BUTOH DANS

Naoko-chan, vrijwilligster, introduceert van tijd tot tijd bij ons onbekende mensen. Zelf al een kleurrijke verschijning, weet ze hen nieuwsgierig te maken naar A.UN.HAUS en onze bezigheden. Haar enorme netwerk bestaat uit mensen van allerlei slag. Zo maken we begin februari van dit jaar kennis met Seiji Tanaka, professioneel butoh-danser en chiropractor: het eerste uit passie, het tweede om den brode. 

Hij woont in Nara-stad en zoekt een geschikte locatie voor zijn solo optreden als butoh danser. Naoko-chan hem heeft hem ongetwijfeld ingefluisterd dat die bij ons is te vinden. Als we hem Arayashiki1  lieten zien is hij meteen verkocht; het liefst treedt hij er al binnen een maand op.

Het oer-Japanse Butoh2 heeft mij nooit zo bekoord. Veel modern Westers danstheater lijkt erop en daar lopen Hiroe noch ik warm voor. We beginnen dan ook met enige terughoudendheid aan het gesprek met Seiji. Een gesprek, dat gaandeweg een soort theatraal verhaal van zijn kant wordt.

Terwijl hij dat vol vuur aan onze keukentafel vertelt springt hij geregeld op van zijn stoel om zijn woorden lijfelijk kracht bij te zetten. Zelfs ik, die nauwelijks iets verstaat, raak geboeid.

Het zijn vooral zijn innemende persoonlijkheid en fascinerende levensverhaal3 die onze butoh-weerzin temperen en Seiji groen licht geven voor een performance in Arayashiki. We prikken een datum in mei om voordien de locatie schoon en geschikt te maken voor een optreden. Binnen zowel als buiten, want de performance vindt op het voorterrein plaats, terwijl toeschouwers binnen door de open voorpui toekijken.

De organisatie en publiciteit laten we aan Seiji over, wij stellen ruimte ter beschikking en zorgen voor parkeergelegenheid. Zondag 19 mei klokslag 18.00 uur – zo besluiten we – zal de dorpssirene4 het startsein geven voor de performance, het moment ook dat de zon achter de bergen verdwijnt en de schemer inzet. Een perfecte ambience.

Twee weken voor het optreden nemen we ter plekke de laatste details door: het voorterrein moet niet té opgeruimd zijn en Seiji wil er zelfs een berg halfvergane bamboe naartoe slepen. Ook wil hij mijn roestige kruiwagen als attribuut. “En als het op 19 mei regent?” vraag ik bezorgd – butoh dansers treden immers bijna naakt en volledig wit geschminkt op. ‘Geen enkel probleem’ reageert hij opgewekt alsof hij op deze vraag zit te wachten. Dan herinner ik me gelezen te hebben dat butoh-dans doortrokken is van melancholie, dat het niet alleen mooie en verheven kanten van het leven wil tonen, maar ook en misschien wel vooral de vulgaire en destructieve. Dus liever een donderbui dan ’n strakblauwe hemel.

De tuin van het voorterrein is pas aangelegd en oogt redelijk kaal; de meeste aanplant is jong en kwetsbaar; hier en daar liggen als bij toeval stenen. Een ideaal butoh-podium. Hovenier Uchi-kun en Hiroe zorgen nog voor de finishing touch. Dankzij familie-bezoek uit Nederland krijgt Arayashiki in één dag een grondige schoonmaakbeurt.

De buurvrouw stelt een naastgelegen braakliggend landje ter beschikking als parkeerterrein. Ik maai het onkruid ervan en markeer de inrit. Vrijwilligster Miki-chan helpt met het verwijderen van de schuifdeuren, waardoor één grote ruimte ontstaat voor zo’n 40 bezoekers. Op de vloer voor iedereen een zitkussen. Via e-mail melden zich al 28 belangstellenden, waaronder een Finse, die er helemaal voor uit Tokyo overkomt.

Zondag 19 mei. Alsof Seiji de goden heeft verzocht regent het. ‘Geen probleem’, stelt hij mij nogmaals gerust. Hij en zijn assistent verwijderen alle delen van de glazen voorpui, zodat het publiek direct en over de volle breedte zicht heeft op het voorterrein. Het ruim overstekende dak beschermt tegen inregenen.

Rond half zes melden zich de eerste bezoekers. Dan blijkt regen wèl een probleem: het provisorisch parkeerterrein is doorweekt en auto’s blijven in de blubber steken. Onze attente buurvrouw dirigeert meteen alle auto’s naar haar eigen – verharde – terrein. Als een geroutineerde verkeersregelaar propt ze een tiental auto’s in de smalle strook voor haar huis. De rest parkeert langs de openbare weg.

Als het geluid van de dorpssirene is verstomd komt Seiji als een schim uit het niets opdagen. Zó traag dat het lijkt alsof hij zelf niet beweegt maar langzaam aan een onzichtbare lier richting publiek wordt getrokken. Helemaal wit geschminkt, strohoed op zijn hoofd. Hij duwt een kruiwagen met stenen voor zich uit. Het is muisstil.

Hij stopt ter hoogte van de tuin, verwijld in zijn eigen wereld. Minuten lang. Tot zijn ogen die van het publiek kruisen. Met de kijkers continue in het vizier gaat hij op hen af. Tot heel dichtbij, raakt iemand op de voorste rij aan, alsof hij met dit gebaar voor de rest van de performance het publiek aan zich bindt. Dan klinkt een vrij populair liedje5 uit de luidsprekers, begin van een gedramatiseerde vertelling in ‘butoh– taal’. Trage lichaamsbewegingen, die soms ‘bevriezen’ in de houding van een gekweld figuur met ‘verwrongen’ ledematen. Het hele terrein is zijn speelveld, tussen struiken, op stenen, in het zand. Soms rijkt hij naar de hemel dan weer laat hij zich vallen op de grond. 

Foto: Gen Kasuga
Foto: Gen Kasuga

Opeens een onverwachte wending in de trage vloeiende bewegingen: hij grijpt de kruiwagen, rent ermee weg richting een berg brandhout, gooit de eenwieler opzij en stort zich op een partij golfplaten. Als een waanzinnige gaat hij tekeer en schreeuwt. Dan beklimt hij de houtstapel en gooit woest met houtblokken. Ontdaan van z’n jack en hoed toont het witte lijf de sporen van zijn agressieve optreden tot bloedens toe. Sint Sebastiaan, maar dan zonder pijlen. 


Op deze ruige ontlading volgt tenslotte een haast ‘klassieke dans’ op muziek van een van Bachs cellosuites. Het voelt als een verademing. De performer zelf lijkt ‘herboren’. Ontspannen en dankbaar wendt hij zich tot zijn toeschouwers met een diepe, diepe buiging. Hem wacht een lang en warm applaus.

Foto: Gen Kasuga
Foto: Gen Kasuga

Delen wij het enthousiasme van het publiek? Het antwoord: ‘Ja’! Seiji’s optreden was overtuigend door zijn uiterst gecontroleerde, maar toch natuurlijke bewegingen en zijn compromisloze overgave aan het spel. Van begin tot eind wist hij een spanningsvolle aandacht vast te houden. Een verhaallijn heb ik in het visuele spektakel niet kunnen ontdekken. Wat heet, in wezen draait het bij butoh enkel om ‘leven en dood’.

Foto: Reiko Gōtsubo

Mijn butoh-weerzin overwonnen?  Voor wat Seiji Tanaka’s uitvoering betreft zeker wel. 

Twee dagen na zijn performance in Arayashiki vertrekt hij voor ’n Europese tour met optredens in Brussel en Düsseldorf, waar butoh een eigen plaats heeft verworven tussen modern danstheater en klassiek ballet. 

1. Opgeknapt huis dat dienst doet als cultureel centrum en gastenverblijf.
   zie iroha blog ‘ARAYASHIKI’ dd 20 september 2022.
2. Voor de geschiedenis en een inleiding op butoh dans zie (engelstalige site): 
    
https://japanobjects.com/features/butoh   

3. Zie (Japans/Engels/Duits) website: http://web1.kcn.jp/seijitanaka/index.html  
   Hier vind je enkele links naar video- films met Seiji’s optredens.

4. Zeven dagen per week loeit de dorpssirene om 6, 9, 12, 15 en 18.00 uur gedurende
   10 seconden; Arayashiki bevindt zich op zo’n 200 meter er vandaan.
5. Herkenningsmelodie van een decennialang razend populaire Japanse dramaserie op
   tv rondom Torasan, een maatschappelijk randfiguur. Hele generaties zijn er mee
   vertrouwd.

 

 

 

 

 

NACHTELIJK RITUEEL

We eten een geprint lettertje, gepulkt uit een A4tje. Slikken het in alsof het een voedingssupplement is. De minuscule snack dient als opmaat voor een groots nachtelijk ritueel dat ons ’s-avonds te wachten staat in een van de gebouwen van het beroemde Todaiji-complex in Nara. 

Wij zijn ervoor uitgenodigd door Machiko-san1. Zij en haar man brengen ons de speciale toegangsbewijzen, leggen uit wat te doen en vooral wat te laten en welke voorzorgsmaatregelen te nemen in verband met de lange duur en de kou. Twee pagina’s plattegronden en voorschriften vatten alles nog eens samen. 

De unieke kans om deze jaarlijkse ceremonie2 van nabij mee te maken danken we aan de vooraanstaande positie van wijlen Kōsai Moriya, Machiko-san d’r vader, van mei 1996 tot april 1999 abt van de Todaiji tempel . 

Na haar instructies ontvouwt zij de letter-mandala voor ons op tafel. Een A4tje met ‘aangevreten’ cirkel waarin straalsgewijs karakters zijn geschreven, archaïsche tekens uit het Sanskriet en Chinees. Oorspronkelijk geschreven door Machiko-san d’r vader. Elke dag slikt er één in.

’n Lettertje innemen of een uitgebreide nachtelijke ceremonie: rituelen moet je niet willen begrijpen, maar simpelweg ondergaan. Met zo’n instelling gaan we naar de Todaiji tempel. 

Onze vriend Okaze-san, eveneens uitgenodigd, haalt ons op. Het is al donker. Als we te voet het ceremoniële gebouw – de ‘Nigatsudo’ – naderen sluiten we aan bij een lange en brede rij wachtenden. Een leger aan ordebewakers en politiemensen begeleidt de gedweeë massa. Terwijl we ‘in de wacht staan’ zien we op afstand al de eerste fakkeldrager de trap van het gebouw bestijgen. Er volgen er nog tien. Van links naar rechts laten ze één voor één hun vonkende vuurkorf aan lange stelen over de balustrade rollen. In blokken schuiven we gestaag richting het schouwspel, maar als we arriveren is de laatste fakkeldrager al gepasseerd. Voor de meeste mensen teleurstellend, voor ons niet zo. Wij komen voor het ritueel dat binnen op het punt staat zich te voltrekken. 

Bij de ingang worden mannen en vrouwen discriminerend gescheiden: heren naar de binnenruimte, dames naar de gang erom heen, daartussen houten hekken. Ik zie geen hand voor ogen. Brandende olielampjes en kaarsen leggen het af tegen de massieve duisternis. Min of meer op de tast zoeken Okaze-san en ik zitruimte op de vloer die al goeddeels bezet lijkt. Voor een lotus-zit niet bekwaam, probeer ik ruggesteun bij de scheidingswand te vinden. Stapel daar m’n meegebrachte kussentjes. Geritsel van kleding, plastic draagtassen en ritssluitingen doet vermoeden dat we lang niet de enigen zijn. In afwachting van wat er staat te gebeuren wennen m’n ogen langzaam aan het duister en ontwaar ik iets van de ruimte. Het rituele ‘speelveld’, waaromheen wij zitten, bestaat uit twee delen: een min of meer gesloten binnenruimte – het ‘heilige der heilige’ – en een open ruimte ervoor. Een halftransparant gordijn scheidt de twee. Met de plattegrond voor de geest besluit ik te verhuizen naar de overkant om beter zicht te hebben op de open ruimte en een glimp op te vangen van de verrichtingen achter het gordijn.

Het is strikt verboden om geluid en licht, laat staan foto’s te maken. Als ik toch ‘stiekem’ op m’n mobieltje kijk om te zien hoe laat het is komt me dat onmiddellijk op een reprimande van de orde-dienst te staan. Weet dan wel dat het pas 20.30 uur is. 

Nog minimaal zeven uur te gaan, terwijl er nauwelijks iets gebeurt en geen monnik is te bekennen. Wel hun stemgeluid dat al geruime tijd vanuit de sacrale binnenruimte klinkt. Ze reciteren soetra’s, soms solo, dan weer in koor of beurtelings tussen voorzanger en de rest. Rinkelende bellen, geritsel van kralensnoeren of het snerpende oergeluid, dat al blazend uit reusachtige zeeschelpen wordt geperst,  doorbreken de eentonigheid bij tijd en wijle. Allemaal nog vrij rustig, bijna op het slaapverwekkende af.   

Maar dan komen de onzichtbare monniken onverwacht in beweging en worden we opgeschrikt door het kabaal van klompen waarmee ze over het plankier van het ‘heilige der heilige’ klossen. Afgaande op het geluid lopen ze rondjes rond een centraal punt. Eenmaal tot stilstand gekomen ontstaat een indrukwekkend samenspel van stemmen en klompen gestamp, de ene keer ritmisch, dan weer willekeurig, soms zacht roffelend dan weer aanzwellend tot onheilspellend gedonder. Fascinerend. Ben er weer helemaal bij.

Een van de monniken komt vanachter het gordijn tevoorschijn en loopt naar het midden van de lege voorruimte. Daar bevindt zich iets dat zich het beste laat omschrijven als een ‘duikplank’. Aan de zijkant verankerd, zweeft het uiteinde twee meter verderop zo’n 10 centimeter boven de vloer. Waar een duiker zich zou afzetten voor de sprong liggen een deken en twee kussentjes. De monnik staat ernaast met zijn gezicht naar de plank – in opperste concentratie. Langzaam tilt hij zijn rechterbeen op, zoals sumo worstelaars voor aanvang van een duel. Vanuit zijn linkerbeen springt hij met alle kracht omhoog terwijl hij zijn lichaam ’n kwartslag draait om zich vervolgens zo hard mogelijk op de plank te laten vallen. De smak waarmee de plank keihard tegen de vloer knalt brengt een collectieve schrikreactie teweeg. De monnik staat op, schikt de kussentjes en verdwijnt met dezelfde waardigheid achter het gordijn als waarmee hij kwam. Vele uren later zullen zijn kompanen één voor één dezelfde exercitie volvoeren. 

De ‘duik op de plank’ komt aan als een dreun tegen m’n hoofd: ben voor de rest van de nacht wakker genoeg om in verwondering en geboeid de ceremoniële gebeurtenissen te volgen.

Het moet rond middernacht zijn dat een ceremonie-pauze wordt ingelast. Zang en gerinkel stoppen en alle monniken komen van achter het gordijn tevoorschijn. Ik tel elf kale koppen. Ze wisselen hun klompen voor stro-slippers en verlaten de tempel. Een tiental priesters die een ereplaats innemen langs de open ruimte aan de overkant van het gordijn volgen hen. Onderwijl worden allerlei voorbereidingen getroffen voor het vervolg, er wordt geveegd, olielampjes bijgevuld en kaarsen vervangen. Een aantal gasten verdwijnt, sommige wisselen van plaats, zoals ik zelf. Blij m’n benen even te kunnen strekken. Okaze-san heeft me weten te vinden en meldt in gebarentaal dat hij het voor gezien houdt. Wat ik dan nog niet weet, maar wel vermoed, is dat het ook voor Hiroe genoeg is. Hij brengt haar thuis.

De monniken komen terug en verdwijnen weer in het ‘heilige der heilige’. Er verschijnt een twaalfde monnik, in het wit gekleed en met bijzondere decoraties. Hij geeft het startsein voor het vervolg door op een enorme tempelbel, die ergens boven in de ruimte hangt, te beuken. Dan begint inderdaad weer een reeks ceremonies, permanent begeleid door zang, gerinkel, geblaas en gestamp van klompen.

De verrichtingen volgen elkaar zo snel op dat ik ze hier onmogelijk kan reproduceren, beperk me dus tot enkele memorabele momenten.

Zoals het moment dat de ‘witte monnik’ het gordijn beetpakt en het als een enorme bruidssluier de vrije ruimte intrekt. Het voorhangsel blijkt namelijk drie keer langer dan tot nu toe zichtbaar. Sierlijk en gezwind – als een geoefende performer – draait hij de vele meters stof behendig tot een wrong tot vlak onder de roede. Twee assistenten bergen het aldus gedraaide gordijn aan de rechterzijde op. 

Dan verschijnt een monnik met een enorme brandende toorts, die hij – staand op de drempel van de binnenruimte – pardoes, maar gecontroleerd de vrije ruimte in laat vallen. Vonken en brandend hout spatten alle kanten uit, maar worden snel door assistenten bij elkaar geveegd en in een bak water gegooid. Aansluitend rennen de monniken met elk een brandende toorts rond de binnenschrijn. Telkens wanneer een van hen de opening naar de vrije ruimte passeert slaat hij z’n fakkel tegen de vloer. Ze volgen elkaar zo snel op dat de veegploeg het rondspattende vuur nauwelijks bij gebezemd krijgt. Even lijkt het ‘heilige der heilige’ het podium voor een spectaculaire show van zingende, op klompen rennende en vuur spattende monniken.

Als de laatste vonken zijn gedoofd en de looppas-parade voorbij is wordt het gordijn ontrold om het ‘heilige der heilige’ weer aan het zicht te onttrekken. 

Het moet al diep in de nacht zijn als de monniken weer voor een onderbreking verdwijnen. Ook veel gasten aan de overkant gaan naar buiten. Een assistent opent – vlak bij de plaats waar ik zit – een dubbele deur. Kou doordringt alle lagen kleding die ik  aanheb. 

Na terugkeer van de monniken worden zes paar van hun slippers verhuisd tot voor de geopende deur aan mijn kant. Even later vertrekken even zoveel monniken. De voorganger z’n hoofd is bedekt met soort capuchon en in z’n handen houdt hij een kom waaruit een steel steekt, de vijf anderen dragen een lange stok met aan het boveneind een tros belletjes.  
Buiten wacht een groep toortsdragers die de processie begeleidt. Dat weet ik dankzij foto’s, die (vrijwilligster) Miki-chan daar maakt en die haar ‘reportage’ graag met mij deelt. Zij is verzot op dit soort ceremoniële evenementen en volgt meerdere dagen en nachten de open lucht gebeurtenissen rond de ‘Nigatsu-do’.

 

Even gebeurt er niets. Dan hoor ik onmiskenbaar Shintoistische rituele muziek: hoge langgerekte fluittonen, soms een doffe dreun op de trom. Mannen in witte tunica’s en met zwartgelakte hoofddeksels komen binnen, direct herkenbaar als Shintoïstische functionarissen. Ze begeleiden drie andere mannen die ieder een juk op de schouder dragen. Aan de uiteinden van hun draagstok een met groene takken versierd vat met water, dat uit een heilige bron in de buurt van de tempel komt. 

                                                                                                                                                           Via de zijgang vinden uitwisselingen met de binnenschrijn plaats, maar die vallen buiten mijn blikveld. Na de derde ‘uitwisseling’ verdwijnt de Shinto clerus en voegen de zes monniken zich weer bij hun achterblijvers. De buitendeur gaat weer dicht.

Buitengewoon boeiend om mee te maken hoe de (oorspronkelijk Japanse) godencultus – later ‘Shinto’ gedoopt – en het (uit China geïmporteerde) Boeddhisme hier in een gedeelde ceremonie samenkomen.

Tegen vijf uur in de ochtend verlaat ik de tempel. Verkleumd van de kou, maar met een warm gemoed, klaar wakker en barstensvol indrukken. Matchiko-san en haar man brengen me weer thuis. Dank haar nogmaals voor deze unieke gelegenheid.

1.Machiko-san is de dochter van wijlen de Boeddhistische priester Kōsai Moriya. Hij was van mei 1996 tot april 1999 abt van de Todaiji-tempel in Nara. We ontmoeten Machiko-san geregeld en zij is af en toe vrijwilligster bij onze activiteiten.

2.Shuni-e heet de twee weken durende Boeddhistische ceremonie, die ononderbroken jaarlijks sinds het jaar 752 plaatsvindt in een van de historische gebouwen (de Nigatsudo) van de Todaiji-tempel.
  Zie voor een beknopte engelstalige beschrijving:  https://www.todaiji.or.jp/en/annual/event/shunie/

 

 

A-O-B-B : VOEDSELBOS 5


Zeg ‘voedselbos’ en een hof van Eden popt op voor je geest. Ging het maar zo snel als in het scheppingsverhaal. Sinds oktober 2020 proberen we van verwaarloosde rijstvelden een voedselbos te maken1. Veel lezen, surfen op het www en het oor te luisteren leggen bij ervaringsdeskundigen. Maar het zijn vooral eigen praktijkervaring en de natuur zelf die ons een lesje leren: aandachtig kijken en heel veel geduld hebben.
De terrasgewijze perceeltjes waren vroeger een soort waterbasins voor rijstteelt. Het terrein is van drie kanten omgeven door hellingen waarvan al het regen- en grondwater richting ‘onze valei’ stroomt. Een zompige boel dus, terwijl een voedselbos over het algemeen niet van ‘natte voeten’ houdt. Afwatering en grondverbetering zijn dan ook de voornaamste werkzaamheden tot nu toe geweest. Deels handmatig door zich in het zweet werkende vrijwilligers, deels machinaal door een professioneel grondverzet-bedrijf. 

Ambtenaren

Afgelopen maanden de laatste terreinklussen: verbetering van aangelegde vijvers en greppels en het verwijderen van nutteloze betonnen goten. Dat laatste mag gezien worden als een ‘diplomatiek huzarenstukje’ van Hiroe. 

In het kort: Op twee plaatsen doorsnijden betonnen goten het terrein, ooit in opdracht van de gemeente aangelegd om regenwater van de verharde omgeving af te voeren. Maar door verzakking functioneren ze niet meer. Wij zien ze liever vervangen door gegraven greppels. Dus weg ermee. Op een verzoek daartoe – al vroeg in het voorjaar – door grondverwerker Miyaji-san reageert de gemeente niet. Dan waagt Hiroe zich in de bureaucratische jungle en weet na ettelijke telefoontjes een viertal ambtenaren naar ons terrein te lokken. Anderhalf uur drentelt het kwartet over het terrein en tuurt eindeloos en met zorgelijke blikken naar het nutteloze beton. Hoofd van het viertal oppert dat er geen bestektekening of kaart van de situatie voorhanden is. Aan alles is te merken dat deze ‘baas’ geen verantwoordelijkheid wil nemen en liever besluiteloos de toestand laat voortbestaan. Een veel voorkomend verschijnsel in Japan. Dan suggereert een van zijn ondergeschikten dat die kaart wellicht in de vorm van een microfiche in het archief zit en Hiroe speelt haar laatste troef: binnen twee weken komt een universitair team grond-onderzoek doen. Voor hun eerste meting moet het terrein in orde zijn. Beide argumenten helpen de baas kennelijk tot een besluit. Hij stemt in met ons verzoek op voorwaarde dat de voorzitter van de dorpsvereniging akkoord is en dit met zijn stempel op een officieel papier bevestigt. O.k., niet gedraald. Snel achterhaalt Hiroe de naam van de voorzitter (we zijn geen lid van de dorpsvereniging) en laat de baas hem ter plekke bellen. De volgende ochtend om 9.00 uur wordt de zaak met stempel en al aan onze keukentafel beklonken. 
Miyaji-san, ook aanwezig bij de ambtelijke excursie, krijgt de opdracht het beton te verwijderen. Hij is met stomheid geslagen over Hiroe d’r voortvarendheid en ‘handigheid’.  Wat hem als ondernemer niet lukte, speelt particulier Hiroe in no-time voor elkaar. Hij bejegent haar sindsdien met diep ontzag.

Onderzoekers

Dat universitair onderzoek is geen verzinsel. Afgelopen zomer meldden zich twee onderzoeksteams. Niet uit zichzelf noch op ons verzoek, maar via introductie zoals vrijwel alle relaties in Japan tot stand komen. In dit geval danken we het contact aan geologe en kunstenaar Miho. Een jaar geleden werkte zij hier als artist-in-residence en exposeerde in Arayashiki 2 . Zelf onderzoeker weet ze de weg in de universitaire wereld. Enthousiast over ons project introduceert zij ons bij een team van Yamanashi University, dat ons weer via Research Insitute for Humanity and Nature 3 in contact brengt met collega’s van Kyoto Prefectural University.

Het team uit Yamanashi onderzoekt het oppervlakte water. Dat uit Kyoto neemt de bodem onder de loep. De Yamanashi-club heeft inmiddels enkele keren watermonsters genomen zowel uit onze (oude) waterputten als uit stroompjes en waterlopen in de omgeving. Na testen ter plekke volgen laboratorium analyses. En dat bij herhaling gedurende minimaal een jaar.
Uiteindelijk moet hun onderzoek leiden tot (advies over) huishoudelijk gebruik van het put-water, tot aanleg van een eigen – natuurlijke – afvalwaterzuivering en hergebruik van het gezuiverde water. Allemaal in het kader van onze duurzaamheidsplannen.

De Kyoto-club verzamelt gedurende meerdere jaren gegevens over bodemsamen-stelling en -kwaliteit en de verandering ervan gedurende de ontwikkeling van het voedselbos. Voor ons belangrijk, maar ook voor hen. De hier opgedane kennis en ervaring willen ze in de toekomst inzetten voor andere situaties waarin lang verwaarloosde rijstvelden veranderd worden in een voedselbos of andere vorm van ecologische landbouw met een mix van gewassen. 

Alsof veldwerk dit vereist kamperen studenten en hun begeleiders het liefst in onze tuin. Zes tot acht éénpersoons-tentjes, hutjemutje op ‘n paar vierkante meter onder de Blauweregen (Wisteria). Voor maaltijden, overleg en douche komen ze binnen. Bij hondenweer en winterse kou rollen ze hun slaapzak uit over de tatami in huis of in het gastenverblijf. Druk? Dat wel, maar ook plezierig. Met de teamleiders valt goed in het Engels te communiceren. Studenten wagen zich er minder aan uit angst te blunderen.
Ze gaan informeel met elkaar om zonder de hiërarchie uit het oog te verliezen: professor – docent – master student – student. In die volgorde wordt opgeschept en het woord gevoerd. In eerste instantie althans want gaandeweg verandert dit – zeker onder invloed van alcohol bij maaltijden – in een vrolijke anarchie.

In een zekere wanorde lijken Japanners overigens te gedijen. Tegen de afspraak in arriveert het zevenkoppige Yamanshi-team daags vóór in plaats van aan het einde van een vrijwilligers-werkdag. Even paniek in de keuken: opeens een onvoorzien avondmaal op zaterdag en meer dan het dubbele aantal mensen voor de lunch op zondag. Met de nodige improvisatie van onze kant, inschikkelijkheid en helpende handen van de gasten komt alles op z’n pootjes terecht. 
Na een korte nacht gaat het team voor dag en dauw op pad om watermonsters in de omgeving te nemen, zodat hun werk nog voor het ontbijt is gedaan. Zich schuldig voelend over zijn vergissing wil de teamleider het veroorzaakte ongemak compenseren door de hele Yamanashi-club die zondagochtend mee te laten werken.

Rond negen uur druppelen de vrijwilligers binnen, verrast door de aanwezige onderzoekers. Na het gebruikelijk rondje waarin iedereen zichzelf voorstelt gaan onderzoekers en vrijwilligers gezamenlijk aan het werk. 
De enorme berg bamboe, die we in de loop van het jaar uit het bosje rond Arayashiki hebben gezaagd ruimen we op door er houtskool van te maken. Houtskool, dat weer ingezet wordt voor grondverbetering van het voedselbos. De groep splitst zich in drieën om elk een compacte brandstapel te maken. In hoog tempo gaan de in stukken gezaagde bamboe het vuur in. Berghellingen rondom weerkaatsten het geknal van exploderende bamboeholtes. De dorpsagent komt even polshoogte nemen.
Studenten hebben er plezier in en gedragen zich als kwajongens/-meisjes die fikkie stoken en vuurwerk afsteken. Alles gaat in razend tempo en tegen lunchtijd is de bamboeberg voor ruim de helft geslonken. Na de gezamenlijke maaltijd vertrekt het onderzoeksteam en maken vrijwilligers het werk af. Zonder de extra handen van het Yamanashi team was dit nooit gelukt. Wat zaterdagavond chaotisch begon eindigt zondagmiddag met een fantastisch resultaat.   

Twee weken later nemen studenten en begeleiders van Kyoto Universiteit bijna honderd grondmonsters om in het laboratorium te onderzoeken op chemische samenstelling, zuurtegraad en organisch stofgehalte. Ze gaan zorgvuldig en systematisch te werk. Eén van de studenten wil bovendien de samenstelling en eigenschappen van bamboe-houtskool analyseren en ermee experimenteren.

Ook nu weer verlopen de maaltijden in ontspannen sfeer. De vier ‘generatie Z’ – studenten 4 vertellen over de moeizame start van hun universitaire opleiding wegens corona-maatregelen: 2,5 jaar sociaal isolement en gebrekkig onderwijs op afstand. Die ‘valse start’ heeft hen diep geraakt en lijkt nog steeds op hen te drukken.

Burgemeester

Tussen beide onderzoeken komt de burgemeester van Nara met vier ambtenaren plus vier gasten op bezoek. Informeel en op eigen initiatief. Mensen uit zijn omgeving die onze activiteiten waarderen hebben hem ertoe aangespoord. Hij neemt de tijd en laat zich uitvoerig informeren over onze bezigheden. De ambtenaren – in zwart kostuum, glimmende schoenen, badge om hun nek en notitieblokje op schoot – lijken er slechts bij voor de entourage. Hiroe vertelt ons verhaal over duurzaamheid en voedselbos met behulp van de powerpoint-presentatie die we eerder dit jaar voor de volksuniversiteit maakten. Serieuze vragen en oprechte interesse van de burgervader, ook al houdt hij voortdurend zijn smartphone in de gaten. We spreken verder over problemen van het vergrijzend platteland en leegloop van ons dorp. Tijdens de wandeling over het terrein laat hij zich met ons in de tuin fotograferen onder een vuurrood gekleurde esdoorn. 

Bomen

Zo groeit de belangstelling voor ons voedselbos sneller dan het aantal bomen.  Maar de aanplant laat niet lang meer op zich wachten. Aanvankelijk zochten we bomen bij een kweker in de buurt. Veel ‘pionier-soorten’ 5 zijn echter niet in de handel omdat ze overal in de vrije natuur staan. We verleggen daarom onze speurtocht voorlopig richting de bossen in onze directe omgeving. Op 25 december gaan we hier met enkele vrijwilligers en onder leiding van een ervaren houtvester ‘op jacht’ naar jonge boompjes die geschikt zijn voor ons voedselbos. We leggen eerst een hoge en een iets lagere windkering aan aan de Westkant. Vervolgens planten we pionier-bomen verspreid over het terrein. En dan maar afwachten, kijken of het plantgoed aanslaat, gedijt en -ondanks de bescherming – niet door loslopend wild wordt opgegeten. Het is per slot van rekening een voedselbos…….

 1. Zie IROHA-blog archief: 1 en 28 nov. 2020, 19 mrt 2021, 29 nov. 202.
 2. Zie IROHA-blog archief:  ‘Arayashiki’ dd 22 sept. ’22 en ‘Zawa Zawa’ dd 1 dec. 2022.
 3. Het Research Institute for Humanity and Nature, een inter-universitair
    samenwerkingsorganisatie, vervult een coördinerende rol.
 4. Geboren na 2000.
 5. Bomen en struiken, die snel groeien, de grond verbeteren en voor schaduw zorgen;
    ze worden later vervangen door ‘productie-bomen’.

 

BAD EN BOEDDHA

Japan staat vol Shintoïstische heiligdommen en Boeddhistische tempels. Schitterende bouwwerken, opgetrokken in groene oases, prachtige parken, omgeven door monumentale bomen of adembenemende bergpanorama’s. De meesten kennen een eeuwenoude geschiedenis en vele prijken op UNESCO of nationale erfgoedlijsten. Kyoto is er beroemd om, maar Nara telt de meeste.

We maken een uitstapje in onze omgeving. Geen beter middel om te ontspannen dan het bezoek aan een onsen, een warm bronwater-bad. Op aanbeveling kiezen we voor Miharuen-onsen in Haibara op slechts drie kwartier rijden van ons huis. We besluiten er tevens te overnachten. Tijd en gelegenheid genoeg om op ons gemak ook de nabij gelegen Hasedera-tempel te bezichtigen. Hitte en hoge luchtvochtigheid dwingen ons sowieso om het kalm aan te doen. 

De Hasedera-tempel 1, gesticht in 686, bestaat uit een complex van grote en kleine gebouwen opgetrokken in de knik van een rijk begroeide berghelling. Een plattegrond van het complex wijst ons de weg en geeft toelichting bij bezienswaardigheden. We passeren een enorme poort, meditatiehallen, een vijf verdiepingen tellende pagode, tempels ter nagedachtenis van invloedrijke figuren uit het Boeddhistisch verleden, zoals Kōbō-Daishi 2. Oude fundamenten dragen vaak gebouwen van latere datum. Branden, tyfoons en aardbevingen noopten tot kopieën van wat er oorspronkelijk stond. Hier en daar in het groen begraafplaatsen met hele rijen eeuwenoude stenen, dicht opeen gepakt. Soms is er nog iets van ’n gezicht of een inscriptie herkenbaar. Op afstand van het gewone volk de praalgraven voor prelaten. 

Een tweeledig hoofdgebouw domineert het hoogste punt. Een enorm ‘balkon’ aan de voorzijde biedt uitzicht over de valei. Terwijl we door de corridor slenteren die het bouwwerk in tweeën deelt passeert ons telkens dezelfde jonge vrouw. Stevige tred en  blik op oneindig. In het midden van de corridor onderbreekt ze haar gang om te buigen voor het 10 meter hoge beeld van de god Kannon 3. Ze moet wel om een serieuze gunst vragen want inwilliging ervan vergt tenminste 100 rondjes en evenzovele buigingen.

We liepen de aangegeven route in tegengestelde richting omhoog via een langaam stijgend wandelpad. Geen slechte keuze blijkt wanneer we op het punt staan de 400 treden tellende overdekte trap naar beneden te nemen. Totaal uitgeputte bezoekers hijsen er zich omhoog. Niet dat wij uitgerust aan de afdaling beginnen, maar onze gestage klim vergde minder inspanning dan de recht-toe-rechtaan opgang via de trap.

Aankomst bij de enkele kilometers verderop gelegen onsen is een ferme ontnuchtering. Nog onder de indruk van de cultuurhistorische en serene tempelsfeer staan we plots voor een nietszeggende grijs-grauwe betonkolos. In één oogopslag is duidelijk dat dit oord zijn beste tijd heeft gehad. Toen het Japan in de jaren ’70-’80 economisch voor de wind ging was het waarschijnlijk een luxe wellness center. Daarna borrelde het bronwater nog wel omhoog, maar is de kwaliteit van entourage en service drastisch gedaald. Om de ‘stemming erin te houden’ zijn alle publieksruimten gedecoreerd met goedkope, kleurrijke lampionnetjes en parasolletjes. 

 Het is er wel schoon en de receptionist vriendelijk. Hij biedt ons een zakje nootjes aan terwijl hij voor het ‘welkomstdrankje’ naar de self-service hoek in de lobby verwijst. Niets mis met eenvoud, maar wel met dure aan poverheid grenzende gastvrijheid.
Onze kamer is prima. Ook hier bewijzen ‘renovaties’ dat het hotel zijn sterren heeft verloren. De soberheid en het schone beddengoed stellen ons niettemin dik tevreden. Per slot van rekening komen we voor de kwaliteit van het bronwater en die is uitstekend. Vóór het avondmaal maken we er uitgebreid gebruik van. Het is er niet druk zodat we  – Hiroe in de dames-, ik in de herenafdeling  – het ruime bad nagenoeg voor ons alleen hebben. Lekker tot je kin in het warme bronwater: heerlijk ontspannend, een weldaad voor de getergde spieren en gevoelige huid. Het baden doet de hotel-entourage op slag vergeten. 

Liggend op de tatami met mijn hoofd op een met gedroogde sojabonen gevuld kussen waan ik me in een kloostercel in plaats van hotelkamer. Even maar. De hoeveelheid sake die we bij het avondeten nuttigden verschaft me snel het comfort van een diepe slaap.

We worden beiden wakker met spierpijn in de kuiten. Klim en afdaling in het Hasedera complex en onze ondermaatse conditie eisen hun tol. In combinatie met het spartaanse bed voel ik me lichtelijk gebroken. Geen nood. Met het warme bronwater een verdieping lager hebben we de therapie bij de hand. En zo liggen we vóór het ontbijt al weer ontspannen in het alkalische water.

We checken een uur later uit dan de bedoeling en rijden relaxed huiswaarts om de dag verder in luiheid door te brengen. Dat wil zeggen tot het einde van de middag, want om zes uur melden we ons bij de Renjo—ji tempel 4 in Nara voor het bijwonen van een lezing.

De tempel, waarvan we beheerster Keiko-san kennen, organiseert geregeld ‘salons’ met voordrachten en concerten. Vrijwilligers, waaronder een tweetal die ook voor ons voedselbos actief zijn, verrichten hand- en spandiensten. Er staat apparatuur opgesteld om de lezing digitaal op afstand te kunnen volgen. 

Tegen half zeven is de ruimte gevuld met zo’n 60 toehoorders. Dankzij onze vroege binnenkomst hebben we een comfortabele stoel bij de opengeschoven deuren naar de binnentuin. Met het invallen van de duisternis koelt het aangenaam af. 

De lezing gaat over monnik Kōbo-daishi oftewel Kukai 5, die we gisteren in het Hasedera-complex al tegenkwamen en wiens geboorte – dit jaar 1250 jaar geleden -wordt herdacht. Spreker is een Obōsan (Boeddhistisch priester) en belangrijk figuur in de beroemde Todai-ji tempel van Nara. Een lange, tengere man van in de zestig die zich behendig, al buigend en glimlachend een weg baant tussen het publiek richting sprekersplaats. Even later verdwijnt hij in een duistere gang naar het hoofdgebouw voor een gebruikelijke ceremonie.

Dan worden alléén Hiroe en ik opeens door Keiko-san ontboden om de priester te volgen naar het sacrale deel van de tempel. In het halfdonker zet de Obōsan zich in lotushouding voor het ‘hoofdaltaar’. Alsof Keiko-san het ritueel was vergeten opent ze gehaast de deuren voor de drie aanwezige Boeddhabeelden terwijl de priester een gong laat galmen en soetra’s 6 begint te reciteren. Hij doet dit met zo’n krachtige en diepe bas-stem dat ik mijn hele lijf mee voel trillen. Deze onverwachte, korte gebeurtenis, maar vooral zijn overrompelende stem bezorgt me een ongewone wakkerheid. Een alertheid ook die me even later geboeid naar zijn verhaal over Kōbo-daishi doet luisteren. Van zijn woorden begrijp ik niets, maar zijn manier van spreken, gelaatsexpressie en gebaren hebben zo’n zeggingskracht, dat ik van de eerste tot en met de laatste minuut geboeid zit te kijken en te luisteren.

Tegen het einde en allang over de toegemeten spreektijd haalt hij een boek tevoorschijn, waaruit hij met diezelfde diepe vibrerende stem gaat reciteren. Je kunt een spelt horen vallen. Overal in het publiek gaan smartphones omhoog om deze performance op video vast te leggen.

Na het vragenrondje wordt de ruimte in een mum van tijd ‘omgebouwd’ tot refter. Iedereen ontvangt een obento 7 en nuttigt die zonder een gemeenschappelijke begin van de maaltijd af te wachten. Keiko-san draaft rond met ‘n theepot, schenkt sake in en deelt blikjes bier uit. Tussen de bediening door ploft ze af en toe in de stoel naast mij, maar aan een hap of praatje komt ze amper toe. Ze springt voortdurend op om de gasten bij te schenken.

Ondertussen wordt er ook genetwerkt, zoeken bekenden elkaar op en vormt zich een rijtje mensen die de Obōsan allemaal even willen spreken. Ik sluit me er niet bij aan, hoewel ik hem – bij wijze van compliment – deelgenoot wil maken van mijn ervaring.

Pas op weg naar de uitgang spreek ik hem aan en probeer met alles wat ik aan Japans in huis heb duidelijk te maken hoezeer ik van zijn voordracht onder de indruk was. Niet zozeer door zijn woorden, maar dankzij zijn stem en fysieke expressie: ’kokoro kara’ (uit de grond van zijn hart). Met een beminnelijke glimlach en diepe buiging neemt hij de complimenten in ontvangst en vertrekt.

Twee ontspannen dagen dankzij onderdompeling in het warme onsen-bad en in de historische bronnen van het Japans Boeddhisme. Even korte als intense ervaringen, en dat – bij wijze van spreken – om de hoek.

1.Hasedera tempel maakt deel uit van een pelgrimsroute langs 33 tempels, zie:https://jh-saikoku33.jp/en/
2.Kobo-Daishi oftewel Kukai (774 – 835) is een invloedrijke Boeddhistische monnik, 
  stichter van de Shingon sekte, waarvan het hoofdkwartier is gevestigd op de heilige
  berg Koya. Hij vervulde tevens een belangrijke functie in de Todai-ji tempel in Nara,
  destijds het Boeddhistische centrum van Japan.
3.Het beeld stamt uit het midden van de 16e eeuw. Kannon worden speciale
  eigenschappen toegeschreven zoals het buitengewoon mededogen met iedereen die
  om een gunst vraagt.
4.Boeddhistische tempel. Zie voetnoot 1. van blogbijdrage ‘Kinderen’ dd 2 augustus ’23.
5.Zie ook: blogbijdrage  ‘Een berg heiligheid 1’, dd 25 november 2019.
6.Soetra’s bestaan uit toespraken van en verhalen over Gautama Boeddha en zijn leerlingen.
7.Een doos waarvan het interieur in vakjes is verdeeld voor rijst en verschillende kleine gerechten. Obento’s zijn            complete maaltijden voor elk moment van de dag. Erg populair en overal te koop, vooral in supermarkten, kombini (gemakswinkels), op stations en in treinen.

 

SHIRAI-SAN

In het naburige dorp Oyagyu is de houthandel van Shirai-san gevestigd. Niks bijzonders zou je zeggen, houthandels vind je hier overal. Hout is het van oudsher meest gebruikte bouwmateriaal in Japan. 

Shirai-san (74) lijkt me een intrigerend figuur. Misschien omdat zijn gezicht doorgaans in de schaduw blijft van zijn cap en licht voorover gebogen gestalte. Uit zijn ingevallen mond klinken maar weinig en altijd kortaffe woorden. Aankijken doet hij je ook amper en als dat wel het geval is kijk je in een paar mistige brillenglazen. De aanblik van zijn eenmanszaak maakt me al even nieuwsgierig als de baas zelf.

We bezoeken de houthandel voor het eerst in maart 2021. Dit op aandringen van Ryō-kun, een vriend van ons en vaste klant van Shirai-san.  Ryō-kun meldt dat de brandweer Shirai-san sommeert tot de aanleg van een wettelijk verplichte sprinklerinstallatie vóór 31 maart van dat jaar. Een eerdere oekaze van dezelfde strekking negeerde hij maar nu lijkt het menens. Zo’n brandbeveiliging betekent ‘n gigantische investering. Dat ziet de houthandelaar niet zitten. Zijn enige optie: de hele houtvoorraad verkopen. Op dat moment staan wij – tegelijk met Ryō-kun en z’n maten –  bij Shirai-san op de stoep, niet om hem van z’n handel af te helpen, maar uit pure nieuwsgierigheid.

Een dubbele loods met toegevoegde overkappingen, allemaal barstensvol hout. Twee verdiepingen hoog. Een oerwoud van liggende en rechtopstaande balken, planken en latten. Een giga verzameling hout van allerlei soorten, maten en diktes. Het geheel doet denken aan een uit z’n voegen gebarsten antiquariaat. Shirai-san weet er feilloos de weg en trekt tevoorschijn wat de klant zoekt. Soms betekent dat verplaatsing van hele stapels of bussels, handmatig dan wel met een elektrisch katrol. Via hangrails in de loods kan Shirai-san boomstammen, balken en alles wat verplaatst of gezaagd moet worden elektrisch vervoeren. Achterin staan indrukwekkende machines uit het pre-digitale tijdperk. Ze werken nog prima dankzij kunstjes die alleen Shirai-san meester is.

Ryō-kun is er niet alleen vaste klant, maar ook kind aan huis. Hij kent Shirai-sans mores en weet de weg. Zo nodigt hij ons en zijn maten uit voor de koffie in het kantoortje naast de loods. Nou ja, kantoor?  Meer ’n rokerig hol met bureau, faxmachine en telefoon. Op de achtergrond een dubbeldeurs safe, gebarricadeerd door stapels paperassen. Een versleten skai leren bank en wat klapstoeltjes rond een oliekachel, waarboven een nutteloze kachelpijp. Een kastje met kopjes, oploskoffie en waterkoker. Tussen muren en plafond een reeks ingelijste, vergeelde certificaten, onderscheidingen, oorkondes of aandenkens, voorzien van indrukwekkende stempels. Daaronder kalenders van verschillende jaren, allerlei memo’s en decoraties. Twee stilstaande klokken. Voor het overige ’n onbeschrijflijke warboel van papier, gereedschap, kabels en kettingen, spuitbussen, dozen en plastic tassen. Een smal paadje om het meubilair te bereiken houdt de betonnen vloer nog net zichtbaar. Opruimen en weggooien is veel Japanners vreemd. Eenzelfde chaos kun je aantreffen in hotelrecepties, gemeentekantoren, winkels en woonhuizen. ’s-werelds beroemdste opruim goeroe is niet voor niks een Japanse 1.

De excursie maakt indruk en we begrijpen de boodschap: zo veel mogelijk potentiële klanten werven. De renovatie van ons huis is dan ruimschoots achter de rug. Maar als Ryō-kun een paar maanden later en zo’n duizend kilometer verderop een oud huis opknapt sleept hij er karrevrachten hout van Shirai-san heen. Wij laten nog wel een afdakje maken waarvoor we het benodigde hout bij hem kopen, maar die klandizie zet natuurlijk geen zoden aan de dijk. 
Hiroe informeert de aannemer die Arayashiki 2 gaat renoveren over de penibele situatie van de houthandel. Als echter blijkt dat Shirai-sans hout nogal prijzig is en planken duurder worden omdat messing en groef nog aangebracht moeten worden, ziet de aannemer er terecht van af. Er hangen geen prijskaartjes aan zijn producten dus Shirai-san slaat er maar een slag naar. Dat ondervinden wij ook. 

Bij een later bezoek ontdekt Hiroe ergens tussen het opgetaste hout twee ‘ranma’, panelen met opengewerkt houtsnijwerk voor boven schuifdeuren tussen twee kamers. Zulke panelen ontbreken in Arayashiki. Hiroe is des te opgetogen over haar vondst omdat het houtsnijwerk ‘bamboe met kwetterende vogels‘ voorstelt. Past perfect bij het bamboebosje dat Arayashiki omringt. Als onze lokale ondernemer Hasaka-san (de maker van deuren en ramen) met verbazing hoort wat we ervoor betaald hebben bekruipt ons het gevoel door Shirai-san bij de neus te zijn genomen.

Toch kan hij op onze sympathie blijven rekenen. Hij wordt wat toeschietelijker met woorden en wekt zelfs de indruk op Hiroe gesteld te zijn. We hebben nauwelijks reden om zijn zaak te bezoeken, maar als dat gebeurt geeft hij ons soms groenten of fruit uit eigen tuin.
 

Afgelopen juni zoeken we een speciale kwaliteit hout voor de ‘irori’ 3 in Arayashiki. ‘Kruip-door-sluip-door’ volgen we Shirai-san in zijn hout-jungle. Hier en daar trekt hij een balk tevoorschijn, mompelt iets over de houtsoort en kijkt of er een gaaf deel uit valt te zagen. De keuze valt uiteindelijk op een stuk bubinga: prachtig, maar kostbaar tropisch hardhout. ‘Fout hout!’ protesteert mijn geweten maar weet dat snel te sussen: de woud-reus is al lang geleden geveld en door nu af te zien van de koop worden noch het regenwoud, noch de handel van Shirai-san gered. Zo gaat tenslotte ook mijn principe voor de bijl…

Die bubinga houdt me nog even bezig. Hoe komt dat Afrikaanse hout in zo’n Japanse negorij terecht en waar komt al dat andere hout vandaan. Gaan er misschien interessante verhalen schuil achter de houtcollectie en de bedrijfsgeschiedenis?
We maken een afspraak om de bubinga te betalen en kondigen aan dat ik Shirai-san bij die gelegenheid graag wat vragen stel. Hij ontvangt ons in zijn kantoortje met koffie. Eerst de zaken: betaling in contanten, handgeschreven kwitanties in drievoud,  evenzovele stempels. Het bureaublad biedt nog net een A4tje vrije ruimte voor deze administratie. Dan steekt hij een sigaret op en ik van wal met een vraag naar de geschiedenis van zijn houthandel. Hiroe tolkt.

Het kan zijn dat ik hem onvoldoende uit zijn tent weet te lokken. In elk geval komen de antwoorden maar moeizaamheid tot stand. Voor jaartallen en feiten neemt hij zijn toevlucht tot de vergeelde oorkondes boven onze hoofden. Ook trekt hij voor dateringen ’n oud jaarboek tevoorschijn van een houthandel-associatie waarvan zijn vader bestuurslid was. Het zoeken en telkens omrekenen van ‘keizerlijke’ jaartellingen 4 in die documenten naar ‘onze’ kalender dragen ook niet bij aan een vlot gesprek.

Uit de wirwar aan feiten valt in elk geval het volgende op te maken: zijn vader (1927 – 2010) begint tijdens de wederopbouw (1947) een houtbedrijf en leidt deze onderneming tot Shirai-san junior het in 2008 overneemt. Behalve handelaar is S. senior bestuurslid en aandeelhouder van twee verschillende houthandel-associaties. Hout – ook buitenlands – koopt hij op veilingen. Een partij die hij op de ene veiling scoort, verpatst hij soms op een andere. Senior blijkt een inventieve ondernemer: als in de 70-er jaren de bouw op het platteland inzakt wegens trek naar de steden en goedkoop hout uit het buitenland de markt overspoelt past hij zijn zaken aan. In samenwerking met een houtbewerker in Nara produceert hij duur ‘nephout’ (‘mebokuten’). Ze ‘versnijden’ ’n exclusieve houtsoort in papierdunne vellen, die ze vervolgens op goedkoop triplex plakken. 120 vellen uit 3 cm hout! Kassa! Deze succesvolle en lucratieve business houdt aan tot klanten – jaren later – hogere kwaliteitseisen stellen.

Shirai-san junior komt op zijn 18e in de zaak van zijn vader, waar hij al doende het vak leert. Naast twee part-time medewerkers werken aanvankelijk ook zijn moeder en soms een oom in het familiebedrijf. Daarnaast verbouwt hij rijst en is dus tevens – zoals veel plattelanders – part-time boer.

Alles bij elkaar doemt het beeld op van een man, die levenslang in de schaduw en onder het gezag van zijn vader opereert. Op z’n best deelt hij in de successen van zijn oude heer, op z’n slechtst erft hij een bedrijf waarvan de neergang al is ingezet op het moment dat hij het stokje overneemt. Shirai-san profiteert nog van zijn vaders goodwill, van diens aandelen in de houthandel-associaties, wat vaste klanten en de enorme houtcollectie.

Maar zelf heeft hij geen opvolger, kampt met ernstige gezondheidsproblemen en riskeert elk moment sluiting van zijn zaak wegens ontbreken van een sprinklerinstallatie. Al deze kwesties verklaren misschien de gelaten toon waarop hij spreekt, zijn voorovergebogen houding en introverte blik. Gevraagd naar de toekomst, haalt hij laconiek zijn schouders op en zegt daar niet over na te denken. Dat laatste geloof ik onmiddellijk. Niet nadenken over de toekomst – na ons de zondvloed. Zo’n mentaliteit tref ik vaker aan in Japan. 

Eenmaal weer buiten blik ik nog even richting loods. Sinds ons eerste bezoek is de houtvoorraad met bijna eenderde geslonken. Voor de ingang ligt een partij formidabele boomstammen al decennia in weer en wind weg te rotten. Ooit door zijn vader daar gedeponeerd, nooit meer van zijn plaats gekomen. Tekent dit de dramatische ondergang van een ooit florerende houthandel of symboliseert dit simpelweg de natuurlijke loop der dingen? Voor Shirai-san geen vraag meer: het zal zijn tijd wel duren.
Bij vertrek stop hij ons nog gauw een zak aubergines toe.

1. Opruim-adviseur en bestseller auteur Mari Kondo (1984); zie verder Wikipedia.
2. Zie blog bijdrage d.d. 20 september 2022.
3. Traditionele in de vloer verzonken stookplaats voor houtskool.
4. Bij elke troonsbestijging van een nieuwe keizer begint een nieuwe jaartelling. 2023 is
   bijv. Reiwa 5, het vijfde jaar dat keizer Naruhito op de troon zit. Deze jaartelling wordt
   m.n. door overheden gehanteerd. Shirai-san is geboren in Showa 24 (1949).