VOEDSELBOS 3

De corona-pandemie dwingt ons even pas op de plaats te maken. We lijden niet onder een noodtoestand, lock down of andere beperkingen. Toch zeggen we uit voorzorg een geplande workshop ‘grondverbetering’ van begin januari af. Aan de ene kant jammer omdat de grond dan redelijk droog is en ideaal om te bewerken. Aan de andere kant winnen we tijd om boomstammen, takken, blad en ander groen te verzamelen. De verbeteringsoperatie vergt tonnen ‘groen-afval’ en dat produceren we zelf niet. Hiroe weet een aantal hoveniers, die volop met de wintersnoei bezig zijn te verleiden hun tuinafval – gratis – bij ons te dumpen. Normaal storten ze dat tegen betaling bij een composteer bedrijf in de buurt. Win-win dus.

We prikken een nieuwe dag voor de workshop (14 maart) met twee daaraan voorafgaande voorbereidingsdagen. Maart is wel een regenmaand, maar we nemen de gok.

Tatami slopen
Naast groen-afval zijn stro en houtskool de benodigde ingrediënten voor grondverbetering. Op zaterdag 6 maart verzamelt Nosaki-kun zijn vrijwilligersgroep – inmiddels A.UN.club gedoopt – voor het slopen van tatami-matten. Tatami, de traditionele vloerbedekking in Japanse huizen, bestaat uit ± 30 kilo rijststro, samengeperst en gestikt tot een mat van 190 x 90 x 5 cm. Wegens vochtopname zijn ze bevattelijk voor schimmels en een ideale broedplaats voor ongedierte. Reden waarom steeds meer mensen kiezen voor tatami met een kunststof binnenkant en het uiterlijk van traditionele tatami. De eigenaar van een tatami-bedrijf levert zo’n veertig oude stro-matten voor de sloop. Betekent ook voor hem uitsparing van stort-kosten. Hij geeft uitvoerige instructie hoe het geperste stro en het stiksel uit elkaar te halen. In kleine groepjes rond een tafel worden de tatami een voor een onder handen genomen: een rotklus om alle kunststof draden die het stro bij elkaar houden eruit te halen. Tegen vier uur is de compacte stapel matten veranderd in een losse stroberg. 

Houtskool maken
Een week later staat min of meer dezelfde groep mensen opnieuw op de stoep; een druilerige regen dempt hun enthousiasme niet. Het ‘verkolen’ van bamboe staat op het programma. Kushi-san, specialist grondverbetering, plaatst een viertal enorme bodemloze ‘pannen’ op het terrein. We vragen ons af hoe we ooit verse bamboe in deze natte omstandigheden in de fik krijgen. Maar hij stelt ons gerust en spoort ons aan zo veel mogelijk bamboestaken te vellen, van z’n zijtakken te ontdoen en in stukken te zagen. 10 tot 15 meter lange kaarsrechte bamboe’s vallen als lucifertjes onder de motorzaag. Een flinke mep met een stok in hun ‘oksels’ en de zijtakken zijn er af. De gestage motregen deert niemand, ook al bemoeilijkt de zompige klei het lopen en verslepen van de bamboe.
Tegen lunchtijd is het droog. Net als een week eerder genieten we in de tuin voor het huis de maaltijd, verzorgd door vrijwilligster Michi-san en Hiroe.

Na de middagpauze gaat het echt gebeuren: we vullen twee ‘pannen’ met verdorde bamboetakken en staken, waar bovenop de in stukken gezaagde groene. Kushi-san zet een vlammenwerper in om het vuur aan de gang te krijgen. Eenmaal in de fik brandt de bamboe als een tierelier. Hitte doet de holle ruimtes tussen de knopen van de verse bamboe uit elkaar knallen met het geluid van carbid schoten. De knallende en knetterende vuren, de uitstralende hitte en de opstijgende rook doet het sombere weer helemaal vergeten. We krijgen de bamboe amper aangesleept. In de ‘pan’ vormt zich allengs een berg verkoolde bamboe dankzij de hoge temperatuur en geringe zuurstof. Natte bamboe krijgt de kans niet om volledig te verbranden. Het kwartje valt. Als de gloeiende houtskool de rand van de pan bereikt wordt het vuur geblust met enorme hoeveelheden water, dat we met emmers uit het beekje vlakbij scheppen.

Workshop
Zondagochtend. Zo nat en grijs als het weer gisteren was zo stralend is het vandaag. Tegen de 30 mensen melden zich voor de workshop ‘grondverbetering’ van Kushi-san. Deelname inclusief lunch en afsluitende thee: 5000 Yen (± € 35,-)p.p., leden A.UN.club betalen de helft. Daarmee zijn voor 80% de workshop kosten gedekt. Het eerste uur is theoretisch en vindt plaats rond de keukentafel: Kushi-san legt noodzaak en werking van zijn verbeteringsmethode uit aan de hand van praktijkvoorbeelden. Er worden driftig aantekeningen gemaakt. Dan volgt het veldwerk. Bedoeling is om een aantal grote en kleinere gaten te graven, al dan niet door middel van sleuven met elkaar verbonden. Gaten en sleuven worden gevuld met boomstammen, takken, groenafval, een beetje compost en verkoolde bamboe. Onder en bovenop de uitgegraven grond (tatami)stro, telkens bestrooid met bamboe-houtskool.
Voor grote gaten hebben we een graafmachine gehuurd, maar de regen van de afgelopen dagen heeft de grond zo drassig gemaakt, dat deze maar beperkt inzetbaar is.

Het wordt dus overwegend ‘handwerk’. En dat lijkt voor niemand een probleem ondanks de blubber waarin gewerkt wordt. Tot de rand van hun laarzen in de modder ploeteren mannen en vrouwen om een labyrint aan gaten en sleuven aan te brengen en deze volgens Kushi-sans instructies te vullen. Geen zucht of klacht over de vermoeiende omstandigheden, eerder pret om komische situaties als bijvoorbeeld bij het zetten van een stap de laars in de zuigende klei achterblijft.

De lunch zorgt voor een welkome onderbreking. Opnieuw in de tuin en andermaal door Michi-san en Hiroe verzorgd. Vriendin Fumi-san bracht ’s-ochtends al een grote pan zelfgemaakte ‘buta-jiru’ (soep met varkensvlees). Als piranha’s stort iedereen zich op het buffet.
Voor mij is de middagpauze meteen einde oefening, heb ’s-ochtends al de grens van mijn fysieke vermogen bereikt. Alle andere deelnemers gaan voortvarend door: in het meanderende beekje aan de zijkant worden om de twee meter licht verkoolde palen geslagen, extra bamboe wordt verkoold en het perceel van gaten en sleuven voltooid. Een uur later dan gepland sluiten we af met een rondje thee in de tuin. Een begin van bodemverbetering is gemaakt.

Niet alledaags
Mijn verbazing over de enorme inzet van vrijwilligers voor het voedselbos, een activiteit waarvoor ze ook nog eens moeten betalen, wordt later door Nosaki-kun uitgelegd: mensen zijn blij dat wij gelegenheid bieden om a. iets te leren, b. samen iets tot stand te brengen, c. bij te dragen aan natuur- en milieuverbetering, d. in de frisse buitenlucht actief te zijn en e. andere mensen te ontmoeten. Zoiets komen ze zelden tegen. Het is, zoals hij zegt: ‘hi nichi jō’, niet-alledaags.
Weer iets geleerd.

A.UN.HAUS

Ongeveer gelijktijdig met de eerste actie voor het voedselbos (25 oktober ’20) slaan we de eerste paal voor het ‘zonnepaviljoen’: een constructie met 120 zonnepanelen. Goed voor 20kw stroom en ruim voldoende om in eigen energiebehoefte te voorzien. Overschotten verkopen we voor een habbekrats aan het energiebedrijf, dat deze weer duur doorverkoopt. We hadden liever onze stroomproductie rechtstreeks met buren gedeeld, maar dat staat de overheid niet toe. Die beschermt de grote (nucleaire energie)bedrijven, tevens beheerders van alle netwerken. Voor energieopslag in accu’s en de aanschaf van een elektrische auto is het nog iets te vroeg, we wachten tot ze efficiënter en beter betaalbaar zijn. Je ziet in Japan nog amper elektrische auto’s, terwijl het de tweede grootste autoproducent ter wereld is en fossiele brandstof ingevoerd moet worden. 

We spreken over ‘zonnepaviljoen’, niet omdat dit aantrekkelijk klinkt, maar omdat het echt iets moois moet worden. Het landschap is al te veel verpest door lelijke bouwsels, om nog maar te zwijgen over de berghellingen die ontbost worden ten behoeve van zonnepanelen.

De architect-aannemer vertaalde onze ideeën en schetsen in een fantastische bouwkundige vorm: de hellingsgraad van de zonnepanelen (10%) komt terug in de hoek waaronder de zijwanden naar binnen staan. De constructie zelf is van gegalvaniseerd metaal, de bekleding van zwart geïmpregneerd hout. Het geheel oogt als een zwarte transparante doos. Om een forse OZB aanslag te ontwijken presenteren we het dakloze bouwsel als een ‘reuze pergola’. Over ongeveer een jaar – wanneer de inspectieperiode voorbij is – schuiven we alsnog een dak onder de panelen. Maar dit blijft even onder ons.

De architectonische vorm is er niet alleen voor de sier, maar vooral om een statement af te geven over duurzaamheid. De ruimte onder de panelen (7 x 18 m.) benutten we in de toekomst voor kleinschalige evenementen op dat gebied (ecologie, biodiversiteit, biologische landbouw en voeding). Te denken valt aan vertoning van films/documentaires, aanbieden van lezingen en workshops, houden van markten en seminars.
Mede ten behoeve van het voedselbos tuigen we hiervoor een kleine informele organisatie op, waarin vrijwilligers een grote rol spelen en activiteiten zichzelf bedruipen.

Zo’n locatie en zulke activiteiten vragen natuurlijk om een klinkende naam en die vonden we in: A.UN.HAUS.

‘HAUS’ verwijst naar het Bauhaus, de idealistische kunstacademie in het Duitse Weimar (1919 – 1933). Dit beroemde instituut wilde kunst, design en industrie op elkaar afstemmen en zo bijdragen aan een socialer, beter en mooiere maatschappij. Zoiets staat ons ook voor ogen maar dan bescheidener en met nadruk op duurzaamheid en schoonheid. Met een klein beetje fantasie kun je A.UN.HAUS ook als een kunstproject zien. We hebben per slot van rekening allebei een kunst-achtergrond en Hiroe rekt de grenzen van haar atelier eenvoudigweg op tot de sociale en natuurlijke ruimte die ons omringt. 

‘A’ en ‘UN’ zijn de eerste, respectievelijk laatste letter van het Sanskriet alfabet en zijn in het Indiase Boeddhisme verbonden met mythische figuren, die huizen en heiligdommen beschermen. Ze staan tevens voor de eindeloze cyclus van leven en dood. Sinds de zesde eeuw kwamen ze met het Boeddhisme via China en Korea naar Japan en je vindt ze nog steeds op of nabij elke tempel of schrijn, meestal in de vorm van twee vervaarlijk uitziende leeuwen: de een met zijn bek open (A), de ander dicht (UN).

A

UN

De twee hoekpunten van ons dak zijn versierd met zulke uit de hemel aanstormende leeuwen: A en UN. Een zeldzaamheid en teken dat het huis oorspronkelijk aan een voorname familie toebehoorde. De combinatie van die begin- en eindletter uit het Sanskriet alfabet spreekt ons aan als symbool van continuïteit: in het begin zit het einde en andersom, de eeuwige kringloop van ontstaan en vergaan, het leven in essentie. De stap van hieruit naar zaken als natuurlijke cycli en circulaire economie – kern van duurzaamheid – is dan niet meer zo groot. 

Met het A-UN duo op het dak wordt het huis in elke windrichting geflankeerd door een aspect van duurzaamheid: Noord: het zonnepaviljoen, Oost: de oude boomgaard, Zuid: het nieuwe voedselbos en West: de biologische moestuin. Doorsneden door een openbare weg vormt alles één geheel met siertuin en beplanting rond het huis.

Shinshuke-kun, een grafisch ontwerper uit Hiroshima, heeft op basis van dit verhaal een logo ontworpen. Een heel simpel beeld, direct herkenbaar. Geen letterlijke vertaling van de Boeddhistische A – UN figuren, maar een eigentijdse ‘manga-achtige’ verwijzing ernaar in zwart-wit met groene (!) ogen.  

Vrijwilligers dragen straks een T-shirt voorzien van dit logo en bezoekers lopen er dwars doorheen waneer ze de poort passeren met de traditionele ‘noren’ (stoffen voorhang).

Verder laten we een ‘meishi’ drukken, het onontbeerlijke visitekaartje waarmee Japanners zich voorstellen. Dat uitwisselen van ‘meishi’ is een serieus ritueel waarbij je al buigend met twee handen jouw kaartje aanbiedt en dat van je tegenpartij aanneemt. Gelijk oversteken dus. Belangrijker dan de persoon is het bedrijf of organisatie die hij/zij vertegenwoordigt. Met A.UN.HAUS spelen we dit spel mee, al zijn we vooral een informele organisatie waarbij mensen méér tellen dan zaken. 

Met ongeveer een maand vertraging is vandaag, zaterdag 23 januari 2021, de installatie van de zonnepanelen opgeleverd en zijn we overgeschakeld op ‘eigen stroom’. Vanaf nu hopen we dat elke dag een zon-dag is want alles waar in huis een stekker of schakelaar aan zit draait dan op duurzame energie, inclusief verwarming en kooktoestel. Helaas laat de zon uitgerekend vandaag verstek gaan, maar ondanks dat geeft de monitor aan dat de stroomproductie van de collectoren hoger is dan ons verbruik. Leve de zonne-energie!

We koesteren vooral de wens dat het A.UN paviljoen door zijn aanwezigheid en activiteiten anderen inspireert en stimuleert tot een duurzame levensstijl. Japan heeft wat dat betreft nog een wereld te winnen.

Het zonnepaviljoen zelf en zijn omgeving wachten nog op afwerking. Op zaterdag 17 april staat – corona en weder dienende – een feestelijke kick-of van het gehele A.UN.HAUS project gepland. Dat is ook de dag waarop de eerste boom in het voedselbos wordt geplant. Wordt vervolgt.

 

 

DE DAIMONS

Aan allerlei omgevingsgeluiden ben ik zo gewend dat ik ze niet meer hoor. Maar één geluid blijft tegenwoordig mijn aandacht trekken, namelijk dat van de metalen roldeur van de buurman z’n garage op zo’n 60 meter van ons huis. Het is een grote uit plaatmateriaal opgetrokken constructie onder aan de voet van het plateau waarop zijn huis staat. In die garage staan zijn camper en personenauto gestald. Vanuit mijn zolderkamertje kijk ik pal op zijn mooi in het groen gelegen huis en zie de buurman geregeld op en neer naar de garage lopen. Aanvankelijk alleen als ik toevallig uit het kleine raam kijk, maar sinds enige tijd ben ik er op gespitst. Ook als ik in de moestuin bezig ben op het landje dat ik van hem leen. We groeten elkaar dan of lopen elkaar even tegemoet voor een ‘praatje’. 

Daimon-san is 84 en woont al geruime tijd alleen in dat grote huis. In het voorjaar van 2019 overlijdt zijn echtgenote in een verpleegtehuis, waar ze  acht jaar lang als coma-patiente werd verzorgd. De zoveelste tragische gebeurtenis in de man zijn leven. Eerder al was hij bij een auto ongeluk zijn zoon verloren. En verder liep het huwelijk van zijn dochter op de klippen. Het geluk van kleinkinderen is hem wellicht om die reden evenmin ten deel gevallen. Hij spreekt met zachte stem die vaak trilt van ingehouden verdriet. 

Toen Daimon-san nog vrijwel dagelijks zijn vrouw bezocht bood hij me wel eens een lift aan naar Nara stad waar ik Japanse lessen volgde. Tijdens die twintig minuten durende rit bestond onze conversatie meestal uit een korte vraag van mijn kant en een lang antwoord van de zijne. Moest mijn hersenen altijd laten kraken om er iets van te begrijpen. Toch leek hij zich wel met mij te amuseren. Behendig en met zichtbaar plezier manoeuvreerde hij ondertussen zijn grote Lexus door de smalle straatjes van Nara. Hij zat graag achter het stuur.

Met een achterbank vol boodschappen parkeerde hij wekelijks zijn auto tot vlak voor het pad naar zijn voordeur. Aan elke hand een flinke vracht tassen sleepte hij zijn inkopen naar binnen. Als ik dit tafereel zo vanaf mijn schrijftafel gadesloeg vroeg ik me wel eens af hoe lang hij dit nog vol zou houden.

Op een gegeven moment zie ik hem meteen bij terugkeer aandachtig zijn auto inspecteren. Een flinke deuk in de linker zijflank! Hij staat er heel lang naar te kijken, soms op afstand dan weer met zijn neus er bovenop. Aan elke beweging en houding is af te lezen dat dit een ramp voor hem betekent. ‘De mentale deuk is ernstiger dan die blikschade’ schiet mij door het hoofd. Geen loze inschatting naar blijkt. De auto verdwijnt in zijn garage om er nooit meer uit te komen. De Lexus staat nu keurig naast de camper, die hij bij zijn pensionering kocht om samen met zijn vrouw reisjes door Japan te maken. Maar haar ziekte doorkruiste deze plannen. De camper is zodoende amper van zijn plaats geweest. 

Een paar maanden na het overlijden van zijn echtgenote zien we af en toe een vrouw schichtig door de tuin bewegen. We vernemen later dat het zijn dochter is, die voortaan een aantal dagen per week bij hem woont. Zij schuwt elk contact. Zelfs toen ik haar ooit noodgedwongen moest passeren op het smalle weggetje langs hun huis, draaide ze me schielijk haar rug toe en beantwoordde mijn groet slechts met een kort knikje. Schaamte over haar mislukte huwelijk? Persoonlijkheidsstoornis? Beide?
Misschien niet het meest ‘opbeurende’ type voor haar vader maar ze houdt in elk geval een oogje in het zeil en dat is voor de kwetsbare Daimon-san geen overbodige luxe.

Hemelsbreed nog geen 200 meter hier vandaan ‘woont’ een andere Daimon-san. Hij is 86 en runt een shiitake kwekerij op de bergkam aan de overkant van ons voedselbos-in-spe. Ter onderscheiding noem ik hem hier D.S.
De twee Daimons zijn verre verwanten van elkaar  – hun overgrootvaders waren broers –  maar hebben verder weinig gemeen, zijn eerder elkaars tegenpool. 

D.S. heeft gedurende een groot deel van zijn leven ‘de bloemetjes buiten gezet’ en geniet alom een reputatie als rokkenjager. Zijn vrouw heeft hem na de zoveelste escapade dan ook de deur gewezen. Sedertdien bivakkeert hij op zijn kwekerij, niet ver van de echtelijke woning waar ook D.S. junior met zijn gezin woont. 

We wonen hier amper een maand als D.S. in zijn onafscheidelijke mini vrachtwagen stapvoets langs rijdt, nieuwsgierig naar wie er zijn neergestreken. Hiroe gaat direct op hem af en maakt zo kennis. D.S. praat er levendig en lustig op los, haar ondertussen monsterend. Wat weet hij over ons huis en zijn vroegere bewoners willen wij weten. Maar daarover worden we niet veel wijzer. Hij is vooral geïnteresseerd in ònze plannen. Als Hiroe het woord ‘café’ laat vallen twinkelen zijn pretoogjes: hij ziet accuut handel als leverancier van verse shiitake. 

We weten wel dat achter het groen aan de overkant van de vallei zijn kwekerij ligt, maar horen er nu wat saillante details over. Begonnen in een klein schuurtje zag D.S. in de snel groeiende paddestoelen een gouden business. Hij breidt zijn bedrijf dan ook schielijk uit met een vijftal grote loodsen. Iets te ambitieus blijkt al gauw want de zaak gaat binnen de kortste tijd op de fles. Maar zijn humeur lijdt er allerminst onder en onlangs grapte D.S. junior nog dat zijn vaders vitaliteit te danken is aan de schulden waarmee hij sindsdien zit opgezadeld.

D.S. vertelt zonder gène of grief door zijn vrouw uit huis te zijn gezet om haar vervolgens ook nog de hemel in te prijzen, ze is ‘zó slim, zó sterk’. Of het de charmeur in de ouwe D.S. is weet ik niet, maar hij laat er meteen op volgen dat hij in Hiroe dezelfde kwaliteiten herkent als in zijn ega. Het compliment is is hem vermoedelijk ingegeven door de curieuze ontdekking dat Hiroe en zijn vrouw – oh toeval! – precies dezelfde voor- èn achternaam hebben!  Als we later ook met haar kennismaken is één ding zonneklaar: met die naam houdt elke overeenkomst op.

Een jaar na het overlijden van Daimon-sans echtgenote vindt – traditioneel -een Boeddhistische herdenking plaats voor het huisaltaar. In de loop van de ochtend parkeren enkele auto’s vlakbij zijn huis, waaronder die van de ‘obou-san’ de Boeddhistische priester, herkenbaar aan zijn ornaat en kale kop. De mini truck van D.S. staat er ook tussen. Iedereen is in het zwart. Na een goed uur vertrekt de obou-san; zijn taak – het reciteren van soetra’s en branden van wierook – zit erop. De rest van het gezelschap geniet verder van het eten en drinken, dat de cateraar een dag eerder heeft bezorgd. In de loop van de middag vertrekt de ene na de andere gast. Alleen het vrachtwagentje van D.S. blijft staan.

Rond de klok van zessen als het bijna donker is en we op het punt staan aan het avondeten te beginnen schuift de voordeur open en horen we de luide stem van D.S. Straalbezopen strompelt hij naar binnen in de kennelijke veronderstelling dat hij in het café is beland waarvan Hiroe gewag maakte bij de kennismaking. ‘Koffie, koffie’ roept hij terwijl we hem op de dichtstbijzijnde stoel planten. Op zijn stem na herken ik hem amper in zijn zwarte kostuum, gladgeschoren gezicht, zonder cap en met kunstgebit. Ik bied hem sterke koffie aan en Hiroe schuift een bord rijst met curry onder zijn neus. Maar koffie noch curry dragen bij aan de ontnuchtering en bevorderen al evenmin de samenhang in wat hij zegt. Hiroe belt uiteindelijk zijn zoon, die vijf minuten later arriveert om zijn vader op te halen.
D.S. junior verontschuldigt zich voor het gedrag van zijn vader en neemt hem mee. In de week erna levert D.S. een flinke partij verse shiitake af.

Niet veel later belandt Daimon-san per ambulance in het ziekenhuis. Van D.S. die toevallig langsreed toen de ziekenauto voor de deur stond, vernemen we dat hij een tia heeft gehad. We zien Daimon-san enige tijd niet en kunnen nergens naar zijn toestand informeren. Maar als hij uiteindelijk opdaagt en weer zijn gangetje naar de garage maakt spreekt Hiroe hem aan. Hij is sterk vermagerd en kijkt wat wazig uit zijn ogen. Op d’r vraag hoe het met hem gaat reageert hij alsof hij het in Keulen hoort donderen. De ziekenhuisopname en alles wat er omheen gebeurde vormt blinde vlek in zijn geheugen. 

Sindsdien hou ik Daimon-san in de gaten, vanuit mijn zolderkamer of moestuin. Hij loopt onzeker, blijft vaak doelloos staan en tuurt dan wat in de verte. Tegenwoordig daalt hij vrijwel dagelijks, soms meerdere keer per dag, af naar zijn garage, staat er minutenlang voor de deur te puzzelen met sleutels. Piepend en ratelend gaat de dubbele deur omhoog. Auto en camper staan met hun neus naar de straat, rijklaar.

Ik begon me ondertussen af te vragen wat Daimon-san telkens in zijn garage uitspookt. Tot ik hem achter het stuur van zijn Lexus zie zitten en denk: Daimon-san is virtueel op pad, hij toert door de smalle straatjes van Nara, op weg naar zijn vrouw aan wie hij een reisje met de camper voorstelt ……

VOEDSELBOS 2

We houden de weersomstandigheden scherp in de gaten. Het zou fijn zijn de schoonmaak-actie van het terrein ‘droog’ te kunnen voltooien. Ook om het maaisel te kunnen verbranden en daarin zoete aardappelen te poffen voor bij de koffie ’s-middags. ‘Yaki-imo’ heet zo’n versnapering en verwijst naar een traditie uit het pré-plastic tijdperk toen plattelanders de overgang van herfst naar winter nog ‘vierden’ met zoete aardappelen te poffen in het vuur van  bijeengeharkt tuinafval. Onze moderne stedelingen verheugen zich erop. Maar helaas. Twee dagen voor de vrijwilligersploeg zich weer meldt regent het pijpenstelen. Jammer van de ‘Yaki-imo’. We troosten ons met de gedachte dat het beter is alle troep te laten liggen als bodembedekker: remt  onkruidgroei en vormt humus voor de grond.

Een uur later dan de vorige keer gaat dezelfde club mensen weer aan de slag. Iets kleiner in aantal en met één nieuw gezicht. Opnieuw stralend weer. In het buitenfornuis knispert weer een vuurtje. Hiroe verzorgt met vriendin Fumi-san de lunch, die dit keer bestaat uit maaltijdsoep, ‘onigiri’ (rijstballen) en diverse groenten uit eigen tuin.

‘Singer-songwriter’ Haru-chan is ook weer van de partij en kan het moment niet afwachten om mij via de smartphone zijn gloednieuwe ‘Edible forest’ lied te laten horen. In het Japans. Later krijg ik de engelse vertaling. 

De dorpssirene van 15.00 uur betekent die zondag einde van de werkzaamheden. Nosaki-kuns inschatting de schoonmaakklus binnen een paar uur te klaren was gebaseerd op drogere omstandigheden. Enkele ongerepte en natte hoeken herinneren nu nog aan de wildernis van voorheen. Niettemin blikt iedereen tevreden terug op de gedane arbeid en het terrein: de omvang van het toekomstige bos is mooi zichtbaar, de groene begrenzingen contrasteren met het verdorde en geslonken maaisel, de verschillende terrasniveaus in het perceel tekenen zich weer af. 

Tijdens de koffie laten we een You Tube filmpje zien waarin Wouter van Eck, pionier en initiatiefnemer van het eerste Nederlandse voedselbos (Ketelbroek, Groesbeek), vertelt over zijn initiatief. Hiroe vertaalt en geeft toelichting. Sommigen maken aantekeningen. Ze verbazen zich over de platheid van het Nederlandse landschap en zijn vooral onder de indruk van de snelheid waarmee een uitgeputte maisakker na zeven jaar al een bos is, waaruit geoogst kan worden. In één klap is iedereen duidelijk wat ons voor ogen staat met het voedselbos. Het filmpje en gesprek erover wakkeren het enthousiasme verder aan. Voor de volgende activiteit – ruim een week later – staan mensen dan ook al weer in de rij. Eigenlijk is dat geen activiteit, maar een instructie, die – vooral de hoveniers in het gezelschap – nieuwsgierig maakt. 

Het begint te schemeren en net als iedereen op het punt staat om naar buiten te gaan om ‘kaki’ te plukken, kruisen mijn ogen die van Haru-chan. Het ‘Edible Forest’ lied!!!’ schiet me te binnen en ik sluit zijn smartphone aan op onze speakers.
Begeleid door een rammelende gitaar horen we hem zingen:

(in engelse vertaling:)
People and nature spend time together 
while digging through the rough ground
to become an edible forest
mow the grass together
The sunlight shines through the wind
The seasons begin to change
Edible Forest – Forest that grows from here
Edible Forest – A Forest connected from here.

Of het ooit ons clublied wordt valt nog te bezien, maar een daverend applaus is zijn deel. Het oogsten van de kaki is een mooie afsluiting van de dag. De oranje vruchten zijn in het schemerlicht nog net herkenbaar als kerstballen aan kale takken. Met goed gevulde manden keert iedereen huiswaarts.

Een week later, maandag 16 november. Al vroeg in de ochtend arriveert Kushi-san, specialist in grondverbetering. Hij wordt vergezeld van Kikuko-san, waarvan we dan nog moeten uitvinden of zij zijn assistente, vriendin of concubine is in verband met overnachting in ons gastenverblijf. Ze hebben er zo’n 250 kilometer opzitten. We leerden hen kennen tijdens een workshop in Okazaki, begin oktober. Kushi-san demonstreerde daar de toepassing van zijn grondverbeteringsmethode, ontwikkeld samen met een collega die er een boek over schreef.

Dankzij diepe gaten en geulen, gevuld met lokaal voorhanden organisch materiaal wordt de bacteriologische ontwikkeling in de bodem gestimuleerd evenals de groei van ondergrondse schimmelnetwerken. Allemaal essentieel voor een goeie waterhuishouding en dus de basis voor een gezond bos. De methode is al op diverse plekken in Japan met succes toegepast.

Terwijl we nog aan de ochtendthee zitten druppelen de vrijwilligers binnen. Nosaki-kun, spil van het team, had aanvankelijk twee of drie mensen gevraagd, maar uiteindelijk komen er tien. Drie hebben er zelfs een vrije dag voor genomen, waaronder Onishi-san de provincie ambtenaar en ICT-er/singer-songwriter Haru-chan. Ook de makelaar, Okaze-san, is weer van de partij.

Vòòr de middag gaan we met de bodemspecialist op veldonderzoek: omringd door de hele club doorkruist Kushi-san het terrein van boven tot onder en van links naar rechts. Op allerlei plekken duikt hij naar de grond om ondergrondse waterbewegingen of het gebrek daaraan vast te stellen. Zonder schop of ander gereedschap, puur op het oog.

Het bovenste terras grenst aan de nog hoger gelegen moestuin van onze buren. Twee jaar geleden spoelde het talud daarvan bij hevige regelval naar beneden. Met een vette overheidssubsidie gerepareerd schoof dezelfde grond dit jaar om dezelfde reden opnieuw omlaag. Een beter praktijkvoorbeeld kan Kushi-san zich niet wensen. Het is ‘water naar de zee dragen’ als de bodemstructuur niet verbetert betoogt hij met een bezwerende vinger in de richting van een nòg hoger gelegen helling, waarvan de grond eveneens verzakt. 

Op enkele plekken lopen betonnen afwateringsgoten dwars door het terrein. Die moeten er eigenlijk uit. Beton is een vloek in de grondfilosofie van Kushi-san. Niet alleen van hem. Toch blijft de Japanse politiek ‘in beton gegoten’: al meer dan een halve eeuw spekken bouwbedrijven de verkiezingskas van (lokale) politici in ruil voor opdrachten om onder meer rivieroevers, zeeweringen en berghellingen te betonneren. Wat politiek-economisch gezien een win-win situatie is, is voor natuur, bodem(leven) en landschapsschoon zonder meer verlies. Ongebreidelde asfaltering en betonnering zijn mèt bosverwaarlozing in Japan steeds vaker oorzaak van desastreuze wateroverlast en grondverschuivingen. 

Al met al is Kushi-sans diagnose betreffende ons terrein duidelijk: de grond heeft last van ‘verstopping’, is één vast geklonken massa. Remedie: zijn methode van grondverbetering .

Na de lunch schaart iedereen zich nog eens rond Kushi-san maar nu aan tafel om dieper op het herstelplan in te gaan. Op een groot vel papier schetst hij een plattegrond en dwarsdoorsnede van het terrein. Vervolgens markeert hij tal van plaatsen waar drie meter diepe gaten moeten komen, volgestouwd met boomstammen, takken en groenafval en bestrooid met bamboe-houtskool. Dat brengt lucht en leven in de bodem! Het gezelschap hangt aan zijn lippen alsof het om een spannend verhaal gaat. 

Diagnose gesteld en behandelplan gepresenteerd. We gaan voor een ‘grondige’ aanpak en laten er geen gras (meer) over groeien: vlak na nieuwjaar zal de operatie plaatsvinden.

De vaart blijft erin, hoe traag een voedselbos ook tot stand komt.

VOEDSELBOS 1

Zondagochtend 25 oktober. Tegen 9.00 uur meldt zich bij ons een groep van overwegend jonge vrijwilligers, gerecruteerd door Nosaki-kun, een geboren netwerker en organisator. Twaalf mensen gaan aan de slag met bosmaaiers, kapmessen, sikkels en snoeitangen om bijna een halve hectare te ontdoen van meters hoog woekerend onkruid, bamboe en riet. Drie ontfermen zich over de keuken om te zorgen voor een warme lunch en avondmaal. De eerste stap op de lange weg naar het realiseren van een ‘voedselbos’. Het is stralend weer, iedereen heeft er zin in. 

Nosaki-kun geeft instructies en verdeelt de groep over het terrein met onderlinge afstand om elkaar niet het gras voor de voeten weg te maaien of erger. Het terrein ligt aan de voorkant van ons huis en bestaat uit een piepkleine valei met van oorsprong terrasvormige rijstveldjes, ingeklemd tussen stijle, beboste hellingen en een hoger gelegen weg. Het geluid van zes bosmaaiers stijgt eruit op als het gezoem van een enorme zwerm bijen. Jarenlange verwaarlozing hebben het groen welig doen tieren en tot  een paradijs gemaakt voor wilde zwijnen, slangen, schildpadden, kikkers en andere dieren. Hier en daar zijn de afwateringsgeulen dichtgeslibd en waterplassen ontstaan. Twee kaki-boomjes, die zo maar ergens verloren staan zijn compleet verdwenen onder ‘kuzu’ een snelgroeiende kruip-, klim- en wurgplant, die alle andere vegetatie met z’n groene tentakels ‘inpakt’. Eenmaal uit zijn wurggreep bevrijd blijken er nog enkele vruchten aan te zitten ook. Een oude met stenen gestapelde muur wordt weer zichtbaar en verborgen afwateringen komen tevoorschijn. Na verwijdering van slib en riet begint het water weer te stromen. 

Zonder collectieve pauze werkt iedereen door tot klokslag 12.00 uur de dorpssirene loeit. Signaal voor de lunchpauze. Het middagmaal – pasta met diverse sausen en salade – is ondertussen klaargemaakt door Maïko en Kaede, bijgestaan door Hiroe en vriendin Fumi-san, hoewel die rolverdeling in de praktijk eerder omgekeerd is. 

Voor het eerst gebruiken we de ‘kudo’, een traditioneel houtgestookt fornuis, dat nu buiten maar vroeger in de keuken stond. Voor grote partijen handig om water, rijst of in dit geval spaghetti in te koken.

Als piranha’s stort het gezelschap zich op de pasta. Er wordt weinig gesproken, maar met het legen van de borden neemt de conversatie toe. Ik zit naast een ICT-er die behalve een mondkapje vrijwel continue oordopjes in en een hoedje over z’n oren draagt. Bij aanvang van het werk vroeg hij me al of ook ik naar muziek luisterde omdat ik oorbescherming droeg in de vorm van een koptelefoon. 

Klaar met het eten spreek ik hem in m’n beste Japans aan. Hij reageert vlot in het engels alsof hij op mijn aanspraak zat te wachten. Als een schooljongen die later prof voetballer wil worden vertelt hij in zijn vrije tijd ‘singer-songwriter’ te zijn èn via internet Bahasa Indonesia te studeren. Vanwaar die combinatie? Muziek blijkt zijn passie: teksten schrijven, melodieën verzinnen, uitvoeren met zijn eigen stem en gitaar, opnemen en weer afdraaien zoals vandaag tijdens het maaiwerk. Aan het eind van de werkdag laat hij me een fragment van zijn muzikale hobby horen: ik hoef mijn ogen niet te sluiten om hem in een piepklein volgepropt kamertje te zien, waarin eenzaamheid zijn metgezel is. Tijdens de koffie om 1500 uur zit hij alleen op de bank in de hal, waar de middagzon een felle lichtstreep trekt. Even later toont hij me trots een mooie foto van zijn koffiekopje, genomen precies op het moment dat die zonnestraal het porselein doorschijnt. Vlak voor het avondeten vertrouwt hij me nog zijn grootste wensdroom toe: de uitvoering van zijn in het Indonesisch geschreven lievelingssong tijdens zijn begrafenis. Ik schat zijn leeftijd op 35 jaar.

Terug naar het gezelschap, dat voldaan en met hernieuwde energie weer aan de slag gaat. Behalve Okaze-san, de makelaar, van wie we in 2017 huis en grond kochten. Hij houdt het maaiwerk voor gezien wegens rugklachten. Zijn vrijwillige betrokkenheid bij alles wat wij met het onroerend goed (willen) doen is ongekend. Het was zijn idee om het terrein onkruidvrij te maken. Die halve hectare behoort wel bij ons huis en we hebben er de vrije beschikking over, maar het staat niet op onze naam. Dat vereist namelijk een officiële registratie als ‘boer’. Een administratieve formaliteit, maar toch. De schoonmaak moet de commissie, belast met controle op gebruik van landbouwgronden, overtuigen van onze serieuze intentie te gaan ‘boeren’. 

Rond half vijf verdwijnt de zon achter een bergkam Westwaarts van het dorp. Einde werkdag. De hele klus is voor 85 procent geklaard, een enorme prestatie voor mensen waarvan het merendeel amper tuingereedschap aanraakt. Geen zucht of klacht van vermoeidheid. Vanuit de keuken lokt de geur van curry de werkploeg naar binnen. Japanners zijn gek op curries en om de smaak van het platteland kracht bij te zetten is die van vandaag gebaseerd op wilde zwijnenvlees. Voordat de goegemeente aanvalt bedanken wij hen uitdrukkelijk voor hun inzet. Aansluitend een rondje waarin iedereen zich kort voorstelt. Dan pas vernemen we wat voor bont gezelschap rond de dis verzameld zit en van hoe ver sommige mensen zijn gekomen. Studenten, diëtiste, architect, ambtenaar, ICT-er, hovenier. Het merendeel is vrijgezel, reden om Nosaki-kun naderhand eens te polsen over de motieven van deze jongelui om hun schaarse vrije tijd aan zwaar tuinwerk op te offeren. Volgens hem op de eerste plaatst om het plezier samen een – fysieke – klus te klaren, zeker met het oog op een toekomstig voedselbos. Maar het toevallig treffen van een mogelijke huwelijkskandidaat sluit hij niet uit. Zo heeft hij de indruk dat verschillende meiden een oogje hebben op de ‘knappe jonge ambtenaar’ .

Het avondmaal verloopt geanimeerder dan de lunch. Het gezelschap is wat losser en meer ontspannen. Tegen het einde doet Nosaki-kun een oproep voor deelname aan een tweede – kortere – werkdag op zondag 8 november om het karwei te voltooien. Ook staat dan de pluk van rijpe ‘kaki’ – elders op het terrein – op het programma als voorproefje van het voedselbos. Aan enthousiasme geen gebrek, maar sommigen hebben andere afspraken. ‘Mondai nai’ – geen probleem. Een oproep via face-book gaat gegarandeerd voor vervangers zorgen. 

Met een ‘doggy bag’ vol overgebleven rijst en groenten vertrekt iedereen op een enkeling na, die helpt bij het afwassen en opruimen. 

In de na-zit stellen we met Nosaki-kun vast dat het een plezierige en vruchtbare dag was. We hopen er een gunstig voorteken in te zien voor verdere plannen en acties op het gebied van ecologie en duurzaamheid.Telkens met de inzet van (jonge) vrijwilligers.

Behalve het meerjarenproject van het voedselbos staat de realisering van een ‘zonnepaviljoen’ op het programma, waarover in een volgende bijdrage meer.

BIOTOOP

Afgelopen tijd veel binnen gezeten. Niet vanwege het virus, maar wegens aanhoudende regen. Zoiets hebben we in voorgaande twee jaren niet meegemaakt. Het regenseizoen is dit jaar extreem en treft heel Japan. Op sommige locaties valt wel 100 – 200 mm per etmaal. Kyushu – in het Zuid-Westen – heeft het ’t zwaarst te verduren met overstromingen en aardverschuivingen. Meer dan 60 dodelijke slachtoffers, duizenden ontheemden, enorme materiële schade. 

Wij mogen – alweer – van geluk spreken, zitten hoog genoeg om droge voeten te houden.

Met een temperatuur van rond 28 gr.C overdag en een relatieve luchtvochtigheid van tegen de 100% is het ‘vies benauwd’. Alle tussendeuren in huis staan open en drie ventilatoren jagen de lucht rond ter verkoeling en ter voorkoming van schimmel. 

Deze huiselijke ‘lock down’ dwingt tot rust maar voelt niet als dwang. Weken lang hard in de tuin gewerkt om het onkruid de baas te worden. Aardig gelukt, maar dankzij het huidige klimaat neemt het onmiddellijk revanche. We zien het met lede ogen aan.

Werk, weer en corona verkleinen de wereld aldus tot onze tuin, ons dorp en directe omgeving. Niets spectaculairs behalve als je inzoomt op de ons omringende uitbundige flora en fauna: we hoeven niet naar een botanische of dierentuin, we zitten er al middenin. Een kleine selectie:

 

 

 

 

O-bon

 

Sinds afgelopen vrijdag liggen de renovatiewerkzaamheden in ons huis stil. De timmerlieden hebben vrij wegens O-bon, een soort Allerzielen dat elk jaar van 13 tot en met 15 augustus plaatsvindt. Het is geen nationale feestdag, maar nagenoeg alle bedrijven liggen stil en er is beduidend minder vrachtverkeer op de weg. Niemand maakt zakelijke afspraken. Vóór O-bon heeft iedereen het extra druk: allerlei klussen moeten voordien geklaard zijn, overal wordt opgeruimd, gewied, gemaaid en geveegd. 

De doden blijven hier bij de levenden horen: er zijn regels die aangeven waar, hoe vaak en op welke momenten sinds het heengaan de overledene herdacht dient te worden en dat is vaak. Al dan niet in aanwezigheid van een Boeddhistische priester. Maar altijd voor de Butsudan, het huisaltaar dat in praktisch ieder huis te vinden is, zeker hier op het platteland. Je vindt ze in soorten en maten, van kaal en eenvoudig tot rijken en barok. Achter openslaande kastdeuren bevindt zich een rijkversierd tabernakel als van een katholieke kerk, vol blinkend koperkleurig metaal, met centraal achterin een boeddhabeeldje. Eromheen kitscherige lampjes, kaarsjes en decoraties. In nisjes en op plateautjes leunen soms de portretten van overleden familieleden evenals kleine boekjes, waarin de genealogie van gestorven voorouders wordt bijgehouden. Hiervoor worden offergaven geplaatst zoals rijst, fruit en soms een boeketje. Tenslotte geheel vooraan een schoteltje om wierook te branden en een bel om de aandacht van de overledene te trekken. Geregeld nemen familieleden of bezoekers plaats op het kussen voor de Butsudan, steken een wierookstokje aan, luiden de bel en buigen devoot met de handen tegen elkaar het hoofd. Zo heb ik zelf verschillende keren tijdens bezoek aan vrienden dit ritueel uitgevoerd als uiting van respect voor zowel de levenden als de doden.

     

Tijdens O-bon verzamelen familieleden zich in het (voor)ouderlijk huis. Op de 13e worden voor het huis bij de poort of inrit links en rechts een busseltjes stro of houtjes aangestoken. De rook die hiervan opstijgt dient de geesten van de overledenen naar hun vroegere woning te gidsen, waar ze gedurende drie dagen in het gezelschap van hun nabestaanden kunnen verkeren. Er worden Boeddhistische soetra’s gereciteerd en wierook gebrand; natuurlijk wordt er uitgebreid – vegetarisch – gegeten. Een portie ervan wordt op het altaar geplaatst. Op de 15e begeleiden rooksignalen bij de poort de geesten opnieuw wanneer ze geacht worden terug te keren naar hun hemelse verblijfplaats.

Ook Japan kent secularisering oftewel verwereldlijking. Bij verschillende huizen zie ik uitgedoofde strobusseltjes, zoals bij onze buren, een drie generatie familie. Maar dit zijn wellicht evenveel symbolische  als letterlijke overblijfselen van een traditie die aan het verdwijnen is. Onze buurvrouw vertelt dat de jongste generatie niet voor O-bon thuiskomt; ze hebben het te druk. Er zijn bovendien nog drie andere momenten in het jaar waarop doden kunnen worden herdacht en de familie bij elkaar komt. Zij doet er nogal onverschillig over en het is met name haar bejaarde moeder die ‘het vuurtje aansteekt’ en de traditie levend houdt. Japanners gooien niet gauw iets weg, of het nu spullen zijn of gewoonten/tradities. Ze houden de vorm van tradities wel in ere maar over de inhoud maken ze zich niet meer zo druk.

O-bon betekent topdrukte voor de Boeddhistische clerus en omdat ook hier het aantal priesters slinkt kunnen ze de vraag amper aan. Ze haasten zich van het ene adres naar het andere. Zeker wanneer een dierbare minder dan een jaar geleden is gestorven is de aanwezigheid van een O-bo-san bij de herdenking gewenst. Hij of zij gaat voor bij het reciteren van de soetra’s en het branden van de wierook terwijl iedereen rondom het huisaltaar is verzameld. Afgelopen dagen ben ik er twee – in vol ornaat – tegengekomen, waarvan er een op een motorfiets. Helaas heb ik geen foto van de eerwaarde kunnen maken: zoals hij licht voorovergebogen op zijn tweewieler zat, in wapperende gewaden met een helm op waar hij normaliter een plechtige mijter draagt.

Vanochtend kwamen de timmerlieden weer opdagen en, gevraagd naar hun O-bon, lieten ze spontaan weten drie dagen vooral geluierd te hebben. Sakai-san, onze aannemer en vader van een van de timmerlui, vertelde dat hij het wel heel druk had met O-bon: zowel voor zijn eigen familie alsook ook vanwege de herdenking bij de familie van zijn echtgenote. Sakai-san junior zwijgt. Hij is ongetwijfeld aanwezig geweest in het ouderlijk huis, maar zijn zwijgen zegt genoeg over het belang dat hij hecht aan de traditie van de generatie boven hem.

HANABI en HANAMI

Vorige week zaterdag hadden Hiroe en ik vrijkaarten voor een vuurwerk manifestatie in Osaka, de ‘Yodogawa hanabi tai kai’. Een goodwill investering van onze verzekeringsagent, die tijd noch moeite spaart om ons huis, inboedel en auto via hem verzekerd te krijgen. Behalve de vele uren die hij zich veroorlooft om met ons over koetjes en kalfjes te babbelen trakteert hij ons dus ook op ‘VIP plaatsen’ bij de vuurwerkshow. Compleet met gratis eten en drinken.We nemen de trein van Nara-stad naar centraal station Osaka om van daar te voet naar de oever van de Yodo rivier te gaan, waar het spektakel zich zal afspelen.
Bij elk tussenstation stappen passagiers in met hetzelfde reisdoel. En tegen de tijd dat we Osaka bereiken puilt de trein uit van vuurwerkgangers. Drommen mensen schuifelen naar de uitgang zonder haast of geduw. De massa beweegt organisch in een en dezelfde richting, niemand versnelt of vertraagt, niemand raakt elkaar aan. Eenmaal buiten op straat ontstaat er meer bewegingsruimte en vertakt die trage mensenrivier zich in kleinere, maar nog altijd trottoir-brede stromen. Alles richting Yodogawa.
Het is rond vijf uur en hoewel de lage zon hier en daar al door skyscrapers wordt tegengehouden is het nog volop licht. We lopen hoofdzakelijk tussen jonge mensen, waarvan er veel een zomerkimono dragen. De spetterende kimonokleuren en -patronen waarin de meisjes gekleed gaan is als een voorspel op het vuurwerkspektakel waarnaar we op weg zijn. Hun vriendjes geven die vrolijkheid extra cachet door het contrasterend antraciet en grijs van hun kimono’s met uiterst subtiele patronen. Om op tijd op onze VIPplaatsen te geraken moeten we af en toe onze pas versnellen en zelfs hier en daar tussen de menigte naar voren slalommen. Maar toch permitteer ik me telkens te genieten van het feestelijk schouwspel voor ons: de sierlijke bewegingen op de kletterende getta’s (houten schoeisel) vermengd met gegiechel en vrolijk gebabbel van de (verliefde) stelletjes in kimono. Ze gaan helemaal op in hun samenzijn maar raken elkaar amper aan.

De Yodogawa is een forse rivier die dwars door Osaka stroomt en op de plek waar de brede oevers een populair park vormen vindt het jaarlijkse vuurwerk plaats. Zo’n half miljoen mensen komt erop af en daar zijn wij er dit jaar twee van. Bij ‘onze gate’ staat een leger stewards klaar om gasten te voorzien van een plastic tas met ‘obento’ (lunchbox) en groene thee. Een van hen begeleidt ons naar onze plaatsen aan een lange smalle tafel in vak G, zo’n 40 meter van het water. Muziek schalt door de speakers. Een boot legt aan om het nog lege vak voor ons te vullen. Bedrijvigheid alom van gasten op zoek naar hun stoel en van jongelui die hen van grote sushischotels, bier en fris voorzien. Met het vallen van de avond nemen drukte, bedrijvigheid en de bergen afval toe. Het merendeel van de mensen staat of zit op het taluud en aan de overkant, vanwaar het vuurwerk word afgestoken kan iedereen gratis kijken.Ik voel me wel bevoorrecht maar geen VIP, zeker niet als onze begunstiger, de verzekeringsagent, in een T-shirt van het bedienend personeel aan komt zetten. Alleraardigste man, voor wie niets te veel is om zijn broodbazen van dienst te zijn en zijn klanten te plezieren. Dit is Japan. Onze tafelgenoten zijn de makelaar van wie wij ons huis kochten en zijn gezin. Hij heeft ons bij de verzekeringsagent geïntroduceerd, vandaar. Maar we kunnen het goed met hem vinden en we vinden het leuk om zijn vrouw en kinderen te leren kennen.

Om half acht is het donker. Een heerlijke buitentemperatuur. Kantoorlichten aan de overkant van het water herinneren ons eraan dat we midden in een miljoenenstad zitten.Sterren verschijnen aan de onbewolkte hemel en het drukke vliegverkeer zorgt voor bewegende lichtjes boven de skyline.

Klokslag 19.40 uur barst het vuurwerk los. Recht voor ons – vanaf de overzijde van het water -wordt de ene vuurwerkbom na de andere afgevuurd. Spectaculair! Het knallen en knetteren wordt begeleid door ahh’s en ooohh’s uit het publiek en door muziek dat uit de speakers knalt. Op de eerste maten van Beethovens vijfde symphonie schieten vuurpijlen omhoog om boven ons hoofd bij elke paukenslag in een kleurenparaplu uiteen te spatten. Zonder onderbreking is de lucht boven en voor ons het decor van het indrukwekkendste vuurwerk dat ik ooit mee mocht maken en dat een uur lang! Niet alleen de kleurexplosies en -fonteinen zelf ontlokken mij ah’s en oh’s van bewondering maar ook de grijswitte rooksporen die ze achterlaten. Als reusachtige spinnenwebben of octopussen hangen ze nog even in de lucht. Het tegelijkertijd zien oplichten en doven van zo’n massa vuurwerk is misschien het meest aantrekkelijke aan dit schouwspel.

 

Het Japanse woord voor vuurwerk ‘Hanabi’ – vuurbloemen – lijkt erg op ‘Hanami’- kijken naar bloemen – niet alleen vanwege de klank en de bloemen. Het aandachtig kijken naar (natuur)verschijnselen is een traditionele en geliefde bezigheid onder Japanners. Zo turen ze naar de mooiste volle maan van het jaar, spotten vuurvliegjes langs bepaalde stroompjes en trekken erop uit om spectaculaire herfstkleuren te bewonderen. Het meest populair en bekend is de ‘Hanami’ het kijken naar de kersenbloesem in het voorjaar. De aantrekkingskracht en schoonheidservaring bij al die aandacht voor vuurwerk, maan, bloesem of herfstpracht is gelegen in de kortstondigheid en vergankelijkheid van waar je naar kijkt of wat je bewondert. Ik kan me daar wel in vinden. Zo heb ik ook genoten van de ‘hanabi’. Maar evenzeer van de jongelui die voor me liepen op weg naar de vuurwerkshow. Die sensatie kon ik beleven als een  ’hanami’ of ……..zou dit aan mijn leeftijd liggen.

WATEROVERLAST

We zijn nu bijna twee weken in Nara/Sugawacho en het lijkt alsof Het Schoolhuis, Heesbeen en Nederland niet alleen in afstand maar ook in tijd ver achter ons ligt. De eerste dagen waren warm en zonnig, daarna is het flink gaan regenen en evengoed warm. Konden we ons eerst baden in het zweet daarna kon het ook in het water dat met bakken naar beneden viel. De watersnoodramp voltrok zich met name in West Japan, zo’n 200km van hier. Bij ons niet zo erg, maar toch…In de stromende regen heb ik een greppeltje aan de achter- en zijkant van het huis moeten graven, zoals een kampeerder wel doet rond zijn tent. Toch kregen we water binnen dat zich verzamelde op een plek waar de betonnen vloer was weggebroken. Hozen geblazen, want al het hout en gereedschap van de aannemer ligt er opgetast. Ook de aannemer gebeld, die snel kwam met een pompje om er dag en nacht het water weg te houden.

Het is prettig om aan te komen op een al vertrouwde plek en in een bekend huisje (gastenverblijf), waardoor het gevoel van ‘emigreren’ er niet is. We kennen de omgeving al, de buren, het dorp en zijn al min of meer vaste klant bij de supermarkt verderop. 

     

De aannemer is hard aan het werk om te zorgen dat medio augustus twee ruimten klaar zijn om de containerlading op te slaan. Het duurt zeker nog 8 maanden voor het hele huis klaar is. Het wordt wel iets moois. Het is fantastisch om te zien hoe de – meewerkende – aannemer (76), zijn zoon en een medewerker gestaag, precies, vakkundig en zonder veel lawaai aan het werk zijn, doorgaans zesdagen per week. En vakmanschap tonen ze: bijna alle forse houten palen, waarop de hele dakconstructie rust waren aan de onderzijde aangevreten door de ‘shiroari’, larf van de witte mier, een minuscuul beestje, dat op den duur het hout in een spons doet veranderen. Ze hebben die onderstukken vervangen op een ongelooflijk ingenieuze manier zichtbaar op de plek waar oud en nieuw zijn verbonden. En tegelijkertijd het hele huis waterpas/loodrecht gemaakt/gehouden! De aannemer heeft zichtbaar plezier in de klus en Hiroe kan het heel goed met hem en de andere timmerlieden vinden. De lachsalvo’s galmen soms door het dorp.

 

Ook kwam de voorzitter van de locale dorpsvereniging langs om ons lid te maken. Maar dat gaat -wat ons betreft – niet zonder slag of stoot. Om te beginnen moet je zo’n kleine 800 Euro betalen en daarna nog eens 56 euro per maand. Op de vraag van Hiroe “wat doen jullie voor al dat geld?”  kwam geen helder antwoord. Verder heeft de dorpsvereniging een contract met de firma die glasvezelkabel-aansluiting verzorgt (monopolist) en als we daar gebruik van willen maken moeten we bijna 900 euro schuiven, afgezien van de maandelijkse kosten. De voorzitter moest onverrichter zaken terugkeren naar huis, want allerlei verklaringen over grond en golfclubs waar de vereniging in verwikkeld is geraakt maakten de zaak zo schimmig, dat we – tot grote verbazing van de voorzitter – eerst heldere uitleg en financiële verantwoording willen voor we welk besluit dan ook nemen. Hij liet de nodige papieren met lidmaatschapsvoorwaarden etc achter zodat Hiroe die goed kon bestuderen. En dat deed ze. Toen hij  twee dagen later opnieuw kwam, gesecondeerd door de vicevoorzitter, werden de heren bedolven onder een spervuur van vragen.

Niet gewend aan zo’n situatie, probeerde vooral de vicevoorzitter, die ook wat intelligenter leek dan zijn voorman, elke vraag te beantwoorden. Hoewel ik niets verstond en Hiroe enkel af en toe een kernsamenvatting van het gesprek gaf, vond ik het vermakelijk. Het bleek dat nog nooit iemand een vraag had gesteld over de relatie contributie –  tegenprestaties, dat reglementen al decennia lang ongewijzigd zijn en vooral dat deze blindelings door het ene bestuur van het andere werden overgenomen en dat ze dus zelf ook niet meer wisten waarom de zaken waren als ze nu zijn. De bestuursleden bedankten Hiroe voor haar kritische opmerkingen en vertrokken zonder ons als nieuw lid te verwelkomen. Toen Hiroe twee dagen later belde met de mededeling dat we wel lid worden maar enkel voor de maandelijkse contributie viel dat helemaal niet slecht en werd onze opstelling zelfs gewaardeerd, ook al moet er nog over vergaderd worden.

Wat die glasvezelkabel-aansluiting betreft ging Hiroe ook met de firma in discussie; ze vragen eerst veel geld voor het aanleggen, daarna voor het aansluiten en dan nog eens een maandelijks bedrag. Het is bovendien een koppelverkoop met TVsignalen.  De (bovengrondse) kabel bungelt al aan de paal recht tegenover ons huis, dus die aanlegkosten kunnen wat ons betreft geschrapt worden. Ook hier heeft Hiroe’s volharding enig succes. Sinds dinsdag zijn we via de glasvezelkabel met de wereld verbonden zonder de inclusieve doorgifte van TV signalen te betalen. TV doen we wel via internet.

De dorpsvereniging is hier – anders dan in Heesbeen, waar de leden voor 25,EUR per jaar op een jaarlijkse toneelvoorstelling, kerstviering,viswedstrijd en een maandelijkse instuif kunnen rekenen –  een privaatrechtelijk, maar gewichtig orgaan. En …anders dan in Nederland hebben leden niets te vertellen, het bestuur bepaalt alles. Verkiezingen? Geen idee. Ledenvergaderingen ‘wat is dat?’. En zo leer ik al weer dat ik Nederland(se mores en gewoonten) moet vergeten. Gelukkig dat Hiroe een – bijna Hollands – kritische instelling heeft (van jongsaf aan) die ons helpt niets voor zoete koek aan te nemen. En de bestuursleden maar denken: “ wie hebben we nu toch in huis gehaald…….?”

Tenslotte: de eerste aap gespot, een volwassen makaak, die rustig over de weg voor ons huis wandelde. Enkele dagen later werden we ‘s-nachts gewekt omdat zo’n exemplaar over ons dak kuierde…….je kunt maar ergens wakker van liggen.

WELDADIGE BUREAUCRATIE

 

Sinds gister ben ik officieel inwoner van Nara. Snel en voortvarend gegaan. Zonder Hiroe, die elk in het Japans gestelde formulier invult, had ik dit niet gered. De hulp-secretarie van het stadhuis ligt bij ons om de hoek: een zaaltje met ongeveer acht ambtenaren die bij onze binnenkomst allemaal – behalve hun chef achterin – van hun stoel opspringen en ons verwelkomen. Ze kennen ons nog van de vorige keer en de mevrouw die toen een formulier met een verkeerde naam meegaf durft uit schaamte daarover haast niet meer naar de balie te komen om ons te helpen. Ietwat verlegen maar uiterst vriendelijk en behulpzaamheid verwijst ze ons naar  het stadhuis in Nara-stad, daar gaat alles gegarandeerd goed. We begrijpen de verwijzing. Ze maakt nog een lichte buiging ten afscheid en nagestaard door het hele ambtenarencorps vertrekken we.

Japan kent een enorme bureaucratie met duizenden ambtenaren en miljoenen formulieren. De stadskantoren – ik heb er verschillende bezocht op allerlei plekken in Japan, zowel in grote steden als kleinere – zijn de moeite van een studie waard. Het is er altijd druk, zowel voor als achter de balies. Waar in Nederland ‘clean desk’ de norm is lijkt hier het tegenovergestelde: op elke afdeling heb je een enorme zaal volgepropt met bureautjes, kastjes, kopieer- en printapparaten, die weer volgestapeld of liever dichtgeslibd zijn met dozen, ordners, stapels papier, in bakjes gesorteerde formulieren, regel- en instructieboekjes. Elk plat vlak van schotten, schermpjes, kastdeuren, ladenblokken, apparaten, stoelrugleuningen zijn volgeplakt met mededelingen, affiches, instructies en Post-it briefjes. Elke werkplek heeft een computer, dat wel, maar de norm is nog steeds potlood, pen en papier. Door de gehele kantoorjungle slingeren eenmanspaadjes, waar ambtenaren soepel en snel op en neer bewegen tussen de balie en ‘Back Office’ werkers. En hoe chaotisch het er ook allemaal uitziet dagelijks worden er honderden burgers op een efficiënte en prettige manier geholpen. ‘Geroutineerd, aandachtig, vriendelijk en behulpzaam’ zo zou ik de houding van het gros van deze volksdienaren willen karakteriseren. Geen ‘overheidsdienaren’ dus zoals in Nederland, maar ambtenaren in dienst van het volk, een uitvloeisel van de Confucianistische geest, die in vroeger tijd – net als zoveel andere culturele aspecten – is overgenomen van China. 

Wel, in deze context heb ik niet alleen mijn inschrijving in de gemeente Nara kunnen voltooien, inclusief een verblijfsvergunning voor 3 jaar, maar ook mijn zorgverzekering. Dat laatste lijkt op het vroegere Nederlandse ziekenfonds: je betaalt premie en de overheid vergoed 80% van alle ziektekosten. Over drie maanden ontvang ik bovendien een 70+pasje, waarmee ik seniorenkorting krijg in openbaar vervoer en allerlei sociaal-culturele voorzieningen.

Japan legt zijn burgers niet in de watten, maar als verzorgingsstaat lijkt het toch niet zover af te staan van menig Europese. 

En op de valreep………Belgie won spectaculair van Japan in het WK18 met 3 – 2; we hebben de wedstrijd niet kunnen zien; voetbal of WK is hier geen ‘gesprek van de dag’.