OVER EEN BOZE DORPSDOKTER, ATTENTE VERPLEEGKUNDIGE EN RELAXTE CHIRURG
Vlakbij ons huis is een kleine huisartsenpost gevestigd, bemenst door een arts en verpleegkundige. Omdat het maar twee ochtenden per week open is besluiten we patiënt te worden in een iets grotere vestiging zes kilometer verderop. De wachtruimte daar is illustratief voor het platteland: enkel gevuld met hoogbejaarden. Aanvankelijk dacht ik dat de luide stem van de dokter, die tot in de wachtkamer doorklinkt hier ook mee te maken had. Maar sinds hij die ook opzet wanneer wij op een krukje naast hem zitten weet ik dat dit bij zijn belerende en gebiedende optreden hoort. Voorzien van een mondmasker is zijn leeftijd moeilijk te schatten, begin 50 denk ik. Een ouderwetse plattelandsdokter, die weet wat goed is voor de patiënt en geen vraag, laat staan tegenspraak duldt. Mijn taalhandicap verhindert elk weerwoord, maar dat geldt niet voor Hiroe.
Hoe beleefd ze ook naar reden van doorverwijzing of alternatieven vraagt, hij ‘blaft’ haar op vijf neuslengtes afstand zijn visie toe. Punt uit. In coronatijd joeg hij ons zelfs een keer al tierend de praktijk uit tot we in onze auto zaten en hij via het geopende portierraam nog even de puntjes op de i zette. Met een volume alsof zijn boodschap voor het hele dorp gold. We twijfelen niet aan zijn bekwaamheid, ook niet aan zijn vriendelijkheid (op weg naar zijn werk claxonneert en zwaait hij amicaal als hij mij tijdens m’n ochtendwandeling passeert) maar zijn autoritaire bejegening begon ons tegen te staan. Het aimabele optreden van receptioniste en verpleegkundige noch de zachte knuffels op de balie van de kliniek compenseren voldoende om er langer patiënt te blijven.
![]() |
![]() |
We vinden een alternatief in Nara stad. Dichterbij en praktischer om een bezoek met bijvoorbeeld boodschappen te combineren. De kliniek ademt een totaal andere sfeer al lijkt het patiëntenbestand hetzelfde: merendeels (hoog)bejaard. Een huiselijke wachtruimte met schilderijen aan de muur, planten in de vensterbank, een kast met lectuur en muzak uit een gettoblaster. Drie rijen stoelen in theateropstelling kijken uit op een brede balie, waarachter een apothekeres en administratief personeel druk in de weer zijn. Elke aanmelding begint met een set formulieren, vragenlijsten en ander papier alsof ze de digitale boot gemist hebben. Computer en andere ICT worden wel volop gebruikt, maar het tastbare papier blijft favoriet en fungeert mogelijk als back-up, getuige de hangmappen-wand die van plint tot plafond gevuld is met uitpuilende patientendossiers.
Het personeel is uiterst vriendelijk en behulpzaam bij het invullen van formulieren en het controleren van je ziektekostenverzekering. Baliemedewerkers verzamelen alle gegevens in plastic hoezen ter voorbereiding van het gesprek met de arts. Daarvoor lopen zij of de verpleegkundige ook de wachtruimte in en hurken bij je neer om nog even de reden van je bezoek te horen of ontbrekende informatie op te vragen. In het openbaar, zonder vertrouwelijke toon. Bloeddruk meet je met een zelfbediening apparaat in de wachtruimte. Ook lengte en gewicht worden daar opgenomen. Soms krijg je een thermometer aangereikt om die even onder je oksel te steken.
Privacy? Japanners gaan er anders mee om. Ook met de relatie patiënt-zorgverlener, is mijn indruk. Ter vergelijking een Nederlandse ervaring van destijds met een recente Japanse. Hiroe en ik zitten in de wachtkamer van de Heusdense huisartsenpraktijk recht tegenover de deur waar de dokter zijn patiënten binnenroept. Bij het roepen van de volgende patiënt staat de arts in de deuropening pal tegenover ons. Hij kent ons goed, maar doet alle moeite zijn ogen niet met die van ons te kruisen. Terwijl Hiroe aanstalten maakt om even een blijk van herkenning uit te wisselen negeert hij die als ‘niet gezien’ en draait ons zijn rug toe. Shockerend naar Japanse maatstaven. ’n simpel knikje was voldoende geweest om te laten merken dat je geen lucht bent.
Begin oktober werd ik hier in het stadsziekenhuis geholpen aan een liesbreuk. Daarover later meer. Ik krijg – behalve met de chirurg – te maken met verschillende afdelingen en verpleegkundigen, waarmee Hiroe – wegens mijn taalprobleem – communiceert. Stuk voor stuk aandachtige, vriendelijke en voortvarend handelende vrouwen.
Anderhalve maand daarna zitten we – maar nu voor een afspraak van Hiroe,- in de wachtruimte recht tegenover de deur waar een verpleegkundige patiënten ontvangt. Tijdens een patiëntenwisseling kijkt ze mij aan en groet uitdrukkelijk. Ik herken haar niet en vraag me af waaraan ik haar vriendelijkheid te danken heb. Ze blijkt zich mij te herinneren van de liesbreuk-operatie. Na haar gesprek met Hiroe – een paar patiënten later – komt ze zelfs even naar me toe en informeert naar mijn conditie. Het is druk en de wachtruimte zit bomvol. Toch veroorlooft ze zich een paar seconden aandacht aan de ex-patiënt, die ze in mij herkent. Genoeg om het ziekenhuis nóg beter te verlaten.
Zoals in de eerder genoemde plattelandspraktijk zit je niet tegenover, maar naast de arts. Hij/zij in een draaiende bureaustoel, jij op een krukje. De dokter hoeft zich maar een kwartslag te draaien om bijna knie aan knie in je ogen of keel te kijken, je schildklier te voelen of met zijn stethoscoop je longen te beluisteren. Je kijkt mee op de computerschermen op het bureau. Ter plekke en al pratend tikt hij/zij alles wat van belang is in je digitale dossier. Consulten verlopen niet gehaast, maar aandachtig en doelgericht. Of je je op je gemak voelt hangt vooral af van de persoon van de arts.
Dat laatste ondervind ik op een bijzondere manier tijdens de eerder vermelde liesbreuk behandeling. In twee voorgesprekken maak ik kennis met de chirurg: een relaxte midden vijftiger, die uitlegt wat een hernia inguinalis is. Op een A4tje tekent hij wat zich onder mijn buikwand en in de liesstreek voordoet. Hij somt alle voors en tegens van een operatieve ingreep op en de risico’s die dit met zich mee zou kunnen brengen. Kijkoperatie of snijden, één, twee of drie overnachtingen, zegt u het maar. Aanvankelijk kies ik voor een klassieke operatie, maar bedenk me later, dus toch maar kijk-operatie. Opnieuw schetst hij op een A4tje wat zo’n ingreep inhoudt en wijst de plekken rond mijn navel aan waar drie sneetjes gemaakt worden om respectievelijk koolzuurgas, laparoscoop en instrumenten in te brengen. Hij zegt het niet, maar geeft me al snel het gevoel: die operatie? fluitje van een cent!
Op de afgesproken dag brengt Hiroe me naar het ziekenhuis, waar ik een kamer met drie andere patiënten deel, Het is 10.00 uur. Hoef niet méér mee te brengen dan een tandenborstel en…een incontinentieluier, iets dat me vreselijk tegenstaat ook al besef ik inmiddels te behoren tot de categorie grootste afnemers van dat product in Japan.

Hiroe blijft om te tolken. Verpleegkundigen komen langs om iets uit te leggen, steunkousen en een nacht/operatie-hemd te brengen, een polsbandje aan te legen of te scheren. Een van hen demonstreert een vertaalapparaatje Japans-Nederlands. Zolang de communicatie beperkt blijft tot dingen als ‘heb je pijn, wat is je geboortedatum’ red ik me zonder. Ook de chirurg kijkt nog even om de hoek: “om 14.00 uur ben je aan de beurt, tenzij er iets tussenkomt”. Het wachten duurt lang. Ik steek me in het lichtblauwe en vormloze hemd en we maken uit verveling wat baldadige kiekjes.
Om een uur of drie komt de chirurg me hoogst persoonlijk halen. Blij mobiel te zijn voel ik me nogal gegeneerd in zo’n belachelijke hemd over de drukke ziekenhuis gangen te lopen, maar in gezelschap van de in het groen gestoken chirurg slinkt die gêne. Bij de ingang naar de chirurgie afdeling nemen Hiroe en ik afscheid. We lopen in een stille brede gang op een dubbele schuifdeur af die de chirurg open tikt met de neus van zijn schoeisel. Handen op zijn rug en nog steeds ‘kameraadschappelijk’ naast me, loopt hij over van alles en nog wat te babbelen. Ik versta er niets van behalve dat ik zijn vierde operatie patiënt van die dag ben.

Na de automatische schuifdeuren komen we in een nog bredere gang aan het einde waarvan de operatiezaal. Ziet er op afstand uit als een theater met precies in het midden de fel uitgelichte operatietafel. Links en rechts ervan twee verpleegkundigen, onbeweeglijk als soldaten in de wacht. De enscenering geeft me het gevoel in een film te zijn beland in plaats van op weg naar een medische ingreep. Eenmaal op de tafel komen de vier verpleegkundigen accuut en kordaat in beweging. Ik krijg infusen aangelegd, moet mijn naam en geboortedatum noemen en aanwijzen waar ik geopereerd moet worden. De anesthesist schuift een plastic kapje over mijn neus en vraagt me een paar keer diep in de ademen. Dat is het laatste wat ik me herinner voordat ik – twee uur later – weer op de verpleegafdeling wakker word. Hiroe zit naast me. Zie en voel dat ik op van alles ben aangesloten. Even later verschijnt de chirurg om te zeggen dat alles heel goed is gegaan en geeft Hiroe een kleurenprint van mijn buikinterieur, waarop het gaasje te zien is dat mijn ingewanden voortaan binnenboord moet houden.
Na een vrijwel slapeloze nacht komt in de vroege ochtend een verpleegkundige me bevrijden van allerlei aansluitingen. Ik kan gelukkig weer zelfstandig naar het toilet. Inmiddels is het licht geworden en krijg ik een ontbijt geserveerd, waarvan de hoeveelheid voor mij op dat moment belangrijker is dan de smaak. Een assistent-arts komt even voorbij en wat later ook de chirurg. Als hij mijn ‘daijōbu’ (‘het gaat goed’) hoort, maakt hij weer snel rechtsomkeer. Volgende patiënt.
Hiroe komt me tegen 10 uur ophalen en we vertrekken na ontvangst van de ontslagbrief. Dan heb ik precies één etmaal aan den lijve Japanse gezondheidszorg meegemaakt. Klinkt misschien raar, maar déze ervaring had ik niet willen missen.


