ARAYASHIKI

Ons voedselbos-in-wording ligt ingeklemd tussen twee hellingen, beide uitlopers van een iets hogere berg. Op de ene wonen wij met aan weerszijden buren. Op de andere staan een vijftal huizen en een shiitake-kwekerij, aan ons zicht onttrokken door hoge bomen, bamboe en ander woekerend groen, zoals wilde blauwe regen. Een klein perceel, bijna aan het eind van die helling, hoort nog bij onze grond. Het staat vol eetbare varens (warabi) en tekent scherp af tegen een bamboe-bosje dat de uitloper aan de ‘kopse kant’ afrondt. 

De huizen ‘aan de overkant’ liggen aan een openbare weg. Aanvankelijk tel ik niet meer dan vier ommuurde wooncomplexen. Maandelijkse wijkvergaderingen, die bij tourbeurt telkens bij iemand anders thuis plaatsvinden geeft me het idee dat daar niet meer huizen staan. Aan het eind van die rij is nog wel een pad. Nieuwsgierig waar dat naar leidt vertelt een buurvrouw me dat het toegang geeft tot het huis van een alleenstaande man. ‘Je kunt er beter uit de buurt blijven’, voegt ze er meteen aan toe, ‘hij kan agressief reageren’. Sindsdien passeer ik het onzichtbare vijfde huis nooit zonder te kijken of ik niet toch een glimp van zijn bewoner op kan vangen. 

Op een van de laatste wijkvergaderingen vòòr de corona pandemie – ruim twee jaar geleden- is ‘Mr. X.’ onverwacht aanwezig. Een magere man van midden 60 met een tamelijk onverzorgd uiterlijk. Gewoontegetrouw leest de voorzitter besluiten ‘van hoger hand’ voor terwijl de rest braaf luistert. Geen discussie, wel af en toe een vraag. Mr. X roert zich ook met ’n iets te luide stem. Er wordt geduldig naar hem geluisterd. Na deze bijeenkomst zie ik hem nooit meer. Wel af en toe het autootje van de Obōsan, boeddhistische priester, op het pad richting zijn huis.

We zijn nu twee jaar verder. Mr. X. is overleden. Zijn naam – Hōriguchi-san – vernemen we pas, wanneer onze makelaar contact met zijn familie heeft. We zijn namelijk eigenaar van zijn huis met omringende bamboe geworden. Daarover later meer.

Misschien door toedoen van die Obōsan, in elk geval niet door bemiddeling van zijn familie, is Hōriguchi-san op enig moment opgenomen in een verzorgingshuis, waar hij ook is overleden. Doodsoorzaak onbekend. Of zijn handicap reden is van de verstoorde relatie met zijn zus en verdere familie weten we evenmin. Zij willen in elk geval volstrekt niet met hem in verband gebracht worden en de nalatenschap – huis en grond – zo snel en onopvallend mogelijk afwikkelen. ‘Uitwissen die schandvlek op het familieblazoen’, zo lijkt het.

Wie was Hōriguchi-san en waarom leidde hij zo’n teruggetrokken en eenzaam leven? Een buurman kent hem nog van de basisschool, kwam toen wel eens bij hem thuis over de vloer. Pientere jongen, herinnert hij zich, die na de middelbare school naar de universiteit ging. Met een ingenieursdiploma op zak vond hij een baan bij electronica concern Sharp in Osaka. Japan B.V. bevindt zich – eind jaren 80 – op het hoogtepunt van zijn ‘bubbel-economie’. Dan slaat het noodlot tweevoudig toe: hij wordt plotseling doof en de Japanse zeepbel klapt. Beiden zijn al gauw reden voor ontslag. Nog aan het begin van zijn carrière verliest Hōriguchi-san in elk geval zijn baan. Weg perspectief op werk en kans op een huwelijk. Het ouderlijk huis tussen de bamboe is sindsdien zijn wereld. Doofheid isoleert, maar hoeft niet persé tot eenzaamheid te leiden. Hōriguchi-san kiest vrijwillig voor sociaal isolement en schaart zich daarmee in het leger van ‘hikikomori’. Dat is het in heel Japan wijd verbreide verschijnsel van – vaak jonge – mensen, die zich sociaal compleet isoleren en zich terugtrekken in hun kamertje of appartement. Zelfs contact met ouders of andere gezinsleden schuwen ze, gaan niet meer naar school of werk, vertonen zich amper binnenshuis, laat staan buitenshuis. Een groot maatschappelijk probleem, waar de overheid wel aandacht voor heeft, maar geen oplossing1. Zo lang ouders leven en vitaal zijn kunnen hikikomori nog terugvallen op een zekere zorg. Op het moment dat ouders hoogbejaard en zelf hulpbehoevend worden kantelt die zorgbehoefte. Wanneer beide ouders tenslotte zijn overleden is het isolement compleet en dreigt algehele zelfverwaarlozing. Dat kan jaren duren, zoals in het geval van Hōriguchi-san. 

Het bamboe-bosje, waarin het huis verscholen ligt is toonbeeld van die verwaarlozing. We kappen al geregeld de bamboe die aan de voet van de helling richting voedselbos oprukt. Ook al zijn de scheuten een lekkernij, liever geen bamboe in het voedselbos, wel ernaast.  En zo komen we op de gedachte ons perceel met het bamboebosje uit te breiden. Als we vermoeden dat terrein en huis verlaten zijn waag ik me op het duistere pad richting zijn huis om polshoogte te nemen. Hoog onkruid tot de voordeur, bamboe dat het dak overhuift en gesloten luiken bevestigen het vermoeden. We informeren onze makelaar en zo gaat het balletje rollen.

Hōriguchi-san heeft zijn huis achtergelaten zoals hij er de laatste jaren waarschijnlijk woonde: teruggetrokken in één kamer, zich een weg banend tussen opgetaste spullen en een berg afval, die hem in al die eenzame jaren boven het hoofd is gegroeid. Met het oog op de verkoop pikt de familie er uit wat van hun gading is en gooit de rest rigoureus naar buiten om pal voor het huis te verbranden. Bij ons eerste bezoek treffen we een zwartgeblakerde stookplaats voor de deur en een leeg interieur aan. Enkel het huisaltaar is nog intact: een door wierook en kaarsenwalm beroete kast. De toch al gehavende rolschildering van een boeddha-figuur op de achterwand valt bij aanraken uit elkaar.  Verder staan er dozen vol oude foto’s, een compleet 100 jaar oud familiearchief. Dat durft de familie natuurlijk niet aan de vlammen prijs te geven uit angst Hōriguchi-sans geest en die van anderen te tergen. ‘In deze familie is niemand van liefde omgekomen’, dicht de Poolse Wislawa Szymborska in ‘Familiealbum’ 2. Hoe toepasselijk hier. Via de makelaar bied ik aan de curieuze fotocollectie op te ruimen. En zo gebeurt.

Rotzooi buiten het huis weerspiegelt waarschijnlijk hoe het er binnen uitzag: een niet te beschrijven bende, overwoekerd door struikgewas en onkruid. Oprukkende bamboe duwt hier en daar het dakoverstek omhoog.  Achter het huis een open loods met roestige machines en gereedschap, bestoft meubilair en een enorme partij sloophout.

We hebben vaker huizen bezocht waarvan in- en exterieur na dood of vertrek van de laatste bewoner compleet intact zijn gebleven. Soms zelfs met – na jaren – de afwas nog op het aanrecht, rondslingerende brieven en foto’s, eieren in de koelkast…. Shockerende aanblik. Kinderen of naaste familie interesseert het dan niet, pikken eruit wat van hun gading is en laten de rest aan verval en ongedierte over. Waarom al die moeite als je uit de opbrengst amper de kosten voor opruimen en vuilstort kunt dekken. Bovendien vereist al dat gedoe eensgezindheid onder erfgenamen. Familiebezit gaat vaak stilzwijgend van generatie op generatie over, zodat bij verkoop de handtekening van soms wel dertig erfgenamen nodig is. Mensen die niet eens weten dat ze mede- eigenaar zijn, zoals nazaten van emigranten. Die zijn bovendien amper op te sporen. Om zulke reden valt nogal wat onroerend goed in Japan ten prooi aan onherroepelijk  verval.

Hōriguchi-sans familie weet er dus wèl raad mee, gewoon de inboedel opstoken en zich verder vrijwaren tegen eventuele claims in het geval van verborgen gebreken of ander onheil. Uiteindelijk worden we eigenaar ‘voor een appel en een ei’ omdat het dak lekt en wij opdraaien voor de kosten van opruimwerk rond het huis. En die zijn niet mis: liefst 4 ton afval afgevoerd!

Viel ons oog op het bamboebosje, krijgen we er uiteindelijk een huis bij. Geen bijzonder huis. Z’n ligging – temidden van bamboe – maakt het speciaal en natuurlijk het stempel dat wij erop drukken. Te beginnen met de naam: Arayashiki, een Boeddhistische term voor het achtste bewustzijnsniveau3. Mooie klank en diepe betekenis maar het wordt alles behalve een meditatiecentrum. Het leent zich perfect voor een combinatie van functies: guesthouse, expositie- en workshopruimte. Met dit voor ogen knappen we het huis op. 

Duurzaamheid is daarbij leidraad – net als bij ons woonhuis. Daar hebben we dat gerealiseerd met high-tech voorzieningen als zonne-energie en warmtepompen. In Arayashiki gaan we low-tech te werk: een ‘irori’ (verzonken houtskoolhaard) in de huiskamer. Traditionele tatami kamers met futons, een houtgestookte ‘ofuro’ (warmwaterbad), een compost-toilet. We oriënteren ons momenteel op een eigen waterzuiveringsinstallatie en drinkwatervoorziening. Voor het opwekken van stroom komt misschien een ‘biochar energy system’ 4 in aanmerking.  Arayashiki wordt niet primitief, maar wel praktisch en eenvoudig. We hopen dat uit de aandacht en zorg die we eraan besteden als vanzelf een zekere schoonheid naar voren treedt, iets dat Japanners ‘wabi-sabi’ zouden noemen.

De renovatie is in volle gang. Het dak vernieuwd. Ondertussen al de eerste tentoonstelling in Arayashiki gepland. Start 30 oktober aanstaande: Zawa Zawa – een ruimte vullende installatie van kunstenaar en geologe Sasaoka Miho. In een volgende bijdrage meer hierover.

1 zie: https://japantimes.pressreader.com/article/281573769488424
2 uit: Wislawa Szymborską, Uitzicht met zandkorrel. Ned. vert. Gerard Rasch. Meulenhoff A’dam. p.35
3 Het achtste en fundamentele niveau van bewustzijn in de boeddhistische Hossō school. Het slaat indrukken op die zijn ontvangen van
   andere vormen van bewustzijn en houdt ze vast als een potentieel voor verdere acties en gedachten.
4 Een experimenteel systeem waarbij tegelijkertijd houtskool wordt geproduceerd en energie opgewerkt.

PELGRIMSPAD MET LUCHTJE

Laatste zondag van mei. Op een parkeerplaats nabij de Jo-ru-ri-ji tempel verzamelen we ons voor een schoonmaak-actie ergens langs een oude pelgrimsweg.

Initiatiefnemer is Endo-kun, een ICT-er, die al zijn vrije tijd steekt in het zoeken en herstellen van eeuwenoude, verwaarloosde voetwegen. Die speurt hij op via oude landkaarten, duikt in hun geschiedenis om interessante feiten en verhalen langs die routes te vergaren en zet ze op zijn website. Via QR-codes op bewegwijzering die hij langs de paden aanbrengt kunnen wandelaars er kennis van nemen. Al jaren doorkruist hij zo bergen en bossen in het grensgebied van de provincies Kyoto en Nara, ‘gewapend’ met smartphone, handzaag, sikkel, kapmes en snoeischaar. Puur op eigen initiatief. Solo ook, althans tot voor enkele maanden. Yoda-kun, een bibliothecaris die wij al langer kennen en even fanatiek wandelaar is, vroeg zich af wie die paden begaanbaar maakt en bewegwijzert. Toeval brengt hen op een van die routes bij elkaar. ‘Ben jij misschien degene die….” “Ja, inderdaad”. Sindsdien zijn het maten, die hun passie voor natuur, geschiedenis en wandelroutes delen. Ze trekken samen op bij het onderzoeken en weer begaanbaar maken van oude voet- en pelgrimswegen. Niet de prestigieuze routes, bezongen door zwervende monniken of verbeeld door ukiyo-e meesters.  Maar alledaagse paden die een geografisch netwerk van de geschiedenis vormen. Allemaal bij ons in de buurt.

Endo-kun en Yoda-kun met zijn zoons

De club die klaarstaat voor de schoonmaak-actie is voornamelijk gerekruteerd uit ons voedselbos-vrijwilligersbestand. Hiroe en ik hebben al langer de ambitie oude voetwegen in de buurt te herstellen, maar onwetendheid over waar, wat en hoe houden het plan in de ijskast. Het duo komt dan ook als een godsgeschenk op ons pad en samenwerking ligt voor de hand. Yoda en Endo organiseren een ‘try-out’ met enkele vrijwilligers op een traject dat vanuit ons huis aansluit op de Yagyu-kaido, een bekende historische voetweg. Solist Endo weet niet wat hij meemaakt: zoveel enthousiaste inzet van vrijwilligers. Hij kan zijn geluk niet op als mensen zich bereid verklaren ook in de toekomst te willen helpen bij het schoonmaken en herstel van oude routes.

Nu is het dan zover: de eerst echte schoonmaak van een devotie-plek nabij de Jo-ru-ri-ji tempel. De twee hebben alles tot in de puntjes voorbereid: een A4-tje geeft gedetailleerde informatie over de locatie, de vereiste werkkleding (laarzen aanbevolen, werkhandschoenen verplicht), benodigde gereedschap, tijdschema en wat er precies moet gebeuren. Mondeling vult Endo dit nog aan met waarschuwingen voor slangen, bloedzuigers, teken en duizendpoten inclusief demonstratie van E.H.B.O.-middelen bij een onverhoopte beet of steek. Bepakt met rugzakken, schoppen, bezems, harken, zagen, snacks en drank dalen we via een smal paadje langs een stijle helling 900 meter af. Daar steken we een – stinkend – riviertje over om 20 meter verderop bij de ‘devotie-plaats’ te arriveren: ‘Okuno-in’ genaamd, een gewijde, maar nu verwaarloosde plek langs de route, waar pelgrims stilhouden om te rusten, bidden en te offeren.

Eigenlijk niet meer dan een enorme partij stenen. In één ervan is een Boeddha-figuur gegraveerd, ooit door natuurgeweld in tweeën gespleten. Water stroomt tussen de stenen, maar is zijn bedding kwijt en waaiert nu alle kanten uit. Drie stenen figuren houden de wacht. Er staat een verroest schrijntje en dito offertafeltje. Een stapel hout en golfplaten herinneren aan een afdakje dat er ooit stond. Overal boomstammen, takken, blad en stenen. Werk aan de winkel. Het A4tje spreekt van een A- en B-team voor het zware, respectievelijk lichtere werk, maar niemand deelt in. Het loopt allemaal vanzelf. Als mieren bewegen de mensen tussen stenen en bomen, verslepen boomstammen, golfplaten, zand, takken en rottend blad. In het bos reageert iedereen even hoffelijk op elkaar als altijd en overal met een beleefd “neem me niet kwalijk” en “hartelijk dank”, soms op het komische af. De thermometer geeft 32 grC. aan, maar rivierbedding en bladerdak houden de temperatuur zo’n 10 graden lager.

Op een enkeling na klauteren de meesten voor de lunchpauze de helling weer op om bij de Jo-ru-ri-ji tempel iets te eten. Hiroe en ik hebben rijstballen, respectievelijk boterhammen meegnomen waarvan we genieten in gezelschap van Endo-kun. Die troont ons na de maaltijd mee naar de gespleten Boeddha, boven. Van dichtbij herkennen we de gravure en zien dat boven- en onderkant van de figuur door de breuk van plaats zijn gewisseld.

De zwaarste klussen zijn vòòr de lunch geklaard zodat het werktempo ’s-middags iets lager ligt. Eén van de deelnemers staat de godganse dag in z’n eentje en volstrekt zwijgend het hoger gelegen vijvertje uit te baggeren zodat het water van daaruit weer gekanaliseerd zijn weg naar beneden kan volgen. “Priester van een naburige tempel” krijg ik ingefluisterd door Riyoko-san terwijl zij enkele meters daarvandaan een beeld afsopt. Zelf is ze archeologe en runt een koffiehuis. De sfeer is gemoedelijk en relaxed. Endo in zijn nopjes.

Tegen vier uur is het werk voltooid. Ter plekke stuurt Endo een foto van het opgeknapte oord naar een ‘wikipedia-team’ dat in een cafeetje bij de Jo-ru-ri-ji zit te werken. Voor we de helling terug naar de tempel beklimmen de onvermijdelijke groepsfoto met steevast een tweede en derde opname – voor de zekerheid.

Aangekomen op de parkeerplaats dankt Endo-kun iedereen hartelijk voor de inzet. Dan volgt het typisch trage vertrek zoals ik dat al zo vaak heb meegemaakt aan het eind van een werkdag in ons voedselbos. Het Japanse groeps-gevoel toont zich op zo’n moment op z’n sterkst. Mensen blijven gewoon staan alsof individueel vertrekken onfatsoenlijk is. Ook al heb je niets meer te doen of te vertellen, je wacht geduldig. Schuilt er soms een verborgen hiërarchie achter de volgorde waarin iemand zich uit het gezelschap los mag maken? Bekend verhaal is dat niemand vòòr de baas van zijn werk vertrekt. Wij vormen toch een informele club die niet op een vertrekseintje van Endo- of Yoda-kun staan te wachten?

Uitsluitend Hiroe en ik worden nog even voorgesteld aan het wikipedia-team in het eettentje naast de tempel. Als we daarvan terugkeren treffen we het gezelschap nog in dezelfde formatie en op dezelfde plek aan. Wij nemen in elk geval wèl afscheid en als we de parkeerplaats zwaaiend naar de achterblijvers verlaten, voelt het alsof we door een erehaag rijden. Eenmaal op straat vangen we nog net een glimp op van het duo Endo-Yoda, dat in een vrachtwagentje op weg gaat om het grof vuil van die dag op te halen.

De abt van de Jo-ru-ri-ji-tempel, waar Okuno-in onder valt, is blij, Endo-kun tevreden en de pelgrimshalte spic en span. Toch is er nog een vuiltje aan de lucht: het stink-riviertje.

Rioollucht en geur van varkensmest stijgen eruit op. Onttrokken aan het oog ligt in de buurt van tempel en schoonmaak-plek een varkenshouderij, die afvalwater en gier loost op het riviertje. Behalve dat blokkeert de eigenaar de doorgaande pelgrimsroute. Wandelaars worden weggejaagd door een roedel verwilderde honden. Net als diverse ‘recycling-bedrijven’ daar in de buurt bevindt de varkenshouderij zich op de grens van twee provincies, gevolg: minimale controle en maximale ontduiking van verantwoordelijkheden.

Endo-kun is momenteel in een juridisch gevecht gewikkeld met de eigenaar over  informatie op zijn wandel-website betreffende de stank, honden en blokkade. De varkensboer voelt zich in goede naam en faam aangetast en eist rectificatie plus schadevergoeding. Onlangs deed de rechter uitspraak waarin Endo gedeeltelijk werd veroordeeld tot rectificatie en betaling van schadevergoeding. Er zou te weinig bewijs zijn. Beetje David-Goliath gevecht, maar Endo gaat in beroep. Via een kennis brengt Hiroe hem in contact met een hoogbejaarde, maar vitale en vooral briljante advocaat, die het vonnis bestudeert en hem gaat adviseren.

Zelfs nadat die juridische lucht geklaard is zal het nog wel even duren voor er een frisse wind over het oude pelgrimspad waait.

KAST-STEL

“We leven in netwerken waarin dingen met elkaar en met mensen zijn verbonden” 1

De hoofdmoot van deze blog-bijdrage was een maand geleden klaar. Toen viel Rusland Oekraïne binnen en begon de oorlog. Tegen die achtergrond verloor het blog- verhaaltje op slag elk belang en betekenis, ook al gaat het over (de schoonheid van) een breuk.

‘Breuk’ is ook de titel van een monumentale roman, die ik begin februari las, geschreven door de Spaans-Argentijnse auteur Andrés Neuman. Hoofdpersoon is meneer Watanabe, een Japanner die als enig gezinslid in 1945 de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki overleeft. Bommen, waarvan het twijfelachtig is of ze nodig waren om Japan de oorlog te laten beëindigen. Zijn leven lang probeert Watanabe in het reine te komen met het verlies van ouderlijk nest en de nucleaire verwoestingen. Hij groeit op bij familie in Tokyo en brengt zijn werkzame leven door in achtereenvolgens Parijs, New York, Buenos Aires en Madrid. Op elk van deze plekken woont hij een aantal jaren en knoopt er relaties aan. Maar elke verhuizing betekent ook weer een breuk met zijn geliefden.
Uiteindelijk keert Watanabe als pensionado naar Tokyo terug, waar hij de aardbeving, tsunami en Fukushima-kernramp van 2011 meemaakt. Op TV ziet hij dan een documentaire over de nucleaire catastrofe van Chernobyl en mijmert over Kintsugi, “de (Japanse) kunst om barsten te repareren zonder ze weg te moffelen,….. om te repareren door de breuk te laten zien.” De roman is doorspekt met politieke gebeurtenissen van de afgelopen decennia die het wereldnieuws haalden. Poetins actuele oorlog, nucleaire dreiging en de huidige toestand van de Chernobyl-centrale hadden ongetwijfeld een plaats in ‘Breuk’ gekregen ware hij nog onvoltooid.

Over verbanden en verbinden – een veredelde herinnering.

’Met Velpon zie je er geen barst van’. Deze reclameslogan voor huishoudlijm moet mijn moeder in de jaren vijftig als muziek in de oren hebben geklonken. Ze lijmde er een gebroken antieke porseleinen kom mee. Uit haar handen geglipt tijdens een voorjaarsschoonmaak. Een mooie breuk, dat wel. Maar de overvloedige lijm ging op den duur lelijk verkleuren en weersprak zo de gevleugelde reclamespreuk.
Voor mij heeft die kom een speciale betekenis en bij de verdeling van de nalatenschap is zij bij ons terecht gekomen samen met een Delfstblauwe dekselvaas . Beiden sieren nu onze keukenkast. Ze hebben iets met elkaar, maar daarover later meer.

Compleet tegengesteld aan ‘onzichtbaar’ verlijmen kent Japan een andere manier om keramiek te restaureren: kintsugi (kin betekent goud en tsugi verbinden). Met goud- of zilverpoeder gemengde lak houdt de scherven bij elkaar. Het is een eeuwenoud ambacht, waarbij ‘barsten’ juist worden geaccentueerd, breuklijnen opzettelijk zichtbaar gehouden. Was het object vòòr de breuk al mooi, dankzij kintsugi wordt zij erna nog dierbaarder. Japanners beschouwen het als een ode aan de onvolmaaktheid. Achter kintsugi schuilt de gedachte dat ook alledaagse en gebroken voorwerpen onze aandacht en koestering verdienen 2.
Geconfronteerd met een doos scherven zal niet elke restaurateur zich van deze diepzinnigheid bewust zijn. Kintsugi is erg populair zowel in Japan als elders. Daarmee is het oorspronkelijke ambacht meteen het werkterrein van beunhazen geworden en van mensen die er een leuke hobby of lucratieve therapie in zien 3. Er bestaan goeroes die kintsugi workshops aanbieden voor het helen van gebroken relaties…..

Terug naar onze kom. Eenmaal in Japan ligt een hernieuwde restauratie met kintsugi voor de hand. Amateurs die we polsen vinden het te riskant. Hoe krijg je de scherven weer van elkaar en ontdaan van oude lijmresten. Tot we kennismaken met Sunano-san, een gepensioneerde ingenieur en serieuze kintsugi liefhebber. Hem vertrouwen we de kom toe. Hij weet de Velpon los te weken, de breukvlakken schoon te maken en de scherven met goudlak weer aan elkaar te zetten. Wat vroeger een lelijk spoor van Velpon was is nu een prachtig goudadertje. En warempel: de barst veredelt de kom, zij schittert als nooit tevoren!

Zoals gezegd, heeft de kom voor mij speciale betekenis. Dat dringt pas door sinds wij in Japan en in het huidige huis wonen.
Als kind groei ik op in een monumentale boerderij, ‘De Boswaay’ genaamd, een havezaat uit 1749. In de zijgevel prijkt een adelijk wapen. Eigenaren zijn inderdaad grootgrondbezitters met blauw bloed. Ze bezitten het halve dorp.
Mijn vader pacht aanvankelijk boerderij en grond van een baron. Later koopt hij dit van een jonkheer, erfgenaam van de baron. Twee keer per jaar houden de baron en later de jonkheer zitting op ‘De Boswaay’ om in contanten de pachten van dorpelingen te innen. De baron overnacht bij die gelegenheid in de ‘baronskamer’ op de eerste verdieping. De jonkheer zet de halfjaarlijkse pachtinning op de boerderij wel voort, maar logeert er niet meer. Zodoende blijft er meubilair in de baronskamer achter waaronder de bewuste kom. Mijn moeder ziet in het voorwerp een ‘antieke melkkom’ en zet haar naast ander decoratief vaatwerk op een kast, waar ze geen andere functie heeft dan stof te vergaren en bewaarrommel als elastiekjes, balpennen en speelkaarten.
De relatie met de Jonkheer is zakelijk, maar laat ook ruimte voor minder formele contacten. Zo schenkt hij bij het zilveren huwelijksjubileum van mijn ouders (1967) een Delftsblauwe dekselvaas, nu op de keukenkast in gezelschap van de ‘melkkom’. Als ‘De Boswaay’ op de monumentenlijst dreigt te komen kan mijn vader dat verhinderen mede dankzij succesvol lobbywerk van de jonkheer 4.

In 1989 leren Hiroe en ik elkaar kennen. Bij haar eerste bezoek aan mijn moeder valt Hiroe d’r oog op ‘de melkkom’, die ze onmiddellijk herkent als Japans Arita-porselein 5. Dat de kom Oosters was vermoedde ik wel, maar uitgerekend ‘Japans’ voelt dan alsof Hiroe haar uit een anonieme slaap wekt. Meteen valt de herkomst te reconstrueren: de Hollandse V.O.C brengt van midden 17e tot tweede helft 19e eeuw scheepsladingen vol Arita- oftewel Imari-porselein naar Europa. Zeer gewild in aristocratische kringen. De keramiek is zó populair dat Japanners, later Chinezen en zelfs De Porceleynen Fles in Delft ‘Imari’ op bestelling produceren. Verzamelaars laten speciale kasten maken om met hun Imari-borden, -vazen, -kwispedoors en -kaststellen te pronken. Een voorzaat van ‘De Boswaay’-adel was ongetwijfeld een ‘Imari’-klant en moet de kom ergens in de 18e eeuw op de kop hebben getikt. Bij welke gelegenheid en hoe zij uiteindelijk op de boerderij terechtkwam blijft een raadsel.

Ik geloof niet in voortekens maar de geschiedenis van de kom prikkelt wel mijn fantasie. Waarom hechten baron noch jonkheer aan de antieke kom en laten haar achter? Waarom uitgerekend een kwetsbaar Japàns voorwerp, dat 200 jaar lang een min of meer verborgen bestaan leidt op een boerderij, ergens in een verre uithoek van Nederland?  Legt haar aanwezigheid daar stiekem de kiem voor mijn latere  belangstelling voor het ‘Verre Oosten’?  Is de eertijdse combinatie van Japanse Imari met Delfts blauw het voorteken van een Nederlands – Japanse liefdesrelatie?

Feit is dat ik mijn eerste levensjaren doorbreng op een 18e eeuwse havezaat en mijn laatste opnieuw slijt op een 18e eeuwse boerenhoeve, maar nu in Japan. Wijst het wapen van ‘De Boswaay’ op eigenaars met blauw bloed, ook de ‘shishi’ 6 op het dak van onze huidige woning geven het een aristocratisch tintje. In beide gevallen gaat het om vroegere grootgrondbezitters wier eigendom is verkruimeld. Is de Imari-kom een ‘Fremdkörper’ in Nederland, het Delfts blauw is dat nu in Japan, terwijl beiden elkaar zowel dáár als hier uitstekend verdragen als een stel op de kast.
Wonderlijke parallellen?
Wij zien het kaststel niet als symbool van onze Japans – Nederlandse relatie, maar laten hooguit alles wat daarin onvolmaakt is schitteren als een kintsugi verbintenis. 

Kon het zo maar gaan in de ‘grote wereld’.

1 Wanna Oosterbaan in ‘Het leven van de dingen’ , Atlas Contact, 2021.
2 voor een korte heldere uitleg over achtergrond en betekenis van kintsugi zie: https://www.theschooloflife.com/amsterdam/blog/wat-het-zenboeddhisme-ons-leert-over-onze-gebroken-dromen/
3 ‘kintsugi’ levert op Google meer dan 4 miljoen resultaten op, variërend van serieuze keramiek restauratie tot allerlei recreatieve, ‘spirituele’ en commerciële activiteiten.
4 Dat maakte de weg vrij voor aankoop van ‘De Boswaay” door Rijkswaterstaat, die de boerderij in 1973 sloopte voor de aanleg van een weg.
5 Arita – bekend om zijn keramiekproductie – ligt op het zuidelijke eiland Kyushu, dichtbij de havenstad Imari, van waaruit de keramiek geëxporteerd werd. Later is de benaming ‘Imari-porselein’ gaan overheersen, zelfs voor imitaties uit China en Delft. De handelspost van de V.O.C. bevond zich op Deshima, een kunstmatig eilandje in de baai van Nagasaki, niet ver van Imari. Tussen 1659 en 1854 gingen scheepsladingen vol ‘Imari-porselein’ richting Europa.
6 ‘shishi’ of ‘komainu’ zijn mythologische leeuwfiguren ter afwering van kwade geesten; vaak te vinden aan weerszijde van de entree van tempels, schrijnen en huizen van welgestelden. Met Boeddhisme vanuit India via China in Japan terecht gekomen. De rechterleeuw heeft zijn bek open, de linker gesloten, daarmee de eerste letter (A) respectievelijk de laatste letter (UN) uit het Sanskriet alfabet symboliserend, oftewel de eindeloze kringloop van begin en einde, leven en dood. We hebben ons huis en activiteiten ernaar vernoemd: A.UN.HAUS

 

ECO-SALON

Deze week las ik in de Japan Times dat de vier grootste Japanse ESG- investeringsfondsen1 hun geld voor 95% in buitenlandse bedrijven steken. Slechte score op de ESG-meetlat en minder rendement van binnenlandse bedrijven zouden hiervoor verantwoordelijk zijn. Hun ondermaats presteren op gebied van duurzaamheid vind ik eerlijk gezegd zorglijker dan hun geringe winstgevendheid.

Nu staat er elke dag wel iets (alarmerends) in de krant over milieu en klimaat. Ook hoef ik maar gewoon om me heen te kijken om te zien hoe onverschillig hier met onze aarde wordt omgesprongen. Vraag me vaak af wie zich in Japan druk maakt over de natuur en het (toekomstig) leefklimaat. Waar is de Japanse Greta Thunberg of een strijdbare organisatie2 als de Nederlandse Milieudefensie?

Met de verloren slag om de aanleg van Narita Int. Airport nabij Tokyo (1967-1977) door studenten, locale burgers en boeren lijkt het activisme in heel Japan voorgoed uitgedoofd. De Fukushima-ramp in 2011 bracht nog even een massa tegenstanders van atoomenergie op de been. De regering sloot alle nucleaire centra. Maar inmiddels wordt de ene na de andere weer geruisloos in gebruik genomen…..’Harmonie’ is de norm, protesteren is lelijk. Big smile o.k. maar je tanden laten zien: ho maar.

Tegen deze achtergrond ontvangen we de uitnodiging voor een ‘Eco-salon’. Locatie: het gloednieuwe prestigieuze congrescentrum van de provincie Nara in Nara-stad. Een top-locatie. Organisatie: NEW (Nara Eco Wa), een ‘Regionale Raad ter bevordering van maatregelen tegen opwarming van de aarde’, een semi-overheidsplatform opgericht in 2008. 

We danken de uitnodiging aan de voorzitter van NEW, mevrouw Shimizu. We kennen haar met een andere voorzitterspet op: die van ‘Otentosan’, een stichting die 20 jaar geleden werd opgericht om zonne-energie te promoten als alternatief voor nucleaire stroom. We hebben goeie contacten met haar en haar stichting in verband met ons ‘zonnepaviljoen’ en onze duurzaamheidsambities. Medewerkers en vrijwilligers zijn veelal capabele vrouwen waarvan de kinderen uit huis zijn en de man ruimschoots de kost verdient. Omdat jonge aanwas ontbreekt hangt over de stichting inmiddels een sluier die even grijs is als de haren van deze 60-plussers. Het is als op allerlei gebied in Japan: ’n eenmaal in gang gezette trein dendert gewoon door op hetzelfde spoor tot het materieel wegens slijtage en ouderdom vanzelf tot stilstand komt of in elkaar stort.

We parkeren onze auto in de nagenoeg lege garage onder het luxe congres complex. Verpletterd door z’n hoge en wijdse architectuur (alsof binnenstadse vierkante meters niks kosten) worden we in de hal opgewacht door de vicevoorzitter van NEW. Hij brengt ons naar een zaaltje. Het interieur is van een universele saaiheid maar steekt daardoor aangenaam af bij de weelderige rest.
Ongeveer 20 personen zitten gemondmaskerd twee aan twee op anderhalve meter afstand aan gereedstaande tafeltjes. Een enthousiaste ‘Otentosan’-delegatie begroet ons. Aan hun donker kostuum, badge plus notitieboekje-en-potlood-in-de-aanslag zijn de aanwezige ambtenaren te herkennen. Ze spreken noch verroeren zich.

Na een welkom van de vicevoorzitter gaat het eerste van twee programma-onderdelen van start, getiteld: “Laten we samen de toekomst van iedereen maken”. Het is een voordracht door meneer Kiriyama over de milieu- en sociale initiatieven van AEON, de gigantische – internationale –  shopping mall-keten, bij welke hij al 48 jaar in dienst is.

Ondersteund door plaatjes, grafieken en tabellen legt hij uit hoe AEON zich inspant – ver voorbij de ESG-criteria – het milieu te sparen, sociale activiteiten te ontplooien en maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Hiroe fluistert mij geregeld de sleutelbegrippen in het oor zodat ik – samen met de geprojecteerde plaatjes – het verhaal een beetje kan volgen. Een greep uit de AEON duurzaamheidsactiviteiten: plastic vermindering, voorkomen van voedselverspilling, keuze voor hout- en papierproducten met FSC3  certificaat, inzameling van petflessen en voedsel-trays deels voor hergebruik, deels om te recyclen, verkoop van Fair Trade producten, een beurzenprogramma voor studenten uit ontwikkelingslanden, aanplant van bomen op ecologisch verantwoorde wijze (zo’n 12 miljoen in Japan zelf en Z.O. Azië).
Een indrukwekkende lijst. Zijn er nog vragen?
Hiroe steekt haar hand op en ontvangt de ontsmette handmicrofoon van de vice-voorzitter. Ze plaatst een kanttekening bij het succesverhaal en zegt: “Bij AEON worden alle koffiebonen voor de ogen van de klant her-verpakt: van het ene zakje in het andere. Herhaaldelijk meegemaakt. Het uitdrukkelijke verzoek om die verspilling achterwege te laten en de koffie in de oorspronkelijke verpakking te verkopen wordt resoluut geweigerd. Op grond van een wettelijk voorschrift. Hoe zit dat? “
AEON-san oftewel meneer Kiriyama is hier niet van op de hoogte, zal een onderzoek instellen en ons over de uitslag informeren.

Een korte pauze, waarna de tweede voordracht. Het woord is aan mevrouw Shimizu, nu als voorzitter van de Stichting Voedselbank Nara. Met een powerpoint presentatie en in een gloedvol betoog schetst ze de activiteiten van de voedselbank. Het gaat o.m. over voedselverspilling, wettelijke voorschriften i.v.m. voedselveiligheid, uiterste datum van smaakbehoud4 en over de invloed van corona op zowel donaties als aantal klanten. Veel cijfers. Geregeld valt het woord ‘mottainai’ (‘zonde om weg te gooien/verloren te laten gaan’).

In Japan – ’s-werelds derde economie – zijn voedselbanken onmisbaar. Het sociale vangnet is beperkt. Lonen staan al twee decennia op de nullijn, terwijl kosten van levensonderhoud stijgen. De pandemie doet er nog een schep bovenop: toenemende werkloosheid en faillisementen. Klanten van de voedselbank zijn veelal alleenstaande ouders en werkende armen, bejaarden met ontoereikend pensioen en – tot mijn verrassing – studenten. Die laatsten verloren hun (bij)verdiensten omdat de horeca, waar ze veelal werken, wegens corona gesloten is. Uit diezelfde horeca ontvangt de voedselbank dan wel weer onaangebroken voorraden, die anders wegens overschrijding van de ‘smaakdatum’ weggegooid moet worden en dat is natuurlijk ‘mottainai’. 

In het krachtige applaus dat mevrouw Shimizu na haar betoog ten deel valt klinken waardering, bewondering en aanmoediging door. Dan ontstaat een gesprek over de uiterste ‘smaakdatum’. De voedselbank accepteert enkel voedsel van één maand voor die datum. Zo’n datum wordt ‘veilig’ gekozen en ’n lichte smaakvermindering is niet perse hetzelfde als kwaliteitsvermindering betoogt Hiroe. Een beetje souplesse op dat punt zou de donaties van bijvoorbeeld AEON aan de voedselbank aanmerkelijk vergroten. Maar AEON-san torpedeert het idee onmiddellijk met een praktijkvoorbeeld: een AEON klant claimde ooit dat hij misselijk werd na het eten van een cake-je òp de uiterste smaakdatum.

Thuis grasduin ik met behulp van Google-translate nog eens in de websites van de verschillende organisaties. Met name de informatie op de NEW-site doet mijn aanvankelijke twijfel over deze organisatie verdwijnen: bijna een kwart-eeuw spant het zich in om op scholen en allerlei andere plekken het milieubewustzijn van burgers en bedrijven te versterken. Tientallen Youtube filmpjes instrueren kijkers hoe bij te dragen aan een schoner milieu met praktische tips over scheiding van afval, energie-zuinigheid, bewust autogebruik enzovoort. Alles in zulke vriendelijke bewoordingen en formuleringen dat achter elke zin een zonnige en vredige toekomst gloort.

Petje af ook voor betrokken burgers als mevrouw Shimizu. Ze trekt de kar van maar liefst drie, misschien wel meer maatschappelijke organisaties. Als een spin in het eco-web spant ze zich in om zoveel mogelijk mensen in beweging te krijgen voor zonne-energie, milieu-educatie en voedselbank. 

De eco-revolutie komt in Japan zeker niet op de barricades tot stand, maar misschien wel in een salon op toplocatie.

1 De ESG (Environmental, Social and Governance)-criteria vormen de drie belangrijkste criteria die gebruikt worden om de duurzaamheid en de ethische weerslag van een investering in een bedrijf te meten. In de jaren 90 zagen de eerste investeringsfondsen het levenslicht die ESG-criteria en financiële prestaties volledig integreerden en actief aandeelhouderschap in de praktijk brachten. (Bron: Wikipedia)
 Japan kent wel landelijke afdelingen van internationale organisaties als Greenpeace (behoorlijk actief) en FOEI (Friends of the Earth) dat minder aan de weg timmert.
 Forest Stewardship Council (FSC) is een non-profitorganisatie, in 1993 in Toronto opgericht op initiatief van milieuorganisaties uit 25 landen. FSC ondersteunt het internationale bedrijfsleven, overheden, maatschappelijke en milieuorganisaties om verantwoord beheer van bossen te bevorderen, met name in tropische gebieden. Dat gebeurt met het FSC-keurmerk, dat toegekend wordt aan hout, houtproducten en papier.(Bron: Wikipedia)
 Waar Europa een houdbaarheidsdatum hanteert geeft Japan met een datum aan tot uiterlijk wanneer een product zijn volle smaak behoudt.

DE EERSTE BOOM – Voedselbos 4

Een jonge boom planten? Gat graven en plant erin. Klaar. Een heel bos?  Zelfde handeling tot het hele terrein vol staat. Zo simpel ging het 25 jaar geleden toen we bij ons vorige huis in Nederland van een kaal stuk land een bosje wilden maken. In twee weekenden plantten we met vrienden meer dan 600 bomen en struiken, waarvan we tien jaar later weer eenderde rooiden. Eenmaal volgroeid vertrokken we naar Japan. 

Ik moet er vaak aan denken nu we hier een halve hectare verwaarloosde rijstvelden in een voedselbos willen veranderen. Die vroegere ervaring, wat lezingen en boeken over bodem, bomen en bossen hebben ons inmiddels wijzer gemaakt. Bodem voorbereiden, een beplantingsplan opstellen en vooral heel veel geduld hebben. In dat laatste worden we noodgedwongen getraind dankzij de corona-pandemie: enkele werksessies met vrijwilligers moesten we uitstellen of afblazen. Om dezelfde reden ging de opening van A.UN.HAUS op 17 april niet door. Bij die gelegenheid zou de eerste voedselbos-boom de grond in gaan.

Lang wachten drukt onze motivatie en tempert het vuurtje bij vrijwilligers. Dus prikken we een nieuwe datum voor het planten van de eerste boom: zondag 14 november. Die datum markeert min of meer de eerste verjaardag van ons project en valt mooi samen met het sluiten van de V.N. klimaat-conferentie in Glasgow. Zo plaatsen we een kleine gebeurtenis in ’n groot perspectief. We nodigen iedereen uit die in het afgelopen jaar bij het voedselbos betrokken was en maken er een feestje van.

Zo’n 26 mensen komen opdagen. Op zaterdag bereidt Hiroe de lunch voor, zodat ze op zondag de handen vrij heeft. Bovendien krijgt ze hulp van Yukiko. We kopen ballonnen en ik tuig hier voor het eerst de ‘muzikale windmolen’ op, die ik tijdens een Indonesië-reis 45 jaar geleden op Bali kocht. Geplaatst op de top van een bamboe-staak produceert hij bij het minste zuchtje wind een vrolijk melodietje. Hoe meer wind, hoe sneller de wieken draaien, hoe leuker de xylofoon klinkt en…hoe fanatieker de twee ganzen paren, die het gevaarte op de wind houden. Helaas. Het is wel zonnig, maar vooralsnog windstil.

We verzamelen ons in de tuin. Hiroe heet iedereen welkom. Ik hou een korte toespraak, vooral om de vrijwilligers in het zonnetje te zetten. Ook benadruk ik de lange adem en het geduld dat een voedselbos vergt, mede gesymboliseerd door de eerste boom: een ginkgo biloba, een van de oudste Aziatische boomsoorten. Kan wel 100 jaar worden maar groeit tergend langzaam. Dan is het woord aan Nozaki-kun, spil van de vrijwilligers en man van het eerste uur. Hij blikt vooral terug op de start van het project. Tenslotte spreekt Oyamada-kun, specialist bodemstructuur en waterhuishouding. Ik zie in hem een soort sjamaan met zijn wilde haardos en trage, bijna bezwerende manier van spreken. Hij draagt ’n Japanse pofbroek en galaxy-jack. Onder leiding van Oyamada-kun gaan we de ginkgo planten en hij belooft er een educatief evenement van te maken.

Tevoren hebben Hiroe en ik de plaats bepaald: op het hoogst gelegen en meest droge deel van het terrein. Een paar ballonnetjes fleuren de boel op. Het gezelschap verzamelt zich op die plek. Op dat moment heb ik nog geen flauw idee wat ons te wachten staat, behalve een gat graven, misschien een bedje van compost en hup, plant erin. Een uur later blijkt dat ik me met m’n Westerse doelgerichtheid weer eens vergist heb in een Japanse aanpak.
Ook tegen mijn verwachting in blijkt het boompje niet ín, maar óp de grond geplaatst te worden, voorafgegaan door uitgebreide voorzorgsmaatregelen en een Shintoïstisch ritueel.

In het kort: er wordt een gat gegraven – 80 cm diep, 15 cm(!) doorsnee – en gevuld met stenen. De uitgegraven aarde er omheen gespreid en bestrooid met houtskool. Daar bovenop een soort ooievaarsnest. Omstanders slepen het materiaal aan. Op de bodem een bedje van stro. Dan is het de beurt aan Miki-chan: liefhebster van tempelfestivals en Shinto-rituelen. Met een dennennaalden-tak in haar hand legt ze uit dat die symbool staat voor vruchtbaarheid. Oorspronkelijk gestoken in tanbo’s als smeekbede aan de goden om een overvloedige rijstoogst, inmiddels ingezet voor elke vorm van vruchtbaarheid. Dus waarom ook niet voor een voedselbos? Ze spreidt de naalden in ‘het nest’. Dan klappen we op haar aanwijzingen collectief twee keer in de handen, buigen en herhalen het klappen. Iedereen doet serieus mee, meer uit respect voor de natuur en zijn vitaliteit, dan uit vroomheid – denk ik.

Dan pas verhuist het ginkgo-boompje van zijn pot naar ‘het nest’ en wordt de ruimte tussen nestwand en kluit gevuld met blad en tuinafval, stevig aangedrukt. De wortels halen hun voedsel uit dat organisch materiaal en zoeken vanzelf de grond op voor water. Het smalle met stenen gevulde gat midden onder de boom zorgt voor beluchting van de wortels op hun weg naar de diepte. Oyamada-kun schept op deze manier de beste conditie voor de jonge boom op die plek. Hij heeft meteen gezien dat de bodem de uitputting door vroegere rijstteelt nog niet te boven is. Blauwgrijze ‘rottende’ klei die tijdens het graven naar boven kwam is daar een aanwijzing voor. In een natuurlijk bos is de bodem poreus, vol organisch leven en met een evenwichtige waterhuishouding. Hier is dat nog niet het geval en in haar eentje zal de ginkgo dat niet redden. Ze staat er nu kaal en eenzaam bij; ‘zij’, want het is een vrouwelijk exemplaar. Op (mannelijk) gezelschap moet ze even wachten. Het terrein is nog te nat. Komende winter graven we geulen en vijvers, bepalen we waar welke soort boom of struik komt en hoe een wandelpad gaat lopen. Met verdere beplanting en groei van het voedselbos neemt het organisch stofgehalte vanzelf toe en verbetert allengs de bodem. Die informatie krijgt het gezelschap later op de middag nog eens voorgeschoteld via een Youtube filmpje.

Met een groepsfoto sluiten we de boomplant-ceremonie af. De lunch wacht. Onder een heerlijke najaarszon geniet iedereen in de tuin van groentesoep, onigiri (rijstballen), yakitori (gegrilde kip), tsukemono (zelfgemaakte pickles) en groenteschotels; zoveel mogelijk met ingrediënten uit eigen tuin. Er heerst een ontspannen sfeer en het kost moeite om na de maaltijd mensen naar binnen te loodsen voor de vertoning van het videofilmpje.

Samen met Ando-kun heeft Hiroe de afgelopen weken voor een Japanse ondertiteling gezorgd bij de Nederlandstalige video “Meet je voedselbos-oogst”. Het gezelschap ‘zuigt’ de informatie op van voedselbos-pionier Wouter van Eck en de onderzoekers van Wageningen Universiteit. Bodemverbetering, toename van biodiversiteit en productiviteit zonder menselijk ingrijpen, op wetenschappelijke manier vastgesteld. Het maakt indruk.

De meeste mensen schuiven na de film nog even aan om na te praten onder het genot van thee en cake. Tijdens het gesprek dringen onverwacht de vrolijke noten van de muziekmolen binnen. Het gezelschap stuift naar buiten. Een Westelijk opgestoken wind scheert over de lege valei van het toekomstige voedselbos en zet de molen in werking. Een haast kinderlijke opwinding maakt zich van de toeschouwers meester. Het lijkt of de vrolijke klanken van de bamboe-xylofoon willen zeggen: eind goed, al goed. Een half uur later is het weer wind- en muisstil en iedereen naar huis.

De volgende ochtend komt de kweker op bezoek bij wie we de ginkgo kochten. Hij is nieuwsgierig naar ons voedselbos-project. Niet uit commerciële overwegingen maar vanwege zijn betrokkenheid bij een herbebossingsproject in Kizugawa, een ‘jonge stad’ in het naburige Kyoto. Het voedselbos-concept is iets nieuws en spreekt hem aan. Hij wil ervan leren. We bieden aan de Youtube filmpjes over voedselbossen met Japanse ondertiteling aan zijn staf te laten zien en over ons project van gedachten te wisselen. Hij ziet het helemaal zitten. Eerder dan verwacht en met nog maar één enkel boompje, maakt het voedselbos al nieuwsgierig. Wat moet dat worden?