A-O-B-B : VOEDSELBOS 5


Zeg ‘voedselbos’ en een hof van Eden popt op voor je geest. Ging het maar zo snel als in het scheppingsverhaal. Sinds oktober 2020 proberen we van verwaarloosde rijstvelden een voedselbos te maken1. Veel lezen, surfen op het www en het oor te luisteren leggen bij ervaringsdeskundigen. Maar het zijn vooral eigen praktijkervaring en de natuur zelf die ons een lesje leren: aandachtig kijken en heel veel geduld hebben.
De terrasgewijze perceeltjes waren vroeger een soort waterbasins voor rijstteelt. Het terrein is van drie kanten omgeven door hellingen waarvan al het regen- en grondwater richting ‘onze valei’ stroomt. Een zompige boel dus, terwijl een voedselbos over het algemeen niet van ‘natte voeten’ houdt. Afwatering en grondverbetering zijn dan ook de voornaamste werkzaamheden tot nu toe geweest. Deels handmatig door zich in het zweet werkende vrijwilligers, deels machinaal door een professioneel grondverzet-bedrijf. 

Ambtenaren

Afgelopen maanden de laatste terreinklussen: verbetering van aangelegde vijvers en greppels en het verwijderen van nutteloze betonnen goten. Dat laatste mag gezien worden als een ‘diplomatiek huzarenstukje’ van Hiroe. 

In het kort: Op twee plaatsen doorsnijden betonnen goten het terrein, ooit in opdracht van de gemeente aangelegd om regenwater van de verharde omgeving af te voeren. Maar door verzakking functioneren ze niet meer. Wij zien ze liever vervangen door gegraven greppels. Dus weg ermee. Op een verzoek daartoe – al vroeg in het voorjaar – door grondverwerker Miyaji-san reageert de gemeente niet. Dan waagt Hiroe zich in de bureaucratische jungle en weet na ettelijke telefoontjes een viertal ambtenaren naar ons terrein te lokken. Anderhalf uur drentelt het kwartet over het terrein en tuurt eindeloos en met zorgelijke blikken naar het nutteloze beton. Hoofd van het viertal oppert dat er geen bestektekening of kaart van de situatie voorhanden is. Aan alles is te merken dat deze ‘baas’ geen verantwoordelijkheid wil nemen en liever besluiteloos de toestand laat voortbestaan. Een veel voorkomend verschijnsel in Japan. Dan suggereert een van zijn ondergeschikten dat die kaart wellicht in de vorm van een microfiche in het archief zit en Hiroe speelt haar laatste troef: binnen twee weken komt een universitair team grond-onderzoek doen. Voor hun eerste meting moet het terrein in orde zijn. Beide argumenten helpen de baas kennelijk tot een besluit. Hij stemt in met ons verzoek op voorwaarde dat de voorzitter van de dorpsvereniging akkoord is en dit met zijn stempel op een officieel papier bevestigt. O.k., niet gedraald. Snel achterhaalt Hiroe de naam van de voorzitter (we zijn geen lid van de dorpsvereniging) en laat de baas hem ter plekke bellen. De volgende ochtend om 9.00 uur wordt de zaak met stempel en al aan onze keukentafel beklonken. 
Miyaji-san, ook aanwezig bij de ambtelijke excursie, krijgt de opdracht het beton te verwijderen. Hij is met stomheid geslagen over Hiroe d’r voortvarendheid en ‘handigheid’.  Wat hem als ondernemer niet lukte, speelt particulier Hiroe in no-time voor elkaar. Hij bejegent haar sindsdien met diep ontzag.

Onderzoekers

Dat universitair onderzoek is geen verzinsel. Afgelopen zomer meldden zich twee onderzoeksteams. Niet uit zichzelf noch op ons verzoek, maar via introductie zoals vrijwel alle relaties in Japan tot stand komen. In dit geval danken we het contact aan geologe en kunstenaar Miho. Een jaar geleden werkte zij hier als artist-in-residence en exposeerde in Arayashiki 2 . Zelf onderzoeker weet ze de weg in de universitaire wereld. Enthousiast over ons project introduceert zij ons bij een team van Yamanashi University, dat ons weer via Research Insitute for Humanity and Nature 3 in contact brengt met collega’s van Kyoto Prefectural University.

Het team uit Yamanashi onderzoekt het oppervlakte water. Dat uit Kyoto neemt de bodem onder de loep. De Yamanashi-club heeft inmiddels enkele keren watermonsters genomen zowel uit onze (oude) waterputten als uit stroompjes en waterlopen in de omgeving. Na testen ter plekke volgen laboratorium analyses. En dat bij herhaling gedurende minimaal een jaar.
Uiteindelijk moet hun onderzoek leiden tot (advies over) huishoudelijk gebruik van het put-water, tot aanleg van een eigen – natuurlijke – afvalwaterzuivering en hergebruik van het gezuiverde water. Allemaal in het kader van onze duurzaamheidsplannen.

De Kyoto-club verzamelt gedurende meerdere jaren gegevens over bodemsamen-stelling en -kwaliteit en de verandering ervan gedurende de ontwikkeling van het voedselbos. Voor ons belangrijk, maar ook voor hen. De hier opgedane kennis en ervaring willen ze in de toekomst inzetten voor andere situaties waarin lang verwaarloosde rijstvelden veranderd worden in een voedselbos of andere vorm van ecologische landbouw met een mix van gewassen. 

Alsof veldwerk dit vereist kamperen studenten en hun begeleiders het liefst in onze tuin. Zes tot acht éénpersoons-tentjes, hutjemutje op ‘n paar vierkante meter onder de Blauweregen (Wisteria). Voor maaltijden, overleg en douche komen ze binnen. Bij hondenweer en winterse kou rollen ze hun slaapzak uit over de tatami in huis of in het gastenverblijf. Druk? Dat wel, maar ook plezierig. Met de teamleiders valt goed in het Engels te communiceren. Studenten wagen zich er minder aan uit angst te blunderen.
Ze gaan informeel met elkaar om zonder de hiërarchie uit het oog te verliezen: professor – docent – master student – student. In die volgorde wordt opgeschept en het woord gevoerd. In eerste instantie althans want gaandeweg verandert dit – zeker onder invloed van alcohol bij maaltijden – in een vrolijke anarchie.

In een zekere wanorde lijken Japanners overigens te gedijen. Tegen de afspraak in arriveert het zevenkoppige Yamanshi-team daags vóór in plaats van aan het einde van een vrijwilligers-werkdag. Even paniek in de keuken: opeens een onvoorzien avondmaal op zaterdag en meer dan het dubbele aantal mensen voor de lunch op zondag. Met de nodige improvisatie van onze kant, inschikkelijkheid en helpende handen van de gasten komt alles op z’n pootjes terecht. 
Na een korte nacht gaat het team voor dag en dauw op pad om watermonsters in de omgeving te nemen, zodat hun werk nog voor het ontbijt is gedaan. Zich schuldig voelend over zijn vergissing wil de teamleider het veroorzaakte ongemak compenseren door de hele Yamanashi-club die zondagochtend mee te laten werken.

Rond negen uur druppelen de vrijwilligers binnen, verrast door de aanwezige onderzoekers. Na het gebruikelijk rondje waarin iedereen zichzelf voorstelt gaan onderzoekers en vrijwilligers gezamenlijk aan het werk. 
De enorme berg bamboe, die we in de loop van het jaar uit het bosje rond Arayashiki hebben gezaagd ruimen we op door er houtskool van te maken. Houtskool, dat weer ingezet wordt voor grondverbetering van het voedselbos. De groep splitst zich in drieën om elk een compacte brandstapel te maken. In hoog tempo gaan de in stukken gezaagde bamboe het vuur in. Berghellingen rondom weerkaatsten het geknal van exploderende bamboeholtes. De dorpsagent komt even polshoogte nemen.
Studenten hebben er plezier in en gedragen zich als kwajongens/-meisjes die fikkie stoken en vuurwerk afsteken. Alles gaat in razend tempo en tegen lunchtijd is de bamboeberg voor ruim de helft geslonken. Na de gezamenlijke maaltijd vertrekt het onderzoeksteam en maken vrijwilligers het werk af. Zonder de extra handen van het Yamanashi team was dit nooit gelukt. Wat zaterdagavond chaotisch begon eindigt zondagmiddag met een fantastisch resultaat.   

Twee weken later nemen studenten en begeleiders van Kyoto Universiteit bijna honderd grondmonsters om in het laboratorium te onderzoeken op chemische samenstelling, zuurtegraad en organisch stofgehalte. Ze gaan zorgvuldig en systematisch te werk. Eén van de studenten wil bovendien de samenstelling en eigenschappen van bamboe-houtskool analyseren en ermee experimenteren.

Ook nu weer verlopen de maaltijden in ontspannen sfeer. De vier ‘generatie Z’ – studenten 4 vertellen over de moeizame start van hun universitaire opleiding wegens corona-maatregelen: 2,5 jaar sociaal isolement en gebrekkig onderwijs op afstand. Die ‘valse start’ heeft hen diep geraakt en lijkt nog steeds op hen te drukken.

Burgemeester

Tussen beide onderzoeken komt de burgemeester van Nara met vier ambtenaren plus vier gasten op bezoek. Informeel en op eigen initiatief. Mensen uit zijn omgeving die onze activiteiten waarderen hebben hem ertoe aangespoord. Hij neemt de tijd en laat zich uitvoerig informeren over onze bezigheden. De ambtenaren – in zwart kostuum, glimmende schoenen, badge om hun nek en notitieblokje op schoot – lijken er slechts bij voor de entourage. Hiroe vertelt ons verhaal over duurzaamheid en voedselbos met behulp van de powerpoint-presentatie die we eerder dit jaar voor de volksuniversiteit maakten. Serieuze vragen en oprechte interesse van de burgervader, ook al houdt hij voortdurend zijn smartphone in de gaten. We spreken verder over problemen van het vergrijzend platteland en leegloop van ons dorp. Tijdens de wandeling over het terrein laat hij zich met ons in de tuin fotograferen onder een vuurrood gekleurde esdoorn. 

Bomen

Zo groeit de belangstelling voor ons voedselbos sneller dan het aantal bomen.  Maar de aanplant laat niet lang meer op zich wachten. Aanvankelijk zochten we bomen bij een kweker in de buurt. Veel ‘pionier-soorten’ 5 zijn echter niet in de handel omdat ze overal in de vrije natuur staan. We verleggen daarom onze speurtocht voorlopig richting de bossen in onze directe omgeving. Op 25 december gaan we hier met enkele vrijwilligers en onder leiding van een ervaren houtvester ‘op jacht’ naar jonge boompjes die geschikt zijn voor ons voedselbos. We leggen eerst een hoge en een iets lagere windkering aan aan de Westkant. Vervolgens planten we pionier-bomen verspreid over het terrein. En dan maar afwachten, kijken of het plantgoed aanslaat, gedijt en -ondanks de bescherming – niet door loslopend wild wordt opgegeten. Het is per slot van rekening een voedselbos…….

 1. Zie IROHA-blog archief: 1 en 28 nov. 2020, 19 mrt 2021, 29 nov. 202.
 2. Zie IROHA-blog archief:  ‘Arayashiki’ dd 22 sept. ’22 en ‘Zawa Zawa’ dd 1 dec. 2022.
 3. Het Research Institute for Humanity and Nature, een inter-universitair
    samenwerkingsorganisatie, vervult een coördinerende rol.
 4. Geboren na 2000.
 5. Bomen en struiken, die snel groeien, de grond verbeteren en voor schaduw zorgen;
    ze worden later vervangen door ‘productie-bomen’.

 

BAD EN BOEDDHA

Japan staat vol Shintoïstische heiligdommen en Boeddhistische tempels. Schitterende bouwwerken, opgetrokken in groene oases, prachtige parken, omgeven door monumentale bomen of adembenemende bergpanorama’s. De meesten kennen een eeuwenoude geschiedenis en vele prijken op UNESCO of nationale erfgoedlijsten. Kyoto is er beroemd om, maar Nara telt de meeste.

We maken een uitstapje in onze omgeving. Geen beter middel om te ontspannen dan het bezoek aan een onsen, een warm bronwater-bad. Op aanbeveling kiezen we voor Miharuen-onsen in Haibara op slechts drie kwartier rijden van ons huis. We besluiten er tevens te overnachten. Tijd en gelegenheid genoeg om op ons gemak ook de nabij gelegen Hasedera-tempel te bezichtigen. Hitte en hoge luchtvochtigheid dwingen ons sowieso om het kalm aan te doen. 

De Hasedera-tempel 1, gesticht in 686, bestaat uit een complex van grote en kleine gebouwen opgetrokken in de knik van een rijk begroeide berghelling. Een plattegrond van het complex wijst ons de weg en geeft toelichting bij bezienswaardigheden. We passeren een enorme poort, meditatiehallen, een vijf verdiepingen tellende pagode, tempels ter nagedachtenis van invloedrijke figuren uit het Boeddhistisch verleden, zoals Kōbō-Daishi 2. Oude fundamenten dragen vaak gebouwen van latere datum. Branden, tyfoons en aardbevingen noopten tot kopieën van wat er oorspronkelijk stond. Hier en daar in het groen begraafplaatsen met hele rijen eeuwenoude stenen, dicht opeen gepakt. Soms is er nog iets van ’n gezicht of een inscriptie herkenbaar. Op afstand van het gewone volk de praalgraven voor prelaten. 

Een tweeledig hoofdgebouw domineert het hoogste punt. Een enorm ‘balkon’ aan de voorzijde biedt uitzicht over de valei. Terwijl we door de corridor slenteren die het bouwwerk in tweeën deelt passeert ons telkens dezelfde jonge vrouw. Stevige tred en  blik op oneindig. In het midden van de corridor onderbreekt ze haar gang om te buigen voor het 10 meter hoge beeld van de god Kannon 3. Ze moet wel om een serieuze gunst vragen want inwilliging ervan vergt tenminste 100 rondjes en evenzovele buigingen.

We liepen de aangegeven route in tegengestelde richting omhoog via een langaam stijgend wandelpad. Geen slechte keuze blijkt wanneer we op het punt staan de 400 treden tellende overdekte trap naar beneden te nemen. Totaal uitgeputte bezoekers hijsen er zich omhoog. Niet dat wij uitgerust aan de afdaling beginnen, maar onze gestage klim vergde minder inspanning dan de recht-toe-rechtaan opgang via de trap.

Aankomst bij de enkele kilometers verderop gelegen onsen is een ferme ontnuchtering. Nog onder de indruk van de cultuurhistorische en serene tempelsfeer staan we plots voor een nietszeggende grijs-grauwe betonkolos. In één oogopslag is duidelijk dat dit oord zijn beste tijd heeft gehad. Toen het Japan in de jaren ’70-’80 economisch voor de wind ging was het waarschijnlijk een luxe wellness center. Daarna borrelde het bronwater nog wel omhoog, maar is de kwaliteit van entourage en service drastisch gedaald. Om de ‘stemming erin te houden’ zijn alle publieksruimten gedecoreerd met goedkope, kleurrijke lampionnetjes en parasolletjes. 

 Het is er wel schoon en de receptionist vriendelijk. Hij biedt ons een zakje nootjes aan terwijl hij voor het ‘welkomstdrankje’ naar de self-service hoek in de lobby verwijst. Niets mis met eenvoud, maar wel met dure aan poverheid grenzende gastvrijheid.
Onze kamer is prima. Ook hier bewijzen ‘renovaties’ dat het hotel zijn sterren heeft verloren. De soberheid en het schone beddengoed stellen ons niettemin dik tevreden. Per slot van rekening komen we voor de kwaliteit van het bronwater en die is uitstekend. Vóór het avondmaal maken we er uitgebreid gebruik van. Het is er niet druk zodat we  – Hiroe in de dames-, ik in de herenafdeling  – het ruime bad nagenoeg voor ons alleen hebben. Lekker tot je kin in het warme bronwater: heerlijk ontspannend, een weldaad voor de getergde spieren en gevoelige huid. Het baden doet de hotel-entourage op slag vergeten. 

Liggend op de tatami met mijn hoofd op een met gedroogde sojabonen gevuld kussen waan ik me in een kloostercel in plaats van hotelkamer. Even maar. De hoeveelheid sake die we bij het avondeten nuttigden verschaft me snel het comfort van een diepe slaap.

We worden beiden wakker met spierpijn in de kuiten. Klim en afdaling in het Hasedera complex en onze ondermaatse conditie eisen hun tol. In combinatie met het spartaanse bed voel ik me lichtelijk gebroken. Geen nood. Met het warme bronwater een verdieping lager hebben we de therapie bij de hand. En zo liggen we vóór het ontbijt al weer ontspannen in het alkalische water.

We checken een uur later uit dan de bedoeling en rijden relaxed huiswaarts om de dag verder in luiheid door te brengen. Dat wil zeggen tot het einde van de middag, want om zes uur melden we ons bij de Renjo—ji tempel 4 in Nara voor het bijwonen van een lezing.

De tempel, waarvan we beheerster Keiko-san kennen, organiseert geregeld ‘salons’ met voordrachten en concerten. Vrijwilligers, waaronder een tweetal die ook voor ons voedselbos actief zijn, verrichten hand- en spandiensten. Er staat apparatuur opgesteld om de lezing digitaal op afstand te kunnen volgen. 

Tegen half zeven is de ruimte gevuld met zo’n 60 toehoorders. Dankzij onze vroege binnenkomst hebben we een comfortabele stoel bij de opengeschoven deuren naar de binnentuin. Met het invallen van de duisternis koelt het aangenaam af. 

De lezing gaat over monnik Kōbo-daishi oftewel Kukai 5, die we gisteren in het Hasedera-complex al tegenkwamen en wiens geboorte – dit jaar 1250 jaar geleden -wordt herdacht. Spreker is een Obōsan (Boeddhistisch priester) en belangrijk figuur in de beroemde Todai-ji tempel van Nara. Een lange, tengere man van in de zestig die zich behendig, al buigend en glimlachend een weg baant tussen het publiek richting sprekersplaats. Even later verdwijnt hij in een duistere gang naar het hoofdgebouw voor een gebruikelijke ceremonie.

Dan worden alléén Hiroe en ik opeens door Keiko-san ontboden om de priester te volgen naar het sacrale deel van de tempel. In het halfdonker zet de Obōsan zich in lotushouding voor het ‘hoofdaltaar’. Alsof Keiko-san het ritueel was vergeten opent ze gehaast de deuren voor de drie aanwezige Boeddhabeelden terwijl de priester een gong laat galmen en soetra’s 6 begint te reciteren. Hij doet dit met zo’n krachtige en diepe bas-stem dat ik mijn hele lijf mee voel trillen. Deze onverwachte, korte gebeurtenis, maar vooral zijn overrompelende stem bezorgt me een ongewone wakkerheid. Een alertheid ook die me even later geboeid naar zijn verhaal over Kōbo-daishi doet luisteren. Van zijn woorden begrijp ik niets, maar zijn manier van spreken, gelaatsexpressie en gebaren hebben zo’n zeggingskracht, dat ik van de eerste tot en met de laatste minuut geboeid zit te kijken en te luisteren.

Tegen het einde en allang over de toegemeten spreektijd haalt hij een boek tevoorschijn, waaruit hij met diezelfde diepe vibrerende stem gaat reciteren. Je kunt een spelt horen vallen. Overal in het publiek gaan smartphones omhoog om deze performance op video vast te leggen.

Na het vragenrondje wordt de ruimte in een mum van tijd ‘omgebouwd’ tot refter. Iedereen ontvangt een obento 7 en nuttigt die zonder een gemeenschappelijke begin van de maaltijd af te wachten. Keiko-san draaft rond met ‘n theepot, schenkt sake in en deelt blikjes bier uit. Tussen de bediening door ploft ze af en toe in de stoel naast mij, maar aan een hap of praatje komt ze amper toe. Ze springt voortdurend op om de gasten bij te schenken.

Ondertussen wordt er ook genetwerkt, zoeken bekenden elkaar op en vormt zich een rijtje mensen die de Obōsan allemaal even willen spreken. Ik sluit me er niet bij aan, hoewel ik hem – bij wijze van compliment – deelgenoot wil maken van mijn ervaring.

Pas op weg naar de uitgang spreek ik hem aan en probeer met alles wat ik aan Japans in huis heb duidelijk te maken hoezeer ik van zijn voordracht onder de indruk was. Niet zozeer door zijn woorden, maar dankzij zijn stem en fysieke expressie: ’kokoro kara’ (uit de grond van zijn hart). Met een beminnelijke glimlach en diepe buiging neemt hij de complimenten in ontvangst en vertrekt.

Twee ontspannen dagen dankzij onderdompeling in het warme onsen-bad en in de historische bronnen van het Japans Boeddhisme. Even korte als intense ervaringen, en dat – bij wijze van spreken – om de hoek.

1.Hasedera tempel maakt deel uit van een pelgrimsroute langs 33 tempels, zie:https://jh-saikoku33.jp/en/
2.Kobo-Daishi oftewel Kukai (774 – 835) is een invloedrijke Boeddhistische monnik, 
  stichter van de Shingon sekte, waarvan het hoofdkwartier is gevestigd op de heilige
  berg Koya. Hij vervulde tevens een belangrijke functie in de Todai-ji tempel in Nara,
  destijds het Boeddhistische centrum van Japan.
3.Het beeld stamt uit het midden van de 16e eeuw. Kannon worden speciale
  eigenschappen toegeschreven zoals het buitengewoon mededogen met iedereen die
  om een gunst vraagt.
4.Boeddhistische tempel. Zie voetnoot 1. van blogbijdrage ‘Kinderen’ dd 2 augustus ’23.
5.Zie ook: blogbijdrage  ‘Een berg heiligheid 1’, dd 25 november 2019.
6.Soetra’s bestaan uit toespraken van en verhalen over Gautama Boeddha en zijn leerlingen.
7.Een doos waarvan het interieur in vakjes is verdeeld voor rijst en verschillende kleine gerechten. Obento’s zijn            complete maaltijden voor elk moment van de dag. Erg populair en overal te koop, vooral in supermarkten, kombini (gemakswinkels), op stations en in treinen.

 

SHIRAI-SAN

In het naburige dorp Oyagyu is de houthandel van Shirai-san gevestigd. Niks bijzonders zou je zeggen, houthandels vind je hier overal. Hout is het van oudsher meest gebruikte bouwmateriaal in Japan. 

Shirai-san (74) lijkt me een intrigerend figuur. Misschien omdat zijn gezicht doorgaans in de schaduw blijft van zijn cap en licht voorover gebogen gestalte. Uit zijn ingevallen mond klinken maar weinig en altijd kortaffe woorden. Aankijken doet hij je ook amper en als dat wel het geval is kijk je in een paar mistige brillenglazen. De aanblik van zijn eenmanszaak maakt me al even nieuwsgierig als de baas zelf.

We bezoeken de houthandel voor het eerst in maart 2021. Dit op aandringen van Ryō-kun, een vriend van ons en vaste klant van Shirai-san.  Ryō-kun meldt dat de brandweer Shirai-san sommeert tot de aanleg van een wettelijk verplichte sprinklerinstallatie vóór 31 maart van dat jaar. Een eerdere oekaze van dezelfde strekking negeerde hij maar nu lijkt het menens. Zo’n brandbeveiliging betekent ‘n gigantische investering. Dat ziet de houthandelaar niet zitten. Zijn enige optie: de hele houtvoorraad verkopen. Op dat moment staan wij – tegelijk met Ryō-kun en z’n maten –  bij Shirai-san op de stoep, niet om hem van z’n handel af te helpen, maar uit pure nieuwsgierigheid.

Een dubbele loods met toegevoegde overkappingen, allemaal barstensvol hout. Twee verdiepingen hoog. Een oerwoud van liggende en rechtopstaande balken, planken en latten. Een giga verzameling hout van allerlei soorten, maten en diktes. Het geheel doet denken aan een uit z’n voegen gebarsten antiquariaat. Shirai-san weet er feilloos de weg en trekt tevoorschijn wat de klant zoekt. Soms betekent dat verplaatsing van hele stapels of bussels, handmatig dan wel met een elektrisch katrol. Via hangrails in de loods kan Shirai-san boomstammen, balken en alles wat verplaatst of gezaagd moet worden elektrisch vervoeren. Achterin staan indrukwekkende machines uit het pre-digitale tijdperk. Ze werken nog prima dankzij kunstjes die alleen Shirai-san meester is.

Ryō-kun is er niet alleen vaste klant, maar ook kind aan huis. Hij kent Shirai-sans mores en weet de weg. Zo nodigt hij ons en zijn maten uit voor de koffie in het kantoortje naast de loods. Nou ja, kantoor?  Meer ’n rokerig hol met bureau, faxmachine en telefoon. Op de achtergrond een dubbeldeurs safe, gebarricadeerd door stapels paperassen. Een versleten skai leren bank en wat klapstoeltjes rond een oliekachel, waarboven een nutteloze kachelpijp. Een kastje met kopjes, oploskoffie en waterkoker. Tussen muren en plafond een reeks ingelijste, vergeelde certificaten, onderscheidingen, oorkondes of aandenkens, voorzien van indrukwekkende stempels. Daaronder kalenders van verschillende jaren, allerlei memo’s en decoraties. Twee stilstaande klokken. Voor het overige ’n onbeschrijflijke warboel van papier, gereedschap, kabels en kettingen, spuitbussen, dozen en plastic tassen. Een smal paadje om het meubilair te bereiken houdt de betonnen vloer nog net zichtbaar. Opruimen en weggooien is veel Japanners vreemd. Eenzelfde chaos kun je aantreffen in hotelrecepties, gemeentekantoren, winkels en woonhuizen. ’s-werelds beroemdste opruim goeroe is niet voor niks een Japanse 1.

De excursie maakt indruk en we begrijpen de boodschap: zo veel mogelijk potentiële klanten werven. De renovatie van ons huis is dan ruimschoots achter de rug. Maar als Ryō-kun een paar maanden later en zo’n duizend kilometer verderop een oud huis opknapt sleept hij er karrevrachten hout van Shirai-san heen. Wij laten nog wel een afdakje maken waarvoor we het benodigde hout bij hem kopen, maar die klandizie zet natuurlijk geen zoden aan de dijk. 
Hiroe informeert de aannemer die Arayashiki 2 gaat renoveren over de penibele situatie van de houthandel. Als echter blijkt dat Shirai-sans hout nogal prijzig is en planken duurder worden omdat messing en groef nog aangebracht moeten worden, ziet de aannemer er terecht van af. Er hangen geen prijskaartjes aan zijn producten dus Shirai-san slaat er maar een slag naar. Dat ondervinden wij ook. 

Bij een later bezoek ontdekt Hiroe ergens tussen het opgetaste hout twee ‘ranma’, panelen met opengewerkt houtsnijwerk voor boven schuifdeuren tussen twee kamers. Zulke panelen ontbreken in Arayashiki. Hiroe is des te opgetogen over haar vondst omdat het houtsnijwerk ‘bamboe met kwetterende vogels‘ voorstelt. Past perfect bij het bamboebosje dat Arayashiki omringt. Als onze lokale ondernemer Hasaka-san (de maker van deuren en ramen) met verbazing hoort wat we ervoor betaald hebben bekruipt ons het gevoel door Shirai-san bij de neus te zijn genomen.

Toch kan hij op onze sympathie blijven rekenen. Hij wordt wat toeschietelijker met woorden en wekt zelfs de indruk op Hiroe gesteld te zijn. We hebben nauwelijks reden om zijn zaak te bezoeken, maar als dat gebeurt geeft hij ons soms groenten of fruit uit eigen tuin.
 

Afgelopen juni zoeken we een speciale kwaliteit hout voor de ‘irori’ 3 in Arayashiki. ‘Kruip-door-sluip-door’ volgen we Shirai-san in zijn hout-jungle. Hier en daar trekt hij een balk tevoorschijn, mompelt iets over de houtsoort en kijkt of er een gaaf deel uit valt te zagen. De keuze valt uiteindelijk op een stuk bubinga: prachtig, maar kostbaar tropisch hardhout. ‘Fout hout!’ protesteert mijn geweten maar weet dat snel te sussen: de woud-reus is al lang geleden geveld en door nu af te zien van de koop worden noch het regenwoud, noch de handel van Shirai-san gered. Zo gaat tenslotte ook mijn principe voor de bijl…

Die bubinga houdt me nog even bezig. Hoe komt dat Afrikaanse hout in zo’n Japanse negorij terecht en waar komt al dat andere hout vandaan. Gaan er misschien interessante verhalen schuil achter de houtcollectie en de bedrijfsgeschiedenis?
We maken een afspraak om de bubinga te betalen en kondigen aan dat ik Shirai-san bij die gelegenheid graag wat vragen stel. Hij ontvangt ons in zijn kantoortje met koffie. Eerst de zaken: betaling in contanten, handgeschreven kwitanties in drievoud,  evenzovele stempels. Het bureaublad biedt nog net een A4tje vrije ruimte voor deze administratie. Dan steekt hij een sigaret op en ik van wal met een vraag naar de geschiedenis van zijn houthandel. Hiroe tolkt.

Het kan zijn dat ik hem onvoldoende uit zijn tent weet te lokken. In elk geval komen de antwoorden maar moeizaamheid tot stand. Voor jaartallen en feiten neemt hij zijn toevlucht tot de vergeelde oorkondes boven onze hoofden. Ook trekt hij voor dateringen ’n oud jaarboek tevoorschijn van een houthandel-associatie waarvan zijn vader bestuurslid was. Het zoeken en telkens omrekenen van ‘keizerlijke’ jaartellingen 4 in die documenten naar ‘onze’ kalender dragen ook niet bij aan een vlot gesprek.

Uit de wirwar aan feiten valt in elk geval het volgende op te maken: zijn vader (1927 – 2010) begint tijdens de wederopbouw (1947) een houtbedrijf en leidt deze onderneming tot Shirai-san junior het in 2008 overneemt. Behalve handelaar is S. senior bestuurslid en aandeelhouder van twee verschillende houthandel-associaties. Hout – ook buitenlands – koopt hij op veilingen. Een partij die hij op de ene veiling scoort, verpatst hij soms op een andere. Senior blijkt een inventieve ondernemer: als in de 70-er jaren de bouw op het platteland inzakt wegens trek naar de steden en goedkoop hout uit het buitenland de markt overspoelt past hij zijn zaken aan. In samenwerking met een houtbewerker in Nara produceert hij duur ‘nephout’ (‘mebokuten’). Ze ‘versnijden’ ’n exclusieve houtsoort in papierdunne vellen, die ze vervolgens op goedkoop triplex plakken. 120 vellen uit 3 cm hout! Kassa! Deze succesvolle en lucratieve business houdt aan tot klanten – jaren later – hogere kwaliteitseisen stellen.

Shirai-san junior komt op zijn 18e in de zaak van zijn vader, waar hij al doende het vak leert. Naast twee part-time medewerkers werken aanvankelijk ook zijn moeder en soms een oom in het familiebedrijf. Daarnaast verbouwt hij rijst en is dus tevens – zoals veel plattelanders – part-time boer.

Alles bij elkaar doemt het beeld op van een man, die levenslang in de schaduw en onder het gezag van zijn vader opereert. Op z’n best deelt hij in de successen van zijn oude heer, op z’n slechtst erft hij een bedrijf waarvan de neergang al is ingezet op het moment dat hij het stokje overneemt. Shirai-san profiteert nog van zijn vaders goodwill, van diens aandelen in de houthandel-associaties, wat vaste klanten en de enorme houtcollectie.

Maar zelf heeft hij geen opvolger, kampt met ernstige gezondheidsproblemen en riskeert elk moment sluiting van zijn zaak wegens ontbreken van een sprinklerinstallatie. Al deze kwesties verklaren misschien de gelaten toon waarop hij spreekt, zijn voorovergebogen houding en introverte blik. Gevraagd naar de toekomst, haalt hij laconiek zijn schouders op en zegt daar niet over na te denken. Dat laatste geloof ik onmiddellijk. Niet nadenken over de toekomst – na ons de zondvloed. Zo’n mentaliteit tref ik vaker aan in Japan. 

Eenmaal weer buiten blik ik nog even richting loods. Sinds ons eerste bezoek is de houtvoorraad met bijna eenderde geslonken. Voor de ingang ligt een partij formidabele boomstammen al decennia in weer en wind weg te rotten. Ooit door zijn vader daar gedeponeerd, nooit meer van zijn plaats gekomen. Tekent dit de dramatische ondergang van een ooit florerende houthandel of symboliseert dit simpelweg de natuurlijke loop der dingen? Voor Shirai-san geen vraag meer: het zal zijn tijd wel duren.
Bij vertrek stop hij ons nog gauw een zak aubergines toe.

1. Opruim-adviseur en bestseller auteur Mari Kondo (1984); zie verder Wikipedia.
2. Zie blog bijdrage d.d. 20 september 2022.
3. Traditionele in de vloer verzonken stookplaats voor houtskool.
4. Bij elke troonsbestijging van een nieuwe keizer begint een nieuwe jaartelling. 2023 is
   bijv. Reiwa 5, het vijfde jaar dat keizer Naruhito op de troon zit. Deze jaartelling wordt
   m.n. door overheden gehanteerd. Shirai-san is geboren in Showa 24 (1949).

KINDEREN

Onlangs maakten we twee bijeenkomsten mee, een óver kinderen en een mét kinderen. In ons dagelijks leven zien of horen we die jongste generatie amper. Alleen wanneer  bezoekers en vrijwilligers hun kroost meebrengen of als kinderen op het nabij gelegen schoolplein sporten en spelen. Ooit gebouwd voor 250 leerlingen telt onze basisschool er momenteel niet meer dan 19. Het dorp is nagenoeg kinderloos.

We zijn uitgenodigd door Kitamori-kun voor een lezing bij hem thuis in Uda, een uur rijden bij ons vandaan. Onderwerp: het Japanse onderwijs in vergelijking met dat van Scandinavische landen. De gastheer en zijn vrouw werkten eerder als vrijwilliger aan ons voedselbos en stellen onze aanwezigheid op prijs.

De navigatie dirigeert ons naar een hooggelegen nederzetting met een prachtig panoramisch uitzicht. We parkeren in de schaduw van een overhangende bosrand en gaan te voet verder tot bij een enorme poort. Deze geeft toegang tot een ommuurd terrein en een traditioneel huis, dat wil zeggen een cluster van gebouwen. Zoals gewoon was tot in de jaren 80 wonen er nog steeds drie generaties, waaronder Kitamori-kun en zijn gezin. Overal openstaande ramen en deuren, spelende kinderen, jonge ouders die samen met ons kennelijk het publiek vormen. De meesten kennen elkaar van een gezamenlijk strijd voor het behoud van een lokale school, die opgedoekt dreigt te worden wegens fusieplannen. 

De gastheer begroet ons hartelijk, vinkt de presentielijst af en incasseert 1000 Yen pp. Een ruime woonkamer met kussens op de vloer. De studentikoze inleider (24) installeert zijn powerpoint, terwijl ventilatoren in de hoogste stand voor verkoeling moeten zorgen. Maar hun heen en weer draaiende koppen lijken niet meer dan ‘nee’ te zeggen tegen de hitte die aan alle kanten binnendringt. Gelukkig is er ijskoffie.

Na een korte introductie door Kitamori-kun steekt de inleider van wal. Hij reisde 8 weken door Noord Europa en bezocht er enkele scholen. Hij sprak er met leerkrachten en leerlingen. Ook bezocht hij concentratiekamp Auschwitz. Als een geroutineerde spreker doet hij verslag van zijn ervaringen, afgewisseld met video fragmenten van vraaggesprekken die hij hield. Strekking van het verhaal: het onderwijs in Scandinavië  is in alles tegengesteld aan het Japanse: het gaat uit van de belangstelling en ontwikkeling van het kind, het voedt kinderen op tot zelfstandig denkende mensen, die weet hebben van de geschiedenis, iets leren over maatschappelijke organisaties en weten wat democratie inhoudt. De vrijheid van Deense leerkrachten om het onderwijs naar eigen inzichten in te richten gaat hem een tikkeltje te ver. Voor het overige wonen in Noord Europa de gelukkigste kinderen van de wereld en educatief gezien is het daar een walhalla!

Dan verschuift het zwaartepunt van zijn betoog naar ‘democratie’ en de deelname daaraan. Hoe Zweedse politieke partijen campagnes voeren en hoe de Europese schooljeugd al vroeg oefent in het democratisch handwerk. Allemaal onbestaanbaar in Japan! Tenslotte brengt zijn reis hem naar Auschwitz en filosofeert hij over de verschrikkingen van de nazi-dictatuur.

Na een korte pauze zet iedereen zich in een kring voor een vrije gedachtewisseling, soms overstemd door het geluid van de spelende kinderen. Hiroe neemt het voortouw:  in het louter klaarstomen van leerlingen voor toelatingsexamens (van junior en senior high-school tot universiteit) schuilt het Japanse onderwijsprobleem. De juiste antwoorden van buiten leren gaat boven inzicht verwerven in de leerstof, er gaat meer aandacht naar het aanleren van tips and tricks voor het nemen van de hordes dan het inhoudelijk halen van de eindstreep. Iedereen knikt instemmend behalve de inleider. Die haalde juist motivatie uit het dril-systeem om examenantwoorden van buiten te leren, ook al geeft hij meteen toe dat er van de ingeprente stof weinig is blijven hangen. Al decennia klagen Japanners over hun onderwijs dat gericht is op punten scoren en stevig door de overheid wordt gecontroleerd. Volgzaamheid en discipline staan daarin hoger aangeschreven dan creativiteit en zelfdenkend vermogen, laat staan persoonlijke (talent)ontwikkeling.

Onderweg naar huis vragen we ons af wat het eigenlijke doel van de bijeenkomst en de jeugdige inleider was. Ideeën over verbetering van het Japanse onderwijs hebben we niet gehoord. Waarom dan het Scandinavische onderwijs ten voorbeeld gesteld?
Onze conclusie: de jongeman ambieert een politieke carrière en bekwaamt zich in openbare optredens door met zijn powerpoint stad en land af te reizen. Buitenlands onderwijs staat daarbij garant voor publieke belangstelling. En bovenal…..liever een gewillig oor dan een kritische geest.  

JIZO-BON
Twee dagen later zijn we in de Renjoji-tempel1 in Nara-stad getuige van Jizo-bon, een Boeddhistisch feest voor kinderen.
Jizo2 is ‘beschermheilige’ van kinderen (en reizigers) en je vindt zijn (verweerde) beeldjes overal langs velden en wegen, vaak voorzien van een rood mutsje, slabbetje of schoudermanteltje. In de Renjoji-tempel staat zijn beeltenis rechts van de toegangspoort. De plek is voor de gelegenheid versierd met lantaarns en aan zijn voeten staan offergaven opgesteld evenals een tafeltje met ceremoniële bel en wierook.

Tegen 13.30 uur verzamelen kinderen zich hier met hun (groot)ouders. Het is snikheet en het tentdakje dat hen tegen de brandende zon moet beschermen is te klein, dus deelt Noriko-san paraplu’s uit aan overige gasten. De Boeddhistische priester – haar Nederlandse(!) echtgenoot Jeroen-san – buigt diep en reciteert na het galmen van de bel soetra-passages op een mooie, zangerige toon. De goegemeente vouwt devoot z’n handen waarmee elk individu lijkt op te gaan in één aandachtige gemeenschap. Op een gegeven moment gaat iedereen naar voren om voor Jizo wierook te branden, kinderen voorop. Ook wij buigen, nemen wat korreltjes wierook tussen duim en wijsvinger en strooien dit op de gloeiende houtskool. Na hooguit een kwartier is het gedaan. 


Dan verplaatst het gezelschap zich naar een grote ontvangstruimte met uitzicht op de goed verzorgde tempeltuin. Kinderen vormen (met hun ouders) een kring op de rijststro matten. Ook de priester voegt zich bij hen. Jeroens schoonmoeder, beheerster van de tempel, deelt een reuze kralenketting uit. Elk kind legt de houten kralen in zijn naar boven gerichte handpalmen en omklemt ze met zijn knuistjes. Na een korte instructie gaat de kralensnoer ‘met de klok mee’ rond onder het onophoudelijk reciteren van ‘namu amida butsu’ 3. Op de plek waar begin en eind van de kralensnoer samenkomen zit een grote knoop. Bereikt die jouw handen dan breng je hem naar je voorover gebogen hoofd om het even aan te tikken. Zo gaat de giga ‘rozenkrans’ enkele keren rond.

Na de ‘cirkel-ceremonie’ neemt iedereen plaats voor een projectiescherm. Een beminnelijke heer richt zich rechtstreeks tot de kinderen. ‘Vandaag gaat het over wiskunde’ kondigt hij aan. Wiskunde? Ik verwacht een lesje Boeddha-kunde. Een Japanse ongerijmdheid, of….?
In de Edo-periode (1603-1868) verzorgden ‘terakoya’ oftewel tempelscholen onderwijs aan gewone dorpelingen. Japan dankt aan deze scholen (en die van de adel ) al in de 19e eeuw een verrassend hoge mate van geletterdheid. Misschien is de ‘wiskundeles’ hiervan een overblijfsel.

Hoe dan ook, de kinderen krijgen een sprookjesachtig verhaal te horen. Jizo komt er wel in voor, maar het gaat de meester er vooral om de kinderen een gevoel te geven bij het horen van abstracte getallen. Bijvoorbeeld: 2.500.000 jaar geleden ontstond de mensheid. Om zo’n getal voorstelbaar te maken projecteert hij eerst afgemeten porties rijstkorrels op het scherm: van tientallen naar honderdtallen, naar duizendtallen  enzovoort. Vervolgens houdt hij zijn jeugdig publiek een doosje echte rijstkorrels voor en laat ze raden hoeveel hij er telkens uithaalt. Het gaat duidelijk niet om tellen, laat staan om ‘wiskunde’ maar om het gevoel van een groot getal en de minuscule eenheden waaruit dat bestaat.

 Voordat de aandacht verslapt is de voordracht ten einde. Aansluitend wordt de vloer bedekt met een blauw zeil en iedereen getrakteerd op schijfjes heerlijk frisse watermeloen! Kinderen scharen zich in groepjes rond emmers voor de pitjes en schillen. De felle kleuren van zeil, watermeloen en kleding maken het geheel tot een feestelijke afsluiting van Jizo-bon.

Ondertussen berichten Japanse media geregeld over alarmerend lage geboortecijfers. Jonge mensen gaan liever solo door het leven. Goed betaald werk, fatsoenlijke huisvesting, betaalbare kinderopvang, goed onderwijs èn carrière mogelijkheden voor met name vrouwen ontbreken. De overheid beseft heel goed: ‘geen jeugd, geen toekomst’, maar – denken wij – financiële prikkels alleen genereren nog geen kroostrijke natie.

1. De Renjoji-tempel stamt uit de 10e eeuw en bestond oorspronkelijk uit een veel groter tempelcomplex. Het
    bewaart enkele kostbare Boeddhistische kunstschatten, die alleen in de meimaand voor publiek toegankelijk
    zijn. Renjoji volgt de Jodo-Shinshu oftewel Reine-Land traditie van het Japanse Boeddhisme, de weg naar
    verlichting voor ‘het gewone volk’. 
2. Zie voor uitleg over Jizo:  https://www.katernjapan.nl/jizo-roodkapje-in-japan/
3. ‘namu amida butsu’ betekent letterlijk ‘ik neem mijn toevlucht tot Boeddha Amida’. Amida is de boeddha van het
   oneindige licht en het oneindige leven, die wijsheid en mededogen symboliseert. Voor de volgelingen van het
   Reine Land-boeddhisme is deze aanroep een manier om hun vertrouwen in Amida uit te drukken en zijn hulp te
   vragen om herboren te worden in zijn Zuivere Land, een staat van gelukzaligheid en verlichting.

 

STAMP MET STOKJES

Onlangs las ik een artikel in de NRC over twee Japanse dames, die onafhankelijk van elkaar een boek schreven over hun leven in Nederland 1. Een van hen, Fumiko Miura,  zegt daarin “wat je hier over Japan hoort komt bijna altijd van Nederlanders.” En dan gaat het – volgens haar – vooral over ‘rare en exotische’ dingen. Het alledaagse leven van gewone Japanners komt nooit aan bod. 

Grappig is te lezen hoe Miura haar moederland in bescherming neemt tegen cliché-beelden over Japan die Nederlanders er op na zouden houden. Hiroe deed destijds hetzelfde.

We wonen nu bijna vijf jaar in Japan, op het platteland weliswaar en geblokkeerd door 3 jaar corona-restricties. Ben geen Japanoloog, maar weet inmiddels wel onderscheid te maken tussen wat ‘authentiek Japans’ is en wat met name de reiswereld voor ‘typisch Japans’ houdt.  Japan is in elk geval alles behalve ‘zen’ of ‘mystiek’. Japanners zijn gewone mensen met dezelfde eigenschappen, ambities en emoties als waar ook ter wereld. Natuurlijk gekleurd en gedrenkt in hun eigen cultureel-historisch sopje. Dat maakt Japan interessant.

Bij gebrek aan taalvaardigheid geef ik mijn ogen meer de kost dan mijn oren. In het besef dat het Westerse ogen zijn probeer ik toch zo onbevangen en open mogelijk waar te nemen. Dingen waarover ik me kan verwonderen en van kan genieten – zelfs zonder ze te begrijpen – komen vanzelf op me af. Zowel kleine alledaagse als grote uitzonderlijke. Zo ontstaat mijn beeld van gewone Japanners en dat geef ik door. Hier twee recente voorbeelden: één aan onze keukentafel en één uit de krant.

OLIFANTENHUID
Een druilerige dinsdag. We zijn nog aan het bijkomen van het voorafgaande weekend, waarin we een lezing, rondleiding en lunch verzorgden voor de Volksuniversiteit Nara. ’s-Ochtends vroeg kondigt Nishikawa-kun aan rond 10.00 uur even ‘langs te komen’ met speciale ‘okashi’ (versnapering). Nog voor hij verschijnt rijdt Naoko in haar knalgele autootje langs juist op het moment dat Hiroe bij de poort staat. Ze is op weg naar een bepaalde bestemming, maar stapt toch uit en volgt Hiroe naar binnen voor een kopje thee. Klokslag 10.00 uur schuift Nishikawa-kun aan. Beide zijn voedselbos-vrijwilliger, derhalve geen vreemden voor ons of elkaar. Onze relatie met vrijwilligers is open en vriendelijk, maar toch anders dan met mensen die we tot onze vriendenkring rekenen. 

We drinken samen thee en genieten van de ‘okashi’ die Nishikawa-kun en ook Naoko meebrachten 2. Het gesprek gaat wel over het voedselbos maar grotendeels over ‘koetjes en kalfjes’. Na een uur hou ik het voor gezien en verdwijn. Hiroe en Naoko staan garant voor een onderhoudende conversatie. Nishikawa-kun is volgend, luistert, lacht en beaamt hooguit wat anderen te berde brengen. Elke noodzaak ontbreekt aan het gesprek dat maar voortkabbelt, van de hak op de tak. Met de waterkoker op tafel vult ieder zelf z’n theekopje bij. De klok tikt uren weg, zelfs het indringende geluid van de dorpssirene om 12.00 en 15.00 uur is geen signaal voor de bezoekers. Gezelligheid kent geen tijd. Rond lunchtijd vraagt Hiroe zich af wat te doen. Zelf valt ze bijna flauw, maar kan zich geen hap veroorloven zonder de gasten ook iets aan te bieden. Haar verontschuldiging dat ze niet meer dan een kommetje rijst voor kan schotelen blijkt geen hint die de gasten op het idee brengt maar eens op te stappen. In tegendeel. Ze laten zich de sobere maaltijd smaken en blijven ook daarna rustig zitten. In de loop van de middag – zo vertelt Hiroe me later – kijkt ze van tijd tot tijd nadrukkelijk op de keukenklok om hardop te melden hoe laat het is. Ook deze hints halen niets uit. Pas als ze dit om 16.00 uur nog eens nadrukkelijk doet pikt Naoko het signaal op. Ze verontschuldigt zich zo veel van Hiroe d’r tijd in beslag te hebben genomen en vertrekt. Zo niet Nishikawa-kun, die niets (meer) te vertellen heeft. Nog eens twee uur zit Hiroe met hem alleen opgescheept. Uitgeput van de inspanning om de godganse dag de gastvrouw uit te hangen voor zo’n onbestemd en onbegrensd bezoek valt ze als een blok in slaap.

Het is schering en inslag dat onze bezoekers de ‘weg naar de uitgang’ maar moeilijk vinden, maar wat die dag gebeurt slaat alles. Het karakter van een ‘open huis’, de warmte van een huiskamer, het gewillig oor van Hiroe, d’r gastvrijheid en brede interesses hebben aantrekkingskracht. Zo werkt dat in elk land en cultuur. Meestal kan de gastvrouw/heer dan aangeven wanneer het tijd is om te vertrekken als de gasten zelf geen initiatief nemen. Maar in Japan moet je aanvoelen wanneer het tijd is om op te stappen en weerstand te bieden aan de gezelligheid. En vrijwel iedereen verstaat die kunst. Naoko en Nishikawa-kun kennelijk niet en dat is heel uitzonderlijk. 

Hiroe hield zich aan de code om ongemak of wrevel bij haar gasten te vermijden ten koste van d’r eigen conditie. Waarmee ik maar wil zeggen:  Japanners is niets menselijks vreemd, zelfs geen olifantenhuid. 

LAAT JE WITTE PARELS ZIEN kopt een serieus post-pandemie artikel in The Japan Times 3 van half maart. Ondertitel: ‘Glimlach-trainingen zitten in de lift nu mondmaskers af gaan’. 

Aan het woord komen twee coaches die elk een organisatie runnen voor ‘smile trainingen’ 4.. Gevarieerd aanbod voor individuen en groepen, voor sollicitanten en daters, voor politici en managers, voor afdelingen uit onderwijs, bedrijfsleven, overheid en gezondheidszorg. Cursussen kennen verschillende niveaus (en prijzen) en worden – bij goed gevolg – afgesloten met een (duur) examen. Tenslotte zijn er smile- competities en zelfs een heuse ‘Grand Prix’.

Japanners worden van jongs af aan getraind hun sociale gezicht in de plooi te houden. Thuis kunnen ze zich laten gaan. Ze hebben er zelfs namen voor: ‘tatemae’, het formele gezicht voor de buitenwacht en ‘honne’ het persoonlijke gezicht dat echte gevoelens toont in privé omstandigheden . 

Een groot deel van je leven slijt je in de maatschappelijke arena, dus zó gek is zo’n smile-training nog niet. Opgekrulde mondhoeken kunnen net het verschil maken bij een sollicitatie, een date, TV-optreden, aldus een van de trainers in het artikel. Wie na een lange thuiswerk periode weer op kantoor verschijnt gaat misschien nog even voor de spiegel staan om zijn/haar ‘tatamae’ te controleren. Drie jaar lang je ondergezicht achter een stoffen masker verbergen doet de spieren verslappen die je mond in de plus-stand zetten. Dus geeft de coach haar cursisten een rietje om tussen hun voortanden te klemmen. Mondhoeken gaan er vanzelf van omhoog. 

Moest er aanvankelijk een beetje om lachen, maar realiseer me dat zo’n onderwerp binnen de Japanse context minder vreemd is dan in eerste instantie lijkt. Om het zelfvertrouwen op te krikken doe je in Nederland een assertiviteitstraining, in Japan een smile-cursus. Daarachter steekt een wereld van cultureel bepaald verschil.

Is dit nu een bevestiging van die ‘rare en exotische’ dingen? Zijn deelnemers aan zo’n smile-training soms geen ‘gewone’ Japanners?

TOT SLOT
Miura d’r pen-genoot, Aki Watano, voorziet haar boek van de titel ‘Boerenkool met stokjes’. De titel herinnert me onmiddellijk aan mijn allereerste Tokyo-bezoek. Najaar 1988. Ik word door mijn gastheer Sunohara uitgenodigd voor een etentje. Hij troont me mee naar een onvervalste Bierstube. Eenmaal binnen verlies ik elk besef in Japan te vertoeven door het Beierse interieur en muziek, reuze bierpullen en serveersters in dirndle. Dat laatste overigens meelijwekkend komisch: frêle Japanse meisjes ingesnoerd in een folkloristisch tenue, waarin doorgaans rondborstige en struise dames gekleed gaan. Hun geveterde topjes zweven bij ontstentenis van enige borstwelving wat doelloos rond hun borstkas. Naast een mega-pul bier krijg ik een enorm bord Sauerkraut mit Wurst voorgeschoteld. Bestek: eetstokjes! Zuurkool en vette worst met stokjes! Een overrompelende kennismaking met Japan!

Sushi hebben inmiddels de Westerse wereld veroverd maar ik zou niet graag buitenlanders de kost willen geven die deze verfijnde hapjes simpelweg met mes en vork naar binnen werken 5, het omgekeerde dus van stamp met stokjes. Zo’n ‘barbaars’ gedrag ontgaat geen enkele Japanner. Ze laten het alleen nóóit merken, dankzij hun ‘tatemae’.

 

1. Fumiko Miura, Polderjapanner. Van Oorschot. Januari 2023  en Aki Watano, Boerenkool met stokjes – opgroeien tussen twee     
   culturen. Uitg. Brandt.  Maart 2023.
2.
Japanners brengen altijd iets (lekkers) mee als ze bij iemand op bezoek komen. Zo’n ‘omiyage’ ( presentje) koop je vaak mooi
   verpakt. Bij een teveel aan ‘omiyage’ kun je die
op jouw beurt weer aan iemand anders geven, zoals Nishikawa-kun deed.
   Verpakking
nog puntgaaf en inhoud niet over de datum.
3.
”Bring out the pearly whites – Smile training sees uptick as masks start to come off”  door Anika Osaki. The Japan Times. 15 maart
   2023. 
 Link gehele artikel: https://japantimes.pressreader.com/article/281487870578033
4.
Website link voor één van de twee smile-organisaties: https://egaoiku.com/
5.
zie https://www.rtlnieuws.nl/lifestyle/eten/artikel/5318508/de-vijf-spelregels-van-sushi-eten. Volgens dit artikel eten twee op de vijf
  Nederlanders sushi met mes en vork.