MISO

Ooit miso-soep, edamame of tofu gegeten dan wel sojamelk gedronken? De ‘Japanse keuken’ is in het Westen doorgedrongen. Je telt niet mee als je nog nooit sushi of sashimi hebt gegeten, die exquise hapjes met o.a. rauwe vis, gedoopt in een paar druppeltjes sojasaus en een miligram wasabi. Is die populariteit te danken aan  verfijnde smaak of het gezonde imago dat ermee verbonden is?

Misschien voor 40 procent dat laatste, voor een tiende het eerste en voor het overige omdat het trendy is. Maakt niet uit, als je er maar van geniet. De Japanse keuken heeft inderdaad de naam ‘gezondste ter wereld’ te zijn. De levensverwachting is hier in elk geval het hoogst.

Het calorie-arme voedsel draagt aan zijn gezondheids-imago bij. Maar sla geen culinair tijdschrift op of laat je oog niet vallen op een kookprogramma op TV, want het frituurvet en de mayonaise spatten je tegemoet. Terwijl het Westen aan de magere sushi gaat, gaan Japanners zich te buiten aan Belgische frieten, Hamburgers en Kentucky Fried Chicken.

Overdreven weliswaar, maar wel een trend. Het gros van de Japanners houdt het nog bij traditionele gerechten met rijst, noedels, vis, (ingelegde) groenten en….sojaproducten. Vooral dit laatste schraagt die befaamde gezondheidsclaim. Soja is een goeie vleesvervanger en bevat ongeveer alles wat een mens aan voedingsstoffen nodig heeft. Bij de voedselschaarste in en vlak na de Tweede Wereldoorlog hield en hielp het de Aziaten op de been.

miso soep

edamame

natto

Misschien bestaat er ook wel verband tussen de hoge soja consumptie en de Boeddhistische regel vegetarisch te eten. Het verhaal gaat immers dat miso (soja pasta) in de 8e eeuw door een Chinese Boeddhistische monnik in Japan werd geïntroduceerd – note bene hier in Nara, bakermat van het Japanse Boeddhisme. Drie porties miso per dag en de monniken hadden genoeg om bijna onafgebroken soetra’s te kopieren. Natuurlijk pasten Japanners de smaak aan, maar de essentie van gefermenteerde sojabonen bleef onveranderd tot op de dag van vandaag. Miso is minder spectaculair dan sushi, maar de eeuwenoude voedingswijsheid die erin opgeslagen ligt, maakt hem onovertroffen. Sojaproducten zijn basisingrediënten voor de Japanse kok en wat zout en peper voor de Westerse keuken is, is sojasaus voor de Oosterse.

In de loop der jaren zijn ook mijn smaakpapillen gewend geraakt aan sojamelk, -saus, tofu en miso, de meest voorkomende sojaproducten. Zelfs ‘natto’ (gefermenteerde sojabonen) ben ik gaan waarderen. Een buitenlander die dit ‘stinkende’, slijmerige gerechtje (met stokjes) binnen weet te krijgen stijgt meteen hoog in de achting van Japanners. Het heeft even geduurd, maar het is me gelukt..

Het is nog niet zo lang geleden dat – tenminste op het platteland – elk huis zijn eigen miso maakte. Maar de twee- en driegeneratie families onder één dak zijn verdwenen en daarmee de eeuwenoude traditie van het zelf verwerken, inmaken en fermenteren van sojabonen. 

Ze worden nu industrieel verwerkt tot producten die je in de schappen van supermarkten vindt. Fijnproevers halen hun tofu, miso of sojasaus bij kleine producenten die zich onderscheiden door ambachtelijke bereidingswijzen en lokale recepten.

Maar niets gaat boven de home-made miso, zeker wanneer die nog verbonden is met de traditie van zelf-vervaardiging. Onze kennissen, Ikai- en Hisako-san, die ooit het hectische stadsleven van Osaka ruilden voor leven op het platteland proberen de zelf-maak cultuur levendig te houden en te stimuleren door middel van workshops. Van zo’n activiteit was ik onlangs getuige.

Met een vijftal andere deelnemers komen Hiroe en ik op een vroege zaterdagochtend bij elkaar in een soort ‘dorpskeuken’. Het gebouw, dat zijn beste tijd heeft gehad, fungeert als een goed geoutilleerde werkplaats voor dorpelingen om zelf geteelde groenten of fruit te verwerken tot houdbare producten of gerechten. Dat gebeurt collectief en al dan niet onder begeleiding van een ervaren ‘kok’. Dankzij de aanwezige apparatuur, kooktoestellen, werktafels en wasbakken wordt het werk lichter, dankzij het gezamenlijke werk aangenamer. Bovendien leren mensen van elkaar. Een praktisch en prachtig initiatief. Ooit floreerde dit centrum, maar door vergrijzing en bevolkingskrimp slinkt de belangstelling. Er wordt zichtbaar niet meer in geïnvesteerd. Rottende kozijnen, roestende apparatuur en geïmproviseerde reparaties kondigen helaas het begin van het einde aan. Maar deze neergang belemmert dit clubje niet om er ‘home-made’ miso te maken.

In de twee voorafgaande dagen heeft iedereen zijn voorbereidingen getroffen: het laten fermenteren van zowel sojabonen als van rijst. Elk brengt zijn eigen portie mee. Net als bij het brouwen van bier vereist het maken van miso strenge hygiënische maatregelen: vaatwerk, keukengerij en handen worden voortdurend ontsmet.

Hisako-san leidt de workshop, haar man doet de calculaties van mengverhoudingen en de eindafrekening. Er heerst een gemoedelijk sfeer. Iedereen heeft de volle aandacht bij zijn/haar productieproces. Niemand loopt een ander in de weg en iedereen steekt een hand toe waar dat maar geboden is. Hisako-san strooit haar instructies als terloopse opmerkingen rond terwijl ze met haar eigen portie miso in de weer is. Ze houdt ondertussen ook nog de curry in de gaten voor de gezamenlijke maaltijd aan het eind van de ochtend.

Er wordt behoorlijk wat zout gebruikt. Begrijp nu waarom je miso zo lang kunt bewaren en waarom het zo pittig smaakt. Om beurten meldt iedereen zich met zijn zout/rijst/soja-mengsel bij de ‘gehaktmolen’. Deze wordt ‘bediend’ door de echtgenoot van een van de deelneemsters. Een zwijgende man met vuurrood hoofd waarop een wollen muts. Over zijn winterkleding draagt hij een bloemetjes schort. Zijn verlegenheid wordt er nog  aandoenlijker van.

Na het malen kneed iedereen de pasta tot bollen die met een flinke uithaal in een bewaaremmer of pot worden gekwakt. Het smijtwerk moet voorkomen dat er zuurstof tussen de miso zit. De massa wordt stevig met de vuist aangedrukt en afgedekt met zout en een in alcohol gedrenkt velletje keukenpapier. Klaar. Dat wil zeggen gereed om ten minste een jaar lang te rusten en te rijpen op een koele plek. 

Zoals het maken zonder enige ophef verloopt zo verloopt het aansluitende schoonmaken: niemand die een ander iets opdraagt of voor de voeten loopt. Alsof mensen van nature hun taak zien en die in harmonie met anderen uitvoeren. Elke keer verbaas ik me in zo’n situatie over de soepelheid en intuïtieve afstemming tussen mensen. Misschien is er een ‘sociaal virus’ werkzaam in groepjes Japanners die samen iets ondernemen.

Tenslotte schaart iedereen zich rond een geïmproviseerde tafel. Hisako-san heeft voor rijst en curry gezorgd, anderen voor groenten, pickles, salades en andere gerechten. Er gaat een dampende ketel thee rond. Er wordt over van alles en nog wat gepraat. De man met het rode hoofd zwijgt nog steeds. 

Hiroe en ik vertrekken als eersten, tevreden over het resultaat van de werkshop: ± 5 kilo miso. Nog een jaar wachten en dan weten of het product geslaagd is. Voor nu weten we: dit is misschien een nieuw begin van een oude traditie.

WILDE KEUKEN

Op het menu van menig Nederlands kerstdiner staat ‘wild’. Hoort een beetje bij het seizoen, een knapperig haardvuurtje, een goed glas wijn en een pak sneeuw. Geen dagelijkse kost in ieder geval. Met dat idee verhuisde ik naar Japan en veronderstelde dat ‘wild’ in het land van vooral ‘verse vis’ al even bijzonder zou zijn. 

Japanners eten graag vlees: je vindt nergens zulke heerlijke (en dure) bief als dat van de roemruchte ‘wagyu’-runderen, die met bier en massage worden ‘verlekkerd’ (zo gaat het verhaal althans). Boeddhisme verbiedt het slachten van viervoeters, een regel die iedereen met de nodige korrels zout neemt. Al was het maar uit pragmatische overwegingen: bergstreken leveren nu eenmaal meer vlees dan vis. 

Nara herten Park

Wij wonen op het wildrijke en bergachtige platteland van Nara en onze diepvries puilt uit van wilde zwijnen- en hertenvlees. Dat laatste is curieus, omdat die beesten zo’n vijf kilometer verderop – in Nara stad –  als de heilige koeien in India gerespecteerd en behandeld worden. Ze lopen vrij rond in Nara park en omgeving en hebben voorrang op alle verkeer. Ze zijn een geweldige toeristische attractie. Het bedelen om koekjes zit al zo diep in hun DNA dat je een kopstoot kunt verwachten bij weigering ze te voeren. Mijn sympathie hebben ze niet, maar dat is niet de reden waarom ze op ons bord belanden.

We krijgen wild van bevriende jagers uit de omgeving. Altijd te veel. Dus gaat er geregeld een ingevroren boutje of ham naar anderen, al dan niet als ‘ruilobject’ voor de vele groenten, andere etenswaar of drank die we van hen krijgen. Wederkerigheid is de norm, niet te veel (dat verplicht) en niet te weinig (dan ben je een krent).

We delen het wild geregeld met een jong stel hier in de buurt, dat het stadsleven is ontvlucht en – gesubsidieerd – met biologische landbouw een nieuw en gezonder bestaan probeert op te bouwen. Nu ze aan den lijve ondervinden hoe hard het leven op het platteland kan zijn droomt de boer-in-spe van een curry-restaurantje en oefent deze specialiteit met wild uit onze diepvries. Zijn culinaire ambitie biedt meer inkomensperspectief dan wat hij ooit met biologische teelt kan verdienen. Hij had een lumineus plan: het bouwen van een ‘mobiel slachthuisje’ voor het wild dat jagers vangen. Maar het strandde helaas op geldgebrek en ambtelijke obstakels. Jammer, want zo’n professionele slacht zou meteen voorzien in de noodzakelijke keuring om het vlees te kunnen verkopen. Zonder dat is het vlees enkel voor eigen consumptie toegestaan en dat van de jager z’n kennissenkring, zoals wij.

proeven van curry met wild

Wild te over, consumenten te kort. Zo ontstaat een ‘stuwmeer’ van het heerlijkste wild in de plattelandse diepvrieskisten van allerlei particulieren. Nooit heeft er zoveel wild op mijn bord gelegen als in de anderhalf jaar dat ik in Japan woon. Eigenlijk meer dan me lief is. We hadden in Nederland onze vleesconsumptie juist gematigd.

Toen we hoorden dat gezonde dieren zelfs diepvries of stoofpot niet halen, maar door jagers worden begraven kwam Hiroe in actie. Op vakantie in Toscane proefden we ooit gedroogde en gerookte ham van wilde zwijnen. Peperduur, maar superlekker. Alle reden om deze Europese conserveringstechniek hier te introduceren. Hiroe werkte daarvoor samen met een bevriende jager uit de buurt, die enthousiast raakte en er zelfs een grote koelkast voor liet aanrukken. Daar hangen sinds het voorjaar een aantal gerookte hammen te wachten op consumptie. Prima van smaak, maar zonder vleeskeuring, iets waaraan de jager niet zo zwaar tilt, maar wij wel. In dunne plakjes gesneden en vacuüm verpakt deelt hij nu ‘proefpakketjes’ uit aan collega jagers.

Diezelfde jager belde ons een tijdje geleden met het verzoek hem te helpen bij het villen van een wild zwijn. De prooi was al gedood en van zijn bloed en ingewanden ontdaan. We hielpen hem graag al was het maar uit een gevoel van wraakzucht voor het feit dat soortgenoten onze moestuin vlak daarvoor helemaal overhoop hadden gehaald. Het villen van het nog jonge beest was snel gedaan en Kurumai-san, bood ons daarna het complete varken aan. Afwijzen of protesteren was er niet bij. Zo liep de ‘vleespot van Sugawacho’ al weer over.

Wilde zwijnen zijn hier net als op de Veluwe een plaag. Rond ons dorp staan kooien, waar ze in gelokt worden. Jagen is nabij bewoning namelijk verboden. Het gebeurt maar zelden dat die beesten in zo’n val lopen. Onlangs was het raak en zag ik op mijn vroege ochtendwandeling zo’n exemplaar levend ‘achter de tralies’. Arino-san, een buurman, heeft hem gekild en gevild. 

Hij is de fanatieke zwijnen ver-jager van ons dorp. ’s-Avonds en ’s-nachts rijdt hij langs bosranden en rijstvelden om met rotjes en alarmpistolen het ongedierte te verjagen. Niets aan hem verraadt dat hij leraar klassieke Japanse litteratuur op een middelbare school was. Met zijn pensionering lijkt hij alles wat naar kennis, cultuur en burgerdom riekt achter zich gelaten te hebben. Hier geboren en getogen woont hij sinds zijn huwelijk in de keurige nieuwbouwwijk van een slaapstad verderop. 

wild kooi

Arino-san

Maar na het overlijden van zijn moeder keert hij terug om de zorg voor het ouderlijk huis op zich te nemen. Hij bivakkeert er vaak en we beschouwen hem als buurman. Arino-san is helemaal in zijn element sinds hij op zijn geboortegrond kan leven als een soort ‘vrije jongen’ temidden van de natuur en een wanordelijke bende.  

Hij houdt ervan met andere mensen op te trekken, te drinken en te eten. Hij is een van onze ‘wild leveranciers’ en Hiroe organiseert soms een partijtje met hem en zijn drinkmaatje, een andere buurman.

Het is onbestaanbaar dat Arino-san zijn buit niet deelt. Dus zitten we bij hem, met andere buren en veel drank op straat rond een geïmproviseerd vuur met kokende soepketel waarin het everzwijn ligt te garen. Een paar tuinstoelen en wat bierkratjes vormen het meubilair, (meegebrachte) drank staat overal op de grond. Even verderop smeult Arino-san’s verbrande huisvuil. Het is rond vier uur ’s-middags en nog licht. Behalve Arino-san’s zoon, Don-kun, treffen we de oud-voorzitter van de dorpsvereniging, die zich niet helemaal op zijn gemak voelt in Hiroe’ d’r aanwezigheid. Oud zeer over niet-lidmaatschap. Gewoontegetrouw schenkt iedereen iedereen bij hetgeen de drankconsumptie in hoeveelheid en snelheid behoorlijk opvoert. Stemvolume en lachsalvo’s nemen navenant in decibellen toe. Andere buren voegen zich bij ons. Het begint te schemeren. Don-kun schept de gloeiendhete soep met kluif en al in kartonnen bekertjes. Heerlijke bouillon. Alles gaat snel en met veel vrolijk kabaal. Arino-san hangt voortdurend aan de telefoon om meer dorpelingen rond de soepketel te vergaren. Dat lukt maar matig. Alleen een senior komt nog per ‘keitora’, het kleine vrachtwagentje waarover iedereen hier – behalve wij – beschikt. De weg is nu compleet geblokkeerd.

Inmiddels pikdonker zorgen het vuur onder de ketel, een bouw- en zaklamp voor wat verlichting. Dan doemt uit de duisternis de plaatselijke politieagent op, gewapend met een enorme pan. Arino-san heeft hem opgeroepen. Een welkome afwisseling in zijn anders zo saaie politiebestaan. Er gebeurt nooit iets in Sugawacho. Met een pan vol soep keert de glunderende diender terug naar zijn post. Tegen zeven uur lopen we kans aan de voorzijde te verbranden en op de rug te bevriezen, want de temperatuur gaat pijlsnel naar beneden.. Een voor een druipt het gezelschap af. Er valt niets op te ruimen. Dit is immers het domein van Arino-san en zijn wilde keuken.

EEN BERG HEILIGHEID II

De shukubo is een half-pension accommodatie. Het avondeten wordt geserveerd in een ruime en goed verlichte zaal. Net als alle anderen krijgen we een plaats toegewezen op de tatami vloer, naast elkaar in een van de twee tegenover elkaar liggende rijen. Geen tafels en stoelen. Wel kussentjes op de grond waarop je geknield met je achterste op de hielen dan wel in lotuszit plaatsneemt. Op verzoek krijg ik – gelukkig – een laag stoeltje. Onder de disgenoten geen monniken of andere tempelbewoners, wel verschillende buitenlanders. In het zwart gestoken jongemannen bedienen via het ruime middenpad. Elke gast krijgt een soort dienblad op poten voor zich (voor mij gestapeld), gevuld met een tiental vegetarische gerechtjes, warme en koude, mooi opgediend in afzonderlijke kommetjes. Geen bel of gebed, ieder begint voor zich, volgt zijn eigen ritueel en tempo. Er wordt amper en alleen op gedempte toon gesproken. We eten – uiteraard – met stokjes, waarmee je geruisloos minuscule hapjes uit de kommetjes rechtstreeks naar de mond brengt. Het is meer proeven dan eten en het gebruik van stokjes is een oefening in aandacht voor wat je oppikt. Heerlijk en gezond in meerdere opzichten.

Twaalf uur later, dus 6 uur in de ochtend, is er een dienst in de tempel. Gasten zijn daarbij welkom. Hier ben ik de enige buitenlander onder de deelnemende gasten. Wij boekten de Shukubo niet voor ‘brood, bad en bed’ alleen, maar ook om zijn religieuze reden van bestaan. 

Het vroege opstaan spoort met ons dagelijkse ritme, dus geen probleem. Buiten is het nog vrijwel donker wanneer we onze opwachting maken bij de ingang van de tempel. Daar ontvangen we wierookpoeder om in onze handen te wrijven. Binnen is het koud en voor elke gast is er een dekentje. Alleen kaarsen en lantaarns rond het altaar zorgen voor wat licht in de verder donkere ruimte. Blinkend koper van het ceremoniële vaatwerk reflecteert de schaarse verlichting. Wierook alom. Een bejaarde priester, gehuld in een meerlagig gewaad met goudbrokaat en een dikke witte shawl om zijn hals komt uit het duister tevoorschijn en neemt in lotuszit plaats op een verhoging pal voor het altaar. Wij kijken op zijn rug terwijl hij met vaatwerk in de weer is. Zowel links als rechts van hem knielt een vrouw in monnikskledij, maar zonder kaalgeschoren hoofd – dus geen nonnen. Er klinkt een gong. Startsein voor het reciteren van een aantal soetra’s, af en toe begeleid door het blikkerige geluid van cimbalen. De onverstaanbare teksten worden met luide stem langzaam, zangerig en plechtig voorgedragen. De hoge en lage stem van de vrouwen harmoniëren op wonderlijke wijze met de bas van de priester, soms onverwacht mooi meerstemmig, op het ontroerende af. De hele setting ademt een sfeer van ernst en echtheid. Eerder aards en alledaags dan hemels en verheven. De 60 minuten durende dienst is ongemerkt snel voorbij. Na afloop spreekt de priester de aanwezigen nog even toe. Maar wat hij zegt ontgaat me. Voel me genoeg gesticht door wat er aan zijn preekje vooraf ging.

Na het ontbijt treffen we E-i-ji-san en Yoshiko-san, een bevriend echtpaar uit Osaka. Ze zijn al vroeg met trein en bus op pad gegaan. Enkele maanden geleden daagde Eiji me uit met hem de oudste en langste pelgrimsroute naar de Koyasan te lopen. Een tocht van zes uur, waarvan het laatste in beslag genomen wordt door de gestage klim naar de top van de berg. Anders dan mijn uitdager ben ik geen getrainde wandelaar. Om mijn kansen op een succesvolle tocht te vergroten stelde ik Eiji voor in omgekeerde richting te pelgrimeren, dus van het eindpunt, de Koyasan, bergafwaarts naar de Jisho-in tempel in Kudoyama, het startpunt. Hij ging akkoord en zodoende treffen we elkaar op deze vroege zondagochtend bij de Shukubo.

Gevieren lopen we naar de Daimon (hoofdpoort) waar de route eindigt en voor ons begint. Ik schiet nog gauw een gemakswinkel binnen om water en sandwiches voor de lunch te scoren, want langs het 24 kilometer lange pad is niets te koop. We nemen afscheid van de dames, die de sacrale top van de Koyasan verder verkennen terwijl wij ‘het lager op zoeken’. Bij het eindpunt van onze tocht, later op de middag, zullen we elkaar weer treffen.

De tocht is oorspronkelijk gelopen en gemarkeerd door Kukai, zo gaat het verhaal. Om de 109 meter markeert een stenen zuil de populaire pelgrimsroute die net als de Koyasan zèlf op de werelderfgoed lijst van de Unesco staat. De zuilen zijn genummerd van 1 tot en met 180:  berg op tel je af, berg afwaarts tel je op. Het eerste traject gaat vrij stijl naar beneden, voor mij dan nog een bevestiging van m’n gelijk de route beter in omgekeerd richting te lopen. Al dalend probeer ik de getallen op de zuilen te ontcijferen. Soms lukt dat maar vaak ook niet. De stenen zijn dan te verweerd of ik herken het karakter niet. Het bergpaadje is smal, afwisselend modderig en rotsachtig, veel losse stenen en takken. Elke stap vergt aandacht waardoor ik soms een zuil mis en de tel kwijt raak. Het hoge naaldwoud op de hellingen biedt zelden een doorkijkje naar een dal of blauwe lucht. Sowieso ontneemt de concentratie op het pad me de kans iets van de omgeving in me op te nemen. Het is windstil en geluidloos op het kraken van takjes en glibberen van stenen onder onze schoenen na. Eiji gaat voorop en geeft het tempo aan. Zo lang we achter elkaar lopen zeggen we weinig. Alleen waar het pad breder en vlakker is trekken we samen op. 

Het is nog te vroeg voor ‘tegenliggers’, wandelaars die de route in gangbare richting lopen: van beneden naar boven. Maar na enkele uren passeren we de eerste pelgrims op weg naar de Koyasan. Ze moeten vóor daglicht zijn vertrokken want het is nog geen 11 uur. ‘Ohayo!’ (goeiemorgen!) klinkt het over en weer. Om elkaar doorgang te verlenen op het éénmans paadje drukt één partij zich tegen een zijwand of omklemt een boom. In het Japanse verkeer ben ik inmiddels  gewend aan smalle wegen en benauwde voetganger-routes: het passeren gaat altijd soepel en goed, je houdt scherp in de gaten wie initiatief neemt. Niet het recht van de sterkste, maar een subtiel aangevoeld voorrang geven/nemen maakt de passage mogelijk. Tot op afgelegen bergpaadjes dus. Degene aan wie je voorrang verleent reageert met een aan verontschuldiging grenzende dankbetuiging. Tenminste als het Japanners zijn. 

Rond het middaguur neemt het aantal pelgrims toe met een piek op de ‘rustplaats’, waar we onze lunch gebruiken. Een hoog gelegen, open en zonovergoten plek. Van daar kijken we op een kleine nederzetting in de oksel van twee bergkammen.

De helft van onze tocht zit erop.  Eiji besluit even van de route af te wijken om een heel oude Shintoïstiche Schrijn te bezoeken, ook al Unesco werelderfgoed. Voor mij betekent het vooral een extra afdaling en klim. De afdaling is zelfs zó zwaar dat ik spijt begin te krijgen mijn suggestie de hele route in tegengestelde richting te lopen. Het chagrijn neemt toe wanneer we nauwelijks meer dan de voorkant van het historische monument te zien krijgen. Eiji voelt de teleurstelling en stelt voor koffie te drinken in de woonkamer van een tot horeca omgebouwde boerderij vlakbij. Maar dat ‘bakje troost’ gaat ook weer aan mijn neus voorbij want de ‘koffiekamer’ is vol en aansluiten bij de rij wachtenden trekt ons niet. Dus onverrichter zaken maar weer de berg op tot we na enkele kilometers weer op onze pelgrimsroute zitten. De naaldbomen hebben inmiddels plaats gemaakt voor een gevarieerder vegetatie. Met het eindpunt in zicht gaat het bos over in hellingen vol kaki-boomgaarden. Kale bomen op een enkele vergeten kaki na. Fel oranje sieren ze als kerstballen het grijsbruine landschap. De fruitbomen zijn een teken dat we de bewoonde wereld naderen en inderdaad ontvouwt zich op een gegeven moment een wijds panorama: we kijken vanaf zo’n 300 meter hoogte op een rivierbedding met een stadje aan zijn oevers. Terwijl we even stil houden om van het uitzicht te genieten horen we het geluid van een drumband beneden. Er is een feest. Met een appje laat Eiji de dames weten dat we binnen 10 minuten onze eindbestemming – de Jisho-in tempel – bereiken. En dan volgt de afdaling. Nu nog trillen die laatste kilometers in mijn kuiten. Ben voorgoed genezen van het idee dat klimmen zwaarder is dan dalen. 

Yoshiko-san en Hiroe wachten ons op met de camera in aanslag. We hebben het gehaald in precies 6 uur onder aftrek van de rustpauzes. De schemer zet in en de temperatuur daalt. We bezoeken een onsen in de buurt. Niets relaxter en weldadiger dan een heet bad na zo’n inspanning. Maar je hoeft er geen pelgrimstocht voor te lopen. Hele families, groepen en individuen bevolken de baden en genieten na in het restaurant. Voor Japanners is niets heiliger dan een heet bad en een lekkere maaltijd. 

ÉEN BERG HEILIGHEID I

Zoals veel mensen ken ik de Fuji-san als hoogste en heiligste berg van Japan. Sinds vorig weekend is de Fuji – wat mij betreft – in heiligheid door een andere ingehaald: de Koya-san. Meer een berglandschap dan een piek en met zijn 900 meter niet zo hoog, maar met zijn 120 tempels wel zo heilig. 

Net terug van een studiereis in China sticht de Boeddhistische monnik Kobo Daishi oftewel Kukai er in de 9e eeuw een klooster. Het wordt en is nog steeds het centrum van het Shingon Boeddhisme: monniken en priesters van deze tak ontvangen hier hun training. Vanaf de tiende eeuw beginnen mensen Kukai als heilige te vereren. Hij zou nooit zijn overleden maar in een ‘eeuwige meditatie’ verzonken. Het Shingon Boeddhisme is populair en een onafgebroken stroom pelgrims uit heel Japan trekt sindsdien de berg op. Zodoende ontstaan er steeds meer tempels, waar al die pelgrims ontvangen worden. 52 ervan , de zogenaamde Shukubo, bieden overnachtingsmogelijkheden. Voorheen kwamen pelgrims allemaal te voet, nu grotendeels per touringcar, trein/kabelbaan of eigen vervoer. Toch is er een aanzienlijke groep mensen die – vaak gehuld in witte kleding – nog steeds de aloude pelgrimsroutes naar Koyasan lopen.

Zaterdagochtend . We arriveren bij de Shukubo, waar we gereserveerd hebben. Voor inchecken nog te vroeg beginnen we te voet aan een tempeltour. Als eerste bezoeken we de ‘Kongobuji’, hoofdtempel van het Shingon Boeddhisme. Een enorm complex en – zoals alle traditionele gebouwen – vrijwel geheel opgetrokken uit hout. Vooral de poorten en klokkentorens zijn kunstige constructies: ingewikkelde houtverbindingen, waar geen spijker of schroef aan te pas komt. De loopvloer ligt zo’n halve meter boven de grond. Sobere lange gangen met glimmend plankier leiden langs tal van lege ruimten, van elkaar gescheiden door schuifwanden. Aan de gangkant zijn ze open. Seizoensvoorstellingen van bomen en dieren op de panelen trekken alle aandacht.  

De tempel heeft ook een rotstuin, zo’n zee van aangeharkt grind waar hier en daar een rotspunt uit steekt. Tussen alle bezoekers ontwaar ik een enkele priester/monnik met kaal geschoren hoofd , gehuld in okergele gewaden en spierwitte ‘tabi’ (sloffen). De route leidt – merkwaardig genoeg – niet langs een ruimte voor religieuze diensten, de eigenlijke tempel, maar naar een enorme zaal waar je je meegebrachte lunch kunt gebruiken. Een zekere anti-climax. We verlaten het gebouw. Zijn geschiedenis is indrukwekkender dan zijn spirituele uitstraling.

De Koyasan en wijde omgeving is begroeid met enorme ceders (symbool van eeuwig leven) en andere pijnbomen. Vaak honderden jaren oud. Kaarsrechte kale stammen, 30 – 40 meter hoog met aan de top wat zijtakken, die het zonlicht mondjesmaat doorlaten. We passeren pagodes, poorten en tempels, maar gaan niet naar binnen. Frisse buitenlucht trekt meer dan wierookwolken binnen.  Aan de enige verkeersweg op de Koyasan liggen wat winkeltjes, eettentjes en souvenirshops. Voor het overige ommuurde klooster- of tempelcomplexen met ontzagwekkende poorten. Geen architecturaal machtsvertoon. De alles overheersende verticale ceders lijken de kloosterbouw in horizontale bescheidenheid te laten buigen. 

Zo bereiken we Oku-no-in, het beroemde kerkhof van de Koyasan met meer dan 200.000 (graf)monumenten. Hier rusten de resten van de heilige Kukai en van iedereen die een plekje in zijn buurt wilde hebben, al was het maar in naam. Want hoe groter de bouwwerken boven de grond, hoe minder stoffelijke resten eronder. Shoguns, Daimyo’s en andere heersers, helden en schurken uit het afgelopen millennium zijn hier – soms vergezeld van hun hele familie  – begraven of vereeuwigd in een monument. Van rijke families die zich een paar omheinde vierkante meters kunnen permitteren tot gewone stervelingen, aan wier leven een eenvoudig stenen zuiltje herinnert. 

Plots sta ik voor een glimmende steenmassa met de naam Panasonic erop. Blijkt geen sponsor te zijn maar een hommage aan iedereen die deel uit maakte van het aloude familieconcern. Ook Yakult eert er zijn familie met een blow-up van het karakteristieke mini flesje in glimmend graniet. Kamikazepiloten en andere gesneuvelden uit de tweede wereldoorlog worden er in steen herdacht. Er zijn monumenten voor slachtoffers van natuur- en scheepsrampen, vliegtuigcrashes en treinongelukken, en zelfs een voor de Fugu, de vis die enkel door speciaal getrainde chefs bereid mag worden. Is dit een gedenkteken voor de vis zelf, zo vraag ik me af, of een eerbetoon  aan slachtoffers die hij met zijn giftige gal en de kok met zijn onkunde hebben gemaakt?

Oku-no-in is een dodenstad waar het heerlijk toeven is, een prachtig park vol ceders die zich boven de graven verheffen als de zuilen van een gotische kathedraal. Wandelend over de ‘hoofdweg’ somt Hiroe namen op van historische figuren, die we links en rechts passeren, alsof ze de geschiedenis tot leven wil wekken. Veel oude verweerde stenen, bedekt met centimeters mos. Hier en daar schots en scheef staande of compleet ingestorte en met groen overwoekerde gedenkstenen. Nergens is het verval zo mooi als hier. 

De twee kilometer lange begraafplaats eindigt bij Kukai’s Mausoleum, het religieuze hart van de Koyasan. Hier rust de ‘levende’ Kukai, verzonken in eeuwige meditatie ter verlossing van alle levende wezens. Hier zetten monniken daarom tweemaal daags een maaltijd voor hem neer. Hier drommen mensen samen, branden wierook, reciteren hardop soetra’s, vouwen hun handen, sluiten hun ogen en buigen diep. Hier ontstaat een natuurlijke schifting tussen devote pelgrims en nieuwsgierige toeristen. Hier is fotograferen verboden.

Vlakbij het mausoleum een gebouw van twee verdiepingen, van onder tot boven gevuld met duizenden eeuwig – elektrisch – brandende lantaarns. Zij zijn afkomstig van gelovigen, die permanent in Kukai’s nabijheid willen vertoeven. Ik begeef me even tussen de rijen gloeilampen maar krijg het oneerbiedige gevoel in een tot lichtpaleis omgetoverde catacombe te zijn verdwaald. 

Vlak hierna nog zo’n bijzonderheid: een heuvel volgestouwd met Jizo-beeldjes.Ze staan er al een tijdje. Varens en ander groen dreigen ze aan het oog te onttrekken. Je komt Jizo’s, die schattige, vaak totaal verweerde beeldjes overal in Japan tegen. Jizo is een heilige, die – ondanks zijn Boeddha status – besloten heeft op aarde te blijven en zieken en zwakken te helpen, vooral (overleden) kinderen. Met het uiterlijk van een kind krijgen ze iets extra aandoenlijks wanneer mensen ze een gehaakt mutsjes opzetten of een ‘slabbetjes’ omknopen, vaak fel rood van kleur. Vrolijke noten temidden van de eentonig grijze steenmassa. 

We keren via dezelfde weg terug. Het begint te schemeren. Op donkere delen gaan automatisch lantaarns aan. Meer waakvlam dan verlichting. Het wordt allengs sfeervoller. Maar we hebben lang genoeg in dit memoriepark vertoeft. Tempeldiscipline vereist klokslag zes uur onze aanwezigheid bij het avondmaal in de Shukubo.

Bij het passeren van de ‘toerist information’ valt mijn oog op een poster voor het raam: ‘Oku-no-in Cemetery Night Tour ‘. ‘Tussen het vroege diner en het slapen gaan.’ 2500 Yen, Engelstalige gids.‘Grappige en enge verhalen op het kerkhof’. 

Overdag voor vrome pelgrims, ’s- nachts voor sensatiebeluste toeristen verdient Oku-no-in niettemin een plaats in de top tien van mooiste begraafplaatsen ter wereld.

OKASAN

Vanaf onze trouwdag zo’n kwart eeuw geleden genieten wij de aandacht van een (extra) Japanse ‘moeder’ : Okasan. Zij is inmiddels 95, woont zelfstandig, beschikt over een volle agenda en zit geregeld nog achter het stuur van haar auto. Een toegestoken hand accepteert ze zelden. Met een paarse spoeling in d’r haren en rood aangezette lippen ziet ze er altijd pico bello uit zonder haar leeftijd te willen verdoezelen. Haar stem kan nog een bataljon soldaten in het gelid krijgen, maar evengoed zachtjes vertrouwelijkheden uitwisselen. Ze is een zakenvrouw, organiseren en regelen zitten haar in het bloed. Kortom een persoonlijkheid, waar je niet zomaar omheen kunt.

Onlangs kwam Okasan bij ons op bezoek in het gezelschap van vier vriendinnen, die ze gecharterd had voor aanspraak, autovervoer en het aanslepen van een warme maaltijd voor zeven personen, voldoende voor een hele week. Niks instant. Ze heeft er twee dagen voor staan koken in het piepkleine keukentje van haar appartement. 

Okasan serveert haar eigen maaltijd bij ons.

We verwachtten van haar niet anders en weten al lang dat daartegen protesteren zinloos is. Koken, gerechten en (speciale) ingrediënten daarvoor spelen haar hele leven een belangrijke rol. Aanvankelijk als uitbaatster van een restaurantje dat ze sinds de geboorte van haar oudste zoon runde. Haar man zorgde voor voldoende inkomsten, maar d’r drang naar onafhankelijkheid was groter dan wat destijds van een moeder/echtgenote werd verwacht. Zij combineerde de rol van zakenvrouw met die van moeder, huishoudster en echtgenote.

Als horecaondernemer was ze tevens ‘mama-san’, de barkeepster/moederfiguur bij wie menige – mannelijke – gast zijn hart luchtte. Lang voor ik in Japan kwam las ik over dit verschijnsel in een boek van Ian Buruma en fronste mijn wenkbrauwen. Toen ik later in werkelijkheid volwassen heren aan een Tokyose bar als een jengelend kind de gastvrouw om whisky zag vragen kon ik mijn ogen niet geloven. Heren die bij daglicht de baas spelen over mensen en miljoenen gedragen zich na zonsondergang als kinderlijk afhankelijke wezens, hunkerend naar de aandacht van een mama-san. 

Ooit was Japan een matriarchale samenleving, waar vrouwen dus leidend waren. Nu domineren de mannen, in het openbare leven althans. Achter de voordeur zijn vrouwen nog steeds de baas. Vrouwen beheren vaak de bankrekening waarop het salaris van haar man wordt gestort en voorziet hem vervolgens van zakgeld. Veel Japanse mannen zien in hun echtgenote de vervanger van hun eigen moeder of koesteren zich in de aandacht van een mama-san.

In de vijfendertig jaar ‘waterhandel’, zoals het uitgaansleven in Japan wel heet, heeft Okasan een enorme mensenkennis opgedaan. Dat niet alleen. Ze heeft met ‘Genji’, haar kleine restaurant, de basis gelegd voor de grote, beursgenoteerde horeca-onderneming van haar oudste zoon. En daar is ze maar wat trots op. Bij bijzondere gelegenheden zet de bedrijfsleiding haar nog steeds in het zonnetje. Met (ex)werknemers uit de beginperiode blijft ze contacten onderhouden en bekommert zich om hun wel en wee, tot zelfs na hun dood door de verzorging van hun graven.

Okasan met Hiroe’s zonnebril (±1997) , door haar zoon gebruikt als icoon van horeca keten

Okasan was zeer ingenomen met onze verhuizing naar Japan, al had ze liever gezien dat we nòg dichter bij haar waren gaan wonen. Zij regelde destijds dat haar familie ‘stand-in’ was voor die van mij tijdens onze trouwceremonie. Een ludieke oplossing, die tot een hechte band met de hele familie Kobayashi leidde. Bij gevolg neemt Okasan als Mater Familias ook ons onder haar vleugels. Zelf geen meisje voortgebracht gaat ze met Hiroe om als was het haar bloedeigen dochter en behandelt mij als haar schoonzoon. De urenlange telefoongesprekken van Hiroe met Okasan lijken precies op die Hiroe eerder met haar eigen moeder voerde: een luisterend oor voor alles waar een moederhart van overloopt.

Ze vergeet dat ik nauwelijks Japans versta, laat staan haar dialect. Toch pakt ze me soms bij de arm, trekt me naar zich toe en spreekt me – dichtbij mijn oor – vertrouwelijk toe. Pas als het er echt op aankomt draagt ze Hiroe op te tolken. Ooit zat ik alleen met Okasan anderhalf uur op een terras terwijl Hiroe met Okasan d’r vriendinnen op koopjesjacht waren. Welwillend leende ik mijn oor voor een onafgebroken stroom verhalen zonder er maar iets van te begrijpen. Misschien klonk mijn begeleidend ‘hai’, ‘hai’ wel als een aanmoediging. Gevraagd bij terugkomst van Hiroe en haar vriendinnen of we ons vermaakt hadden riep Okasan in onvervalst Toyohashi dialect ‘jazeker, we hebben fantastisch met elkaar kunnen praten!’. Bij haar recente bezoek aan ons hebben we dat moment nog eens met veel plezier opgehaald.

Okasan beseft dat ze niet het eeuwige leven heeft, vooral nu haar generatiegenoten een voor een wegvallen. Ze is niet van plan om het leven zo maar te verlaten. In tegendeel. Ze zal de touwtjes in eigen hand houden tot de laatste snik. Om te vermijden dat ze door een onverhoedse overval van ‘Magere Hein’ geen fatsoenlijk afscheid kan nemen organiseert zij al vast haar ‘begrafenis’. Dat wil zeggen een groots feest, waarop ze haar toekomstige nabestaanden dankt voor alle goeds die ze van hen ondervindt. Zo organiseerde ze dit jaar alvast een ‘afscheidsfeest’ voor vrienden en enkele (ex)werknemers van haar eigen horecaonderneming en die van haar zoon. Een vrolijk eet- en drinkfestijn bij gelegenheid waarvan ze zich met het hele gezelschap op foto liet vereeuwigen. 

‘Begrafenis-party’ van Okasan ( met strik)

Voor volgend jaar staat zo’n ‘begrafenis’ voor haar familie op de rol. Wij horen daar uiteraard bij. Datum, hotel en eetgelegenheid zijn al gereserveerd. Ik begrijp dat het ergens aan de kust plaatsvindt op een plek waar met behulp van aalscholvers vis wordt gevangen. Niet meteen mijn favoriete uitje, maar het is Okasan d’r feestje.  

Als ik haar zo druk bezig zie dan denk ik dat ze makkelijk de 100 passeert en dus voorbarig is met haar ‘begrafenis-party’s’. Zij léeft nog steeds bij de gratie van haar zorg en aandacht voor anderen.

Okasan, een mooi mens, zorgend, regelend, heersend als een strenge moeder, icoon van wat ten diepste nog steeds een matriarchale samenleving is.