is misschien het meest aantrekkelijke aan dit schouwspel.

 

Het Japanse woord voor vuurwerk ‘Hanabi’ – vuurbloemen – lijkt erg op ‘Hanami’- kijken naar bloemen – niet alleen vanwege de klank en de bloemen. Het aandachtig kijken naar (natuur)verschijnselen is een traditionele en geliefde bezigheid onder Japanners. Zo turen ze naar de mooiste volle maan van het jaar, spotten vuurvliegjes langs bepaalde stroompjes en trekken erop uit om spectaculaire herfstkleuren te bewonderen. Het meest populair en bekend is de ‘Hanami’ het kijken naar de kersenbloesem in het voorjaar. De aantrekkingskracht en schoonheidservaring bij al die aandacht voor vuurwerk, maan, bloesem of herfstpracht is gelegen in de kortstondigheid en vergankelijkheid van waar je naar kijkt of wat je bewondert. Ik kan me daar wel in vinden. Zo heb ik ook genoten van de ‘hanabi’. Maar evenzeer van de jongelui die voor me liepen op weg naar de vuurwerkshow. Die sensatie kon ik beleven als een  ’hanami’ of ……..zou dit aan mijn leeftijd liggen.

WATEROVERLAST

We zijn nu bijna twee weken in Nara/Sugawacho en het lijkt alsof Het Schoolhuis, Heesbeen en Nederland niet alleen in afstand maar ook in tijd ver achter ons ligt. De eerste dagen waren warm en zonnig, daarna is het flink gaan regenen en evengoed warm. Konden we ons eerst baden in het zweet daarna kon het ook in het water dat met bakken naar beneden viel. De watersnoodramp voltrok zich met name in West Japan, zo’n 200km van hier. Bij ons niet zo erg, maar toch…In de stromende regen heb ik een greppeltje aan de achter- en zijkant van het huis moeten graven, zoals een kampeerder wel doet rond zijn tent. Toch kregen we water binnen dat zich verzamelde op een plek waar de betonnen vloer was weggebroken. Hozen geblazen, want al het hout en gereedschap van de aannemer ligt er opgetast. Ook de aannemer gebeld, die snel kwam met een pompje om er dag en nacht het water weg te houden.

Het is prettig om aan te komen op een al vertrouwde plek en in een bekend huisje (gastenverblijf), waardoor het gevoel van ‘emigreren’ er niet is. We kennen de omgeving al, de buren, het dorp en zijn al min of meer vaste klant bij de supermarkt verderop. 

     

De aannemer is hard aan het werk om te zorgen dat medio augustus twee ruimten klaar zijn om de containerlading op te slaan. Het duurt zeker nog 8 maanden voor het hele huis klaar is. Het wordt wel iets moois. Het is fantastisch om te zien hoe de – meewerkende – aannemer (76), zijn zoon en een medewerker gestaag, precies, vakkundig en zonder veel lawaai aan het werk zijn, doorgaans zesdagen per week. En vakmanschap tonen ze: bijna alle forse houten palen, waarop de hele dakconstructie rust waren aan de onderzijde aangevreten door de ‘shiroari’, larf van de witte mier, een minuscuul beestje, dat op den duur het hout in een spons doet veranderen. Ze hebben die onderstukken vervangen op een ongelooflijk ingenieuze manier zichtbaar op de plek waar oud en nieuw zijn verbonden. En tegelijkertijd het hele huis waterpas/loodrecht gemaakt/gehouden! De aannemer heeft zichtbaar plezier in de klus en Hiroe kan het heel goed met hem en de andere timmerlieden vinden. De lachsalvo’s galmen soms door het dorp.

 

Ook kwam de voorzitter van de locale dorpsvereniging langs om ons lid te maken. Maar dat gaat -wat ons betreft – niet zonder slag of stoot. Om te beginnen moet je zo’n kleine 800 Euro betalen en daarna nog eens 56 euro per maand. Op de vraag van Hiroe “wat doen jullie voor al dat geld?”  kwam geen helder antwoord. Verder heeft de dorpsvereniging een contract met de firma die glasvezelkabel-aansluiting verzorgt (monopolist) en als we daar gebruik van willen maken moeten we bijna 900 euro schuiven, afgezien van de maandelijkse kosten. De voorzitter moest onverrichter zaken terugkeren naar huis, want allerlei verklaringen over grond en golfclubs waar de vereniging in verwikkeld is geraakt maakten de zaak zo schimmig, dat we – tot grote verbazing van de voorzitter – eerst heldere uitleg en financiële verantwoording willen voor we welk besluit dan ook nemen. Hij liet de nodige papieren met lidmaatschapsvoorwaarden etc achter zodat Hiroe die goed kon bestuderen. En dat deed ze. Toen hij  twee dagen later opnieuw kwam, gesecondeerd door de vicevoorzitter, werden de heren bedolven onder een spervuur van vragen.

Niet gewend aan zo’n situatie, probeerde vooral de vicevoorzitter, die ook wat intelligenter leek dan zijn voorman, elke vraag te beantwoorden. Hoewel ik niets verstond en Hiroe enkel af en toe een kernsamenvatting van het gesprek gaf, vond ik het vermakelijk. Het bleek dat nog nooit iemand een vraag had gesteld over de relatie contributie –  tegenprestaties, dat reglementen al decennia lang ongewijzigd zijn en vooral dat deze blindelings door het ene bestuur van het andere werden overgenomen en dat ze dus zelf ook niet meer wisten waarom de zaken waren als ze nu zijn. De bestuursleden bedankten Hiroe voor haar kritische opmerkingen en vertrokken zonder ons als nieuw lid te verwelkomen. Toen Hiroe twee dagen later belde met de mededeling dat we wel lid worden maar enkel voor de maandelijkse contributie viel dat helemaal niet slecht en werd onze opstelling zelfs gewaardeerd, ook al moet er nog over vergaderd worden.

Wat die glasvezelkabel-aansluiting betreft ging Hiroe ook met de firma in discussie; ze vragen eerst veel geld voor het aanleggen, daarna voor het aansluiten en dan nog eens een maandelijks bedrag. Het is bovendien een koppelverkoop met TVsignalen.  De (bovengrondse) kabel bungelt al aan de paal recht tegenover ons huis, dus die aanlegkosten kunnen wat ons betreft geschrapt worden. Ook hier heeft Hiroe’s volharding enig succes. Sinds dinsdag zijn we via de glasvezelkabel met de wereld verbonden zonder de inclusieve doorgifte van TV signalen te betalen. TV doen we wel via internet.

De dorpsvereniging is hier – anders dan in Heesbeen, waar de leden voor 25,EUR per jaar op een jaarlijkse toneelvoorstelling, kerstviering,viswedstrijd en een maandelijkse instuif kunnen rekenen –  een privaatrechtelijk, maar gewichtig orgaan. En …anders dan in Nederland hebben leden niets te vertellen, het bestuur bepaalt alles. Verkiezingen? Geen idee. Ledenvergaderingen ‘wat is dat?’. En zo leer ik al weer dat ik Nederland(se mores en gewoonten) moet vergeten. Gelukkig dat Hiroe een – bijna Hollands – kritische instelling heeft (van jongsaf aan) die ons helpt niets voor zoete koek aan te nemen. En de bestuursleden maar denken: “ wie hebben we nu toch in huis gehaald…….?”

Tenslotte: de eerste aap gespot, een volwassen makaak, die rustig over de weg voor ons huis wandelde. Enkele dagen later werden we ‘s-nachts gewekt omdat zo’n exemplaar over ons dak kuierde…….je kunt maar ergens wakker van liggen.

WELDADIGE BUREAUCRATIE

 

Sinds gister ben ik officieel inwoner van Nara. Snel en voortvarend gegaan. Zonder Hiroe, die elk in het Japans gestelde formulier invult, had ik dit niet gered. De hulp-secretarie van het stadhuis ligt bij ons om de hoek: een zaaltje met ongeveer acht ambtenaren die bij onze binnenkomst allemaal – behalve hun chef achterin – van hun stoel opspringen en ons verwelkomen. Ze kennen ons nog van de vorige keer en de mevrouw die toen een formulier met een verkeerde naam meegaf durft uit schaamte daarover haast niet meer naar de balie te komen om ons te helpen. Ietwat verlegen maar uiterst vriendelijk en behulpzaamheid verwijst ze ons naar  het stadhuis in Nara-stad, daar gaat alles gegarandeerd goed. We begrijpen de verwijzing. Ze maakt nog een lichte buiging ten afscheid en nagestaard door het hele ambtenarencorps vertrekken we.

Japan kent een enorme bureaucratie met duizenden ambtenaren en miljoenen formulieren. De stadskantoren – ik heb er verschillende bezocht op allerlei plekken in Japan, zowel in grote steden als kleinere – zijn de moeite van een studie waard. Het is er altijd druk, zowel voor als achter de balies. Waar in Nederland ‘clean desk’ de norm is lijkt hier het tegenovergestelde: op elke afdeling heb je een enorme zaal volgepropt met bureautjes, kastjes, kopieer- en printapparaten, die weer volgestapeld of liever dichtgeslibd zijn met dozen, ordners, stapels papier, in bakjes gesorteerde formulieren, regel- en instructieboekjes. Elk plat vlak van schotten, schermpjes, kastdeuren, ladenblokken, apparaten, stoelrugleuningen zijn volgeplakt met mededelingen, affiches, instructies en Post-it briefjes. Elke werkplek heeft een computer, dat wel, maar de norm is nog steeds potlood, pen en papier. Door de gehele kantoorjungle slingeren eenmanspaadjes, waar ambtenaren soepel en snel op en neer bewegen tussen de balie en ‘Back Office’ werkers. En hoe chaotisch het er ook allemaal uitziet dagelijks worden er honderden burgers op een efficiënte en prettige manier geholpen. ‘Geroutineerd, aandachtig, vriendelijk en behulpzaam’ zo zou ik de houding van het gros van deze volksdienaren willen karakteriseren. Geen ‘overheidsdienaren’ dus zoals in Nederland, maar ambtenaren in dienst van het volk, een uitvloeisel van de Confucianistische geest, die in vroeger tijd – net als zoveel andere culturele aspecten – is overgenomen van China. 

Wel, in deze context heb ik niet alleen mijn inschrijving in de gemeente Nara kunnen voltooien, inclusief een verblijfsvergunning voor 3 jaar, maar ook mijn zorgverzekering. Dat laatste lijkt op het vroegere Nederlandse ziekenfonds: je betaalt premie en de overheid vergoed 80% van alle ziektekosten. Over drie maanden ontvang ik bovendien een 70+pasje, waarmee ik seniorenkorting krijg in openbaar vervoer en allerlei sociaal-culturele voorzieningen.

Japan legt zijn burgers niet in de watten, maar als verzorgingsstaat lijkt het toch niet zover af te staan van menig Europese. 

En op de valreep………Belgie won spectaculair van Japan in het WK18 met 3 – 2; we hebben de wedstrijd niet kunnen zien; voetbal of WK is hier geen ‘gesprek van de dag’.

De overstap

Welkom op de blog, die ik onregelmatig zal vullen met verhaaltjes, foto’s en mini-filmpjes. De ene keer rond een thema, de andere keer zo maar wat waarnemingen. Al doende zal er wel een geschikte blogvorm uitrollen. Maar jullie reacties/commentaar zal natuurlijk ook van invloed zijn.

Gisterochtend – 30 juni – aangekomen in Japan; bloedheet! Deze hitte-overval riep meteen een waarschuwing in herinnering, die ik vorig jaar van Philip kreeg. Hij, een Brit die inmiddels zes jaar hier in de buurt woont, ervaarde zijn eerste Japanse zomer als een hel. Dit wordt mijn ‘vuurdoop’ dacht ik meteen. Gelukkig zweert Philip nu bij een Japanse zomer omdat je je erop instelt en je – anders dan in Engeland of Nederland – er voor 100% zeker van bent dat het 2 maanden continue zomer blijft. Geen pieken van 30 en plotse dalen van 15 graden.

Na de drukte van de verhuizing, het aangename feest onder de notenbomen op 24 juni, de schoonmaak en overdracht van het Schoolhuis, het gedag zeggen en de voorbereiding van de reis, overheerst een voldaan gevoel nu we hier geland zijn.

Er ligt nu een leven voor ons, hier in Sugawacho, Nara. We hebben wel plannetjes, maar blijven met twee benen op de grond: eerst ons huis in orde maken. (De aannemer was nog aan het werk toen we arriveerden; hier wordt op zaterdag gewerkt). Sinds we in april hier voor het laatst waren tiert het groen overal welig, ook in de tuin die we toen ‘schoon’ achterlieten. De natuur is hier heftig en het regenseizoen dat net is afgelopen, heeft daar zeker toe bijgedragen. Die heftigheid van groei en bloei vind ik wel fijn en hoop daarvan te profiteren als ik volgend jaar een moestuin start.

Morgen schrijven we ons in in de gemeente Nara. Daarmee worden we inwoners van Japan en van het buurtschap Sugawacho, een klein tegenwicht tegen de ontvolking van het Japanse platteland. Geen eisen van ‘inburgering’ of iets van dien aard. Maar daar staan genoeg eisen en ongeschreven regels tegenover hoe te gedragen in het sociale verkeer. ‘Sumimasen’ (‘sorry’ maar dan minder oppervlakkig) en ‘Arigato gozaimasu” (dankjewel) kun je niet genoeg zeggen.

Eerdere berichten die je hier aantreft zijn bij sommigen al bekend. Ze schetsen iets van de ‘aanloop’ naar ons leven aan de andere kant van de wereld. Voor degenen die ze misten een kleine inhaalslag.

 

 

Lentebloesem

De lente is hier nu echt begonnen. De kortdurende, maar uitbundige sakura (kersenbloesem) vormde twee weken geleden de opmaat hiervoor. De enige kersenbloesem in onze tuin hangt als een roze wolk boven de poort. Het stuwmeertje beneden in ons dorp is omzoomd met stralend witte bloesem. Juist op dat hoogtepunt vertrekken wij voor een week naar Toyohashi, geboortestad van Hiroe, bijna 200 km verderop. Hier zijn wij met anderen voor een hanami-picknick uitgenodigd en vleien ons, zoals velen, op een blauw zeiltje onder de bomen. Het is licht bewolkt en af en toe steekt er een briesje op. Deze keer geen verwondering over de bloesem boven ons, maar  verrukking over de ‘sneeuw’ die in de vorm van witte blaadjes op ons en de heerlijkheden neerdaalt. Als enige man en buitenlander in het gezelschap van acht vrouwen die deze opwinding met elkaar delen, zit ik er bij en kijk ernaar. Het is de tweede keer dat ik een ‘hanami’ (bloesemkijken) – op dezelfde plek en met nagenoeg dezelfde mensen – meemaak; aan eten en drinken geen gebrek maar het plezier en de onbevangenheid van de eerste keer mis ik. Hanami is een nationale ‘sport’, die in heel Japan wordt bedreven tijdens de bloeiperiode die als een meteorologische golf over de archipel van zuid-west naar noord-oost schuift. Waar wij in Nederland met het oog op ijspret de vorstverwachting in de gaten houden, volgen Japanners met spanning de weers-/ annex bloesemberichten. Reclame, horeca en middenstand weten er ook raad mee: alles is sakura wat de klok slaat tot en met de koffie, zoals ik gisteren nog zag: een toefje slagroom drijvend op het zwarte vocht afgetopt met een bloesemblaadje! Toemaar!

We zijn niet alleen in Toyohashi voor de bloesem. Hiroe heeft er in verband met onze emigratie een en ander te regelen op het stadhuis en we bezoeken haar 95-jarige moeder in ‘Casa Blanca’, het verzorgingshuis waar ze woont. Wegens een griep-epidemie wordt ons dat bezoek aanvankelijk geweigerd, maar de vasthoudendheid van Hiroe maakt het toch mogelijk. Wanneer mijn schoonmoeder door een alleraardigste verzorgster de entreehal wordt ingereden herkent ze mij vrijwel meteen, maar met Hiroe heeft ze moeite. In haar herinnering had ze een ronder gezicht en na enige aarzeling beseft ze dat het haar dochter is. Verwarring en ontroering wisselen elkaar af. Het dringt niet tot haar door wanneer we vertellen over onze verhuizing naar Nara. Ze leeft in een andere wereld. Haar stem klinkt nog even krachtig als voorheen maar uit haar korte zinnen kunnen we niet veel meer opmaken dan dat ze het erg naar haar zin heeft in Casa Blanca. Na amper tien minuten legt ze haar hoofd op de armleuning van haar rolstoel en valt in slaap, een teken voor ons dat het genoeg is geweest. We nemen afscheid en ze zwaait ons uit tot bij de voordeur.

Sinds Hiroe’s moeder niet meer thuis woont logeren we bij vrienden. We zijn er kind aan huis en vertrouwd met de hele familie: van de jongste telg tot Obaasan, de 95-jarige maar nog altijd vitale ‘Mater familias’. Allemaal zijn ze ooit in Nederland geweest en hebben bij ons in Heesbeen gelogeerd. Op zaterdag 7 april zijn we te gast bij het trouwfeest van de jongste zoon. Dat wordt gevierd in een bijzonder hotel nabij de beroemde Fuji-berg in Hakone, een populaire streek vanwege het natuurschoon. De accommodatie (‘Nest In’ genaamd ) is ongeveer een eeuw oud en recentelijk uitgebreid met een aantal ‘villa’s. Die liggen verspreid over een helling en verscholen in het groen. Hiroe en ik worden in een ‘nest’ ondergebracht waarin een heuse pianovleugel staat en waar we privé beschikken over een heet bronwaterbad dat zich buiten aan de rand van een prachtige vijver bevindt. Een luxe, die wel heel erg afsteekt bij ons eigen gastenverblijf in Nara, waar we overigens met veel plezier bivakkeren. We laten het ons welgevallen. Het feest zelf is tamelijk informeel en bestaat eigenlijk uit een uitgebreide lunch, waarvoor iedereen zich heeft uitgedost: van casual tot kimono en van sneakers tot pumps. Op de melodie van ‘do-re-mi-fa-sol’ uit de ‘Sound of Music’ heeft Hiroe een liedje in elkaar gezet dat zij met de familie (‘von Trapp’) van de bruidegom zingt; in Japan kent iedereen de musicalfilm en het lied wordt o.l.v. ‘Maria’ (Hiroe) uit volle borst meegezongen. Op de terugweg rijden we door het prachtige Hakone met het Ashino meer aan de voet van de Fuji-berg. Dankzij het heldere weer kunnen we deze ‘goddelijke vulkaan’ van verschillende kanten bewonderen. Hij staat zo ontzagwekkend in het landschap dat hij zijn bovenaardse status wel verdient. En hij is niet voor niets zo vaak verbeeld in poëzie en beeldende kunst, van Hokusai’s beroemde houtsneden (36 gezichten op de berg Fuji) in de 19e eeuw tot recentelijk Fiona Tan’s film ‘Ascent’ die we vorig jaar in het Tilburgse Museum De Pont zagen.

Als we terug zijn in Nara hebben we nog 10 dagen voor we weer naar Nederland gaan. Binnen die periode moeten we uit twee kandidaten de aannemer kiezen, die de renovatie van ons huis voortzet. Met beide hebben we gedetailleerd onze plannen/wensen doorgesproken, hun begrotingen geanalyseerd, laten toelichten en aanpassen. Beider offertes, aanpak en capaciteit lopen niet ver uiteen en dat maakt de keuze lastig. Morgen, 17 april, hakken we de knoop door.

We regelen ondertussen allerlei formaliteiten in verband met onze emigratie en werken in de tuin. Dat laatste vormt een mooi tegenwicht tegen het eerste. Hiroe ontdekt allerlei plantjes die tussen het onkruid boven de grond komen. Onder andere allerlei varens, hosta’s, helleborussen, pioenrozen en hortensia’s; de camelia’s bloeien nog steeds en aan de verschillende esdoorns ontspruiten de blaadjes. Het barst van de salamanders en kikkers in soorten, maten en geluiden (‘s-nachts is het een hels kabaal). Pal voor onze deur zien we een kleine zwarte slang een boomkikkertje verschalken; ik heb het niet op die beesten, maar fascinerend vond in dit wel.

Er lopen verschillende watergeulen om ons huis en in de tuin, die in de loop der tijden helemaal zijn dichtgeslibd; Ik heb ze allemaal uitgegraven en schoongemaakt net voordat er 55 mm regen viel. Dat was gisteren en met voldoening heb ik het water naar de lagergelegen straatriolering zien gutsen. Afwatering en waterhuishouding zijn in het bergachtige Japan minstens zo belangrijk als in het vlakke Nederland. Zeker vanwege de natte rijstbouw. Zoals overal elders zijn in onze omgeving honderden akkertjes, die terrasvormig tegen de hellingen liggen en die met dijkjes en een ingewikkeld stelsel van waterlopen bevloeid dan wel gedraineerd worden.

We zijn blij de eerste lente hier al zo’n beetje meegemaakt te hebben, we genieten van de vrolijke ogoeisoe (Japanse nachtegaal). Met zijn opgewekte en rijkgeschakeerde zang worden we eerder en vooral prettiger gewekt dan door de dorps sirene. Die sirene loeit hier 7 dagen per week gedurende 10 seconde om 6, 9, 12, 15 en 18.00 uur! In het begin was het schrikken en Hiroe veronderstelde de eerste keer dat er alarm geslagen werd i.v.m. een mogelijk Noord-Koreaanse raketaanval. Maar inmiddels zijn we gewend aan deze collectieve tijdsdressuur.