RAMPENOEFENING

Via ons ‘wijkhoofd’ zijn we uitgenodigd deel te nemen aan een vrijwillige rampenoefening in Sugawacho op zondagochtend om 9.00 uur.  Geen overbodige luxe in een regio waar de natuur heftig tekeer kan gaan: aardbevingen, wervelstormen met wateroverlast en aardverschuivingen. Vandaag nog moesten in het Westen van Japan tienduizenden mensen wegens noodweer hun huis verlaten.

Er wordt regen verwacht. Daarom hoeven we ons niet eerst bij de krantenkiosk vlak bij ons huis te verzamelen, maar kunnen rechtstreeks naar de evacuatieplaats: de gymzaal van de basisschool 100 meter verderop. Het wijkhoofd brengt op zaterdagavond alle wijkleden persoonlijk hiervan op de hoogte. 

Zondagochtend. Tijdens mijn vroege ochtendwandeling zie ik al grote bedrijvigheid bij de brandweerkazerne op enkele honderden meters afstand. Een van de gehelmde brandweerlieden zwaait naar mij maar kan niet zien wie hij is; ik zwaai terug. 

Tegen negen uur melden we ons samen met onze buurvrouw bij de gymzaal. Het wemelt er van vrijwillige brandweerlieden en mensen in fluorescerende hesjes. Elke dorpeling ontvangt een plastic zakje om zijn/haar schoenen in te doen*) en een flesje water. We groeten bekenden. Nanami-chan, een meisje dat af en toe bij ons thuis komt om engels met mij te doen tikt mij op de schouder terwijl ik mijn schoenen uittrek. “Hello, how are you?”. 

Halverwege de enorme gymzaal staan zo’n 100 stoelen opgesteld met zicht op de zijwand. Pal ertegenover een 12 meter lange smalle tafel waarachter een batterij ‘officials’ van brandweercommandant tot schoolhoofd, van gemeenteraadslid tot de chefs de bureau van het plaatselijk postkantoor en stadhuisfiliaal, van de voorzitter van de federatie van dorpsverenigingen tot de locale veldwachter en een aantal ambtenaren. 

Lang niet alle stoelen zijn bezet als om 9 uur de dorpssirene loeit. Tussen de voorste rij die gevuld is met ‘gele hesjes’ en onze rij gaapt een groot gat. Het brandweer corps stelt zich met militaire discipline op in de ruimte tussen publiek en podium. De ondercommandant meldt zijn manschappen met een ferm saluut aan/af (?) bij de commandant die daarvoor van achter de tafel is gekomen. Een mevrouw aan het linker uiteinde van de tafel heeft een microfoon en leest het draaiboek voor. Ze volgt daarbij aanwijzingen van de brandweercommandant naast haar. Bij het oplezen van hun naam en functie staat elke ‘official’ op en groet het publiek met een buiging. Er volgen toespraken van de commandant, de federatievoorzitter, de politicus. Die laatste laat zich ondertussen uitgebreid met zijn eigen smartphone door een tafelgenoot fotograferen. Binnenkort zijn er verkiezingen.

Dan is het tijd voor de eerste ‘oefening’: het vouwen van slippers met kranten. Ik vraag me af of ‘slipper-origami’ bij calamiteiten wel de hoogste prioriteit heeft. Hiroe legt me uit dat dit schoeisel voor Japanners – zelfs in evacuatie centra – onmisbaar is. Via een groot scherm op het podium en simultane demonstratie van de voorzitter krijgen we instructies voor de vouwwijze. Dan mogen we zelf aan de slag met twee vellen krantenpapier, uitgedeeld door de ‘gele hesjes’. Iedereen stort zich braaf en vol overgave op het fröbelwerk. Veel mannen krijgen assistentie van hun (buur)vrouw. Ook ik knutsel na enig gehaspel een paar slippers in elkaar. Terwijl ik mijn blote voeten warm aan het lokale Nieuwsblad vraag ik me af hoe zo’n oefening in Nederland zou vallen. Bij gebrek aan volgzaamheid ontaardt zo’n exercitie er waarschijnlijk meteen in vrolijke anarchie.

Voor de tweede oefening zijn alle ogen weer gericht op het podium. Via een beeldscherm krijgen we te zien hoe je iemand in een rolstoel op een 10 cm hoog plateau krijgt en er weer veilig af. Tevens leer je de invalide uit de rolstoel te tillen, op een toilet te zetten en terug.

Aansluitend een ‘live’ demonstratie op het toneel waarbij het schoolhoofd als rolstoel-invalide figureert. Een vrouwelijke ambtenaar legt elke handeling gedetailleerd uit op een toon, die een kleuterjuf niet zou misstaan. Ik probeer het allemaal ernstig te nemen, maar kost me wel moeite. Hierna een praktijkoefening door alle aanwezigen, die in twee groepen worden verdeeld. Voor een aantal mensen, zoals onze buurvrouw,  een mooi moment om de rest van de rampenoefening voor gezien te houden. Wij blijven en worden door de voorzitter uitdrukkelijk uitgenodigd de rolstoel/toilet-oefening te doen. Met enige ervaring in invalidenvervoer rol ik Hiroe zo het plateau op en af en zet haar op het toilet. Andersom ben ik te zwaar om door haar getild te worden. Ik voel aller ogen op ons gericht. De fotograaf pikt ons eruit voor een plaatje. Lang van gestalte ben ik natuurlijk dé blanke allochtoon van het dorp. En mensen kijken daar niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk tegen op. 

Terwijl voor en achter in de gymzaal met rolstoelen wordt geoefend marcheert het brandweer corps naar buiten. In colonne vervoeren ze ‘kare-raisu’ (rijst met currysaus), door een groep vrijwilligsters in een geïmproviseerde gaarkeuken 50 meter verderop klaar gemaakt. Deze voedselvoorziening – hoor ik later – maakt deel uit van de oefening. Zo gauw de curriegeur de gymzaal binnendringt waar het publiek inmiddels een beetje aan zichzelf is overgelaten geeft de voorzitter het signaal ‘einde oefening’. Maar de meeste mensen zijn dan al op weg naar de uitreiking van de warme hap of naar huis.  Hiroe en ik (weer die blanke buitenlander!) worden nog even staande gehouden door een verslaggeefster van een locale omroep voor een paar vragen over onze ervaring.

Onder de overdekte fietsenstalling pikken we een plastic bordje ‘kare-raisu’ op met fris-zure pickles. Een informele lunch in de buitenlucht staand of leunend tegen een muurtje onder het afdak. Er wordt weinig met elkaar gesproken. Wie zijn bordje leeg heeft en niet voor een tweede ronde gaat stopt het met plastic bestek en al in de plastic zak waarin eerder de schoenen zaten en vertrekt daarmee. Sinds ik in Japan woon heb ik een soort plastic-allergie ontwikkeld. Al die meestal overbodige en kritiekloos geaccepteerde plastic gemaksartikelen dragen bij aan een echte milieuramp, die sluipender en op termijn dodelijker is dan welk natuurgeweld ook. Denk ik.

Terwijl ook wij op het punt staan huiswaarts te keren groet een brandweerman ons. We herkennen hem pas als hij zijn helm afzet. Het is Hasaka-san, baas van de lokale deurenwerkklaats en als zodanig betrokken bij de renovatie van ons huis. Hij was het die me ’s-ochtends vanaf de kazerne toezwaaide. 

Terugkijkend valt me op dat er weinig animo is bij de bevolking voor de oefening (nog geen vijf procent komt opdagen).  En dat ligt niet aan de regen, zoals de vicevoorzitter van de dorpsvereniging me wil laten geloven.  Ooit is dit ergens door een autoriteit voorgeschreven en sindsdien wordt het braaf uitgevoerd. Jaarlijks en ieder jaar met een ander aspect, zoals het protocol voorschrijft. Dit jaar voor de dertiende keer. Niemand die zich afvraagt of dit nog wel een zinvolle en effectieve voorbereiding is op grote calamiteiten. 

Ik vrees een ramp.

*) Het is een vaste gewoonte in Japan om bij binnenkomst van elke woning en veel andere gebouwen om je schoenen in de entree achter te laten en deze te wisselen voor slippers.

KURA KARA

Bij veel traditionele Japanse huizen staat – naast hoofd- en bijwoning – een witgepleisterd, hoog opgetrokken bouwwerk, de kura. Het is een enorme ‘kluis’, een bewaarplaats voor kostbaarheden. De wel 40 centimeter dikke muren en dito toegangsdeur beschermen de inhoud tegen brand, vocht, hitte, vorst en diefstal. Rondom een houten skelet zitten muren van verschillende lagen gevlochten bamboe met leem, stro en pleisterwerk: een meer dan 1000 jaar oude, maar nog steeds gevolgde bouwtraditie. Kura’s ogen fraai door hun eenvoud en steken wat dat betreft gunstig af bij de vaak druk versierde hoofdwoning. 

Wij hebben de kura bij ons eigen huis gesloopt omdat hij te slecht en te lelijk was om te renoveren. De aanblik van een gaaf en mooi exemplaar hoeven we niet te missen, want die genieten we bij onze buren. Op een plateau zo’n zes meter boven onze tuin verheft zich hun witgepleisterde kluis. Die verheven positie kent een curieuze achtergrond.

de inmiddels gesloopte kura

kura van onze buren

Een oudere dorpsgenoot, die in zijn jonge jaren veel bij de vroegere eigenares van ons huis (M-san) over de vloer kwam vertelt ons over de slechte verstandhouding tussen deze dame en haar – nu onze – bejaarde buur (T-san). T-san kocht een 8-tal rijstveldjes van M-san, zo ongeveer de laatste snippertjes van een ooit welgestelde familie grootgrondbezitters. Wanneer T-san een huis bouwt op het plateau tegen M-san d’r perceel verknalt hij lompweg haar fraaie karpervijver bij het verstevigen van zijn talud met stenen. De verhoudingen zijn dan voor goed verziekt. Als T-san ook nog het belendende stukje grond wil kopen om op het volledige plateau een ‘kasteeltje’ te kunnen bouwen krijgt hij nul op rekest. Met de kura op de rand van zijn plateau lijkt T-san vervolgens een opgestoken middelvinger naar zijn buurvrouw te maken. Speculatie van mijn kant natuurlijk. In elk geval begrijpen wij nu waarom T-san en zijn familie vragen over ons huis en zijn vroegere bewoners telkens snel afdoen met ’geen idee’.

Deze geschiedenis kennen wij nog niet als wij op uitnodiging van Junko-san, T-sans dochter, een kijkje nemen in hun kura. Achter de dubbele schuifdeur betreden we een met hout betimmerde ruimte. Alle wanden zijn voorzien van stellingen, die vol staan met dozen en kisten. Ook de middenruimte is bezet met spullen. Junko-san wil ons graag het lakwerk gebruiksgoed van haar moeder laten zien. Prachtige kommetjes, puntgaaf en verpakt in houten kistjes. Voor het laatst gebruikt bij de bruiloft van Junko’s ouders 60 jaar geleden. Waarschijnlijk een van de laatste keren dat een huwelijksceremonie thuis werd voltrokken, zoals tot dan toe op het platteland gebruikelijk was. Dat gold ook voor rouwrituelen. Bij zulke gelegenheden kwam het hele dorp in actie. Het gezamenlijk verrichten van taken ging gelijk op met het gezamenlijk bereiden en gebruiken van de maaltijd. Zodoende bezat elke familie kisten vol lakwerk: 50 tot wel 100-delig of meer, vaak van generatie op generatie doorgegeven. 

Junko-san en Hiroe in de kura

Als ‘Westerse trouwhotels’ en mortuaria van begrafenisondernemers hun intrede doen verdwijnen de dorpse trouw- en rouwbijeenkomsten. Het lakwerk blijft onaangeroerd in de kisten, veilig opgeborgen in de kura. De ‘plastic revolutie’ van de 50-er jaren degradeert het traditionele lakwerk verder tot ouderwets en onpraktisch vaatwerk uit grootmoeders tijd. Junko heeft het zelfs nooit in handen gehad en haar dochters kijken er al helemaal niet naar om. Zij wil het nu eigenlijk wel kwijt, maar haar 80-jarige moeder niet. En dus blijft het bewaard tot……

Zoals gezegd was ons huis ooit het bezit van een familie van grootgrondbezitters, die in de loop van de tijd hun land aan boeren in het dorp verloren. Op steenworp afstand staat nog zo’n huis, zij het van recentere datum. Sinds de laatste bewoonster van dat huis overleed is haar zoon, Arino-san, de eigenaar. Nu hij verantwoordelijk is voor het ouderlijk huis pleegt hij noodzakelijk onderhoud en ‘ruimt wat op’. Arino-san verbouwt in ons dorp rijst en egoma, een soort sesam (met bloedverdunnende werking) en verblijft zo veel in dat huis dat ik altijd veronderstelde dat hij er permanent woont. Feitelijk woont hij sinds zijn huwelijk in een 40 jaar oude nieuwbouwwijk van Nara-stad. Noch hij noch zijn zoon willen het (voor)ouderlijk huis bewonen. Ze houden het in stand en bewaren het tot…….

We kunnen het goed met hem vinden en onlangs liet hij ons het huis met zijn bijgebouwen, waaronder de kura, zien. Hijzelf was nog nooit in de kura geweest bekende hij. Bij afwezigheid van electriciteit schuifelden we bij het licht van zijn smartphone tussen vreemde objecten en kisten die onder de dikke stof-deken één grijs stilleven vormden. Ook hier weer kisten vol lakwerk, waarbij Arino-san zijn neus ophaalde en meteen instemde met Hiroe’s voorstel die kisten voor hem op te ruimen. We verlieten de kura en de nalatenschap van zijn moeder met een mooie hibatchi (keramische pot voor houtskoolvuur). 

dubbele kura deur bij Fumi-san

bijna lege kura met draagkoets

van de ondergang gered lakwerk

poets en selectiewerk

Tenslotte nog het kura-verhaal van Fumi-san, die in hartje Tokyo woont, maar in een vlak bij ons gelegen dorp een prachtig oud familiehuis bezit. Het huis is goeddeels gerenoveerd en wordt nu gebruikt voor culturele activiteiten en logies. Toen Hiroe haar onlangs bezocht was ze toevallig bezig in de kura op te ruimen en stond op het punt manden en kisten vol lakwerk weg te gooien. Ze was blij met Hiroe’s aanbod de hele partij over te nemen. Bij het ophalen keek ik even rond in de vrijwel lege kura. Mijn oog viel meteen op een 19e eeuwse draagkoets, tekenend voor de positie van de huiseigenaar en zijn familie. Fumi-san vertelde dat antiekdieven ooit een gat hadden geslagen in de dikke kura wand en er veel kostbaarheden uit hadden geroofd. En nu ze zelf de kura ontruimt, heeft ze eerst een antiquair de gelegenheid gegeven kostbare dingen te selecteren. Voor ons is ‘het restant’ nog waardevol genoeg om ze een poetsbeurt te geven en ze te bewaren tot…….we voldoende gave exemplaren bij elkaar hebben om er een handeltje mee te beginnen onder de naam ‘Kura Kara’ (uit de kura). In geld uitgedrukt is het lakwerk niet zo kostbaar, maar het vertegenwoordigt vooral een culturele waarde. En last but not least: het zijn juweeltjes van traditionele Japanse ambachtelijkheid. Dat gooi je toch niet weg?

DE LAATSTE KILOMETER

Met Yasuko, een Japanse vriendin die in Nederland woont, onderhouden we doorgaans digitaal contact via Line, het zusje van WhatsApp. Bij nacht en ontij bliept Hiroe’s smartphone vanwege haar chat-berichten, meestal vergezeld van een batterij foto’s. Stante pede – verslagen van een hyperactief en doorgaans vrolijke leven. 

Yasuko is BRM (Bone Rithm Moment)-therapeute en bezoekt twee keer per jaar haar Tokiose leermeester voor nascholing. Mooie gelegenheid elkaar dan weer eens in levende lijve te treffen. Net als de vorige keer (zie ’Schok van verandering’) spreken we halverwege de afstand tussen haar moeders huis en Sugawacho af. En ook nu weer kiest Yasuko een onsen (heet bronwater bad) als trefpunt. Deze keer is de onsen gevestigd in een voormalig theater zo heeft ze via Google uitgevonden. 

We verheugen ons op zo’n historische locatie en fantaseren over een oud, donker en in dampende waterbaden getransformeerd kabuki-theater ergens in het centrum van de havenstad Yokaiichi.

Rijdend op aanwijzingen van onze TomTom rest slechts één kaarsrechte laatste kilometer tussen de snelweg en plaats van bestemming. Een in-/uitvalsweg zoals je ze in elke Japanse stad vindt: links en rechts bebouwd met showrooms van alle automerken afgewisseld met  vestigingen van alle fast food ketens ter wereld. Kortom, één bonte en schreeuwerige reclamehaag. Naarmate de kilometer korter wordt en het horeca-karakter verandert van ‘snelle hap’ in ‘familie restaurant’ beginnen we te twijfelen of dit wel de plek is waar we een oud theater zullen vinden.

Bij ‘bestemming bereikt’ draaien we een vrij lege parkeerplaats op, vlak voor de ingang van Theater Café Onsen. Boven de entree steekt inderdaad iets van een toneeltoren in de lucht. Maar verder is het een groot karakterloos gebouw dat zich in niets van de omgeving onderscheidt behalve in het ontbreken van opdringerige reclame.

Meteen bij binnenkomst worden we door een enthousiaste Yasuko overvallen. We kopen een ticket voor een verblijf van twee uur en beginnen met uitwisselen van wederwaardigheden en presentjes. Yasuko maakt me blij met biologische kaas afkomstig van een Kinderdijkse boerderij. Een groot Hollands genoegen dat ik dankzij onze zuinige kaasschaaf zo lang mogelijk probeer te rekken.

De onsen scheidt ons naar sekse. Voor de dames heerlijk om ontspannen in een warm bad verhalen en ervaringen uit te wisselen. Zoiets gebeurt aan ‘mijn kant’ niet. Een tiental heren, naar schatting in leeftijd variërend van 30 tot 80 jaar, is erg op zichzelf en iedereen zoekt bij voorkeur een plekje op afstand van badgenoten. Zwijgen is troef. Je hoort alleen het opborrelende of neerkletterende water.

toren in de toren
blik vanuit de toren

 

Na driekwartier hou ik het voor gezien en keer terug naar de lobby, waar ik me op een van de bedbanken neervlij die langs de halfronding in de ‘toneeltoren’ staan. Vandaar kijk ik op tegen een blank houten constructie, die in het midden van de ruimte oprijst. Een toren in de toren. Jonge stelletjes, gehuld in een soort unisex pyjama’s klimmen er blootsvoets in omhoog om op een van de drie verdiepingen in een knus kamertje te lezen of te relaxen. Via kijkgaten en smartphones houden ze contact met de ‘buitenwereld’.

Het maakt me nieuwsgierig naar de rest van het voormalige theater. Het moet een enorme omvang hebben gehad, want binnen zijn muren vind je behalve de onsen een massageruimte, restaurant, theeschenkerij, internetcafe, nóg een lees- en relaxruimte met zitkuilen en boomhutten. Hoe dieper ik het gebouw in ga des te schaarser wordt het licht. Ik bereik een zaaltje met life theater terwijl de toeschouwers bij gedempt licht zitten te dineren. Op weg terug naar de lobby passeer ik een glazen deur met daarachter een ‘capsule-hotel’: een wand met zo’n veertig éénpersoons-slaapcabines in twee rijen boven elkaar, af te sluiten met een gordijntje. Bij het zien van deze slaapdozen, waar je enkel horizontaal in kunt, begin ik al te hyperventileren en kan ik de gedachte aan Italiaanse begraafplaatsen niet onderdrukken. 

restaurant

relaxruimte

live theater

capsulehotel

Inmiddels is het enorm druk geworden met mensen van alle leeftijden. En dan te bedenken dat het een gewone doordeweekse werkdag is rond het middaguur. Vanwaar dit succes vraag ik me af. Het oorspronkelijke theater is waarschijnlijk een product van de Japanse zeepbel-economie, die eind vorige eeuw uit elkaar spatte. Veel Japanse steden zitten sindsdien in hun maag met een giga museum, theater, concerthal of ander prestigieus gebouw, dat gebukt gaat onder een niet aflosbare schuldenlast. Ze staan er nu bij als monumenten van overmoed, waarin bij gebrek aan budget niets (bijzonders) meer gebeurt. Hier dus niet. Een slimme manager heeft waarschijnlijk de eertijds onrendabele en elitaire cultuurtempel weten te transformeren naar een populair en succesvol wellness centrum: ontspanning, eten, drinken, baden en een vleugje cultuur. Een concept dat perfect past in de kilometer auto- en waterhandel*), waar we kennelijk zijn beland en waar consumeren en recreëren hetzelfde zijn.

M’n mijmeringen over de levendige business in dit recreatie-oord stoppen als Yasuko en Hiroe geheel ontspannen en met rooie koppen in de lobby verschijnen. Yasuko klimt nog even in de toren om ons van boven af te fotograferen. Een meisje van een jaar of 8 dat ons blijkbaar interessanter vindt dan haar ouders dartelt nieuwsgierig om ons heen. We babbelen wat met haar en ze maakt een kiekje met Yasuko’s telefoon.

We besluiten elders te lunchen, de ‘wereldkeuken’ ligt immers om de hoek. En zo zitten we vlakbij in een Tonkatsu-restaurantje. ‘Tonkatsu’, de knisperig gefrituurde schnitzel is een van mijn favoriete gerechten. De menukaarten bieden ze in allerlei variaties en combinaties aan. 

met Yasuko in het tonkatsu resaturant

Yasuko kiest voor dé specialiteit van het restaurant: een schnitzel van een ‘hybriede’ varken, het fokresultaat met drie verschillende rassen. De aardige bediende komt vrij snel na opname van onze bestelling melden dat de specialiteit uitverkocht is en put zich daarbij uit in alle mogelijke verontschuldigingen. Yasuko geeft blijk van haar – gespeelde – teleurstelling, kiest een alternatief maar ontbiedt meteen de baas van het restaurant. Ze verwijst daarbij naar de prominente vermeldingen ‘Klachten? Vraag naar de baas!’ en ‘Niet goed, geld terug!’. De bediende probeert er onder uit te komen door te zeggen dat die klachten enkel over smaak mogen gaan. Maar dat wakkert Yasuko d’r balorigheid juist aan. Ze wil minimaal een foto met de baas aan tafel als bewijs dat de slogan geen fake is. De truc werkt. Even later bij het serveren van de gerechten kondigt de bediende de komst – bij hoge uitzondering – van haar chef aan. 

Hiroe, restaurant baas en Jos

Terwijl we alledrie van een tonkatsu genieten komt hij naar ons toe: een keurige brildragende veertiger in hagelwit overhemd met stropdas. Op afstand maakt hij al diepe buigingen om vervolgens aan de rand van onze tafel door zijn knieën te gaan en vanuit deze nederige positie bloedserieus Yasuko’s ‘klacht’ aan te horen. Er was die dag zoveel vraag naar de specialiteit dat deze halverwege de lunchtijd al uitverkocht was. “Excuus, excuus, nogmaals duizend keer excuus; ik biedt u graag iets van de zaak aan”. Hierna komt hij overeind en schenkt met een big smile en deemoedig onze theekopjes bij. Dit vertoon van gedienstigheid en vooral de ingestudeerde glimlach waarbij hij zijn mondhoeken tot boven zijn neusvleugels trekt, zetten beide dames aan tot vrolijke plagerij. Onverstoorbaar legt hij uit hoe speciaal de hybride is en dat deze uitsluitend verkrijgbaar is in zijn twee restaurants: deze aan het einde, de ander aan het begin van ‘die laatste kilometer’. Yasuko ensceneert een foto van ons met de horeca-baas die prominent het bordje met de klachten-slogans omhoog houdt . Hierna trekt hij zich terug, maar blijft ons op afstand in de gaten houden. Als hij even later weer met de theepot langskomt vraagt hij uitdrukkelijk of alles naar wens is. Ja hoor, alles is heerlijk, behalve de geraspte rettich die volgens Hiroe te droog is. Hij bekijkt het witte bolletje rettich nauwkeurig en bevestigt de onvolkomenheid. Hij gebruikt daarbij zó’n stortvloed aan verontschuldigingen dat Hiroe hem onderbreekt met ‘zo is het wel genoeg’ en ‘u mag nu wel gaan’. Ik reken af. Met het gebruikelijke ‘gotchiso-samadeshita’ (het was heerlijk) verlaten we het restaurant en even later ‘de kilometer’ om Yasuko naar het station te brengen.

We zijn nog niet thuis of de telefoon ‘bliebt’: Yasuko’s fotoverslag van een dagje ‘théatre varié’

*) ander woord voor horeca in Japan.

SAKAI-SAN

Waarom bestaat er geen Nobelprijs voor vakmanschap? Als ik zie wat onze aannemer en zijn team presteren, hun inzet, vakmanschap en geweldige collegialiteit dan komen zij daar onmiddellijk voor in aanmerking. Nooit eerder zoveel en zo luidruchtig werkplezier in een bouw meegemaakt. Dan heb ik het niet over oorverdovende bouwradio’s, maar over de lachsalvo’s van de vaklui.

Die Nobel-pluim bewaar ik tot het afscheid of de borrel voor alle mensen die onder Sakai-sans directie aan ons huis hebben gewerkt. Ik weet al hoe de aannemer zelf zal reageren. Als altijd in zo’n situatie draait hij zich met een schamper lachje om en verzint een of ander klusje. Japanners houden wel van complimenten en zijn er zelf ook scheutig mee, maar onze aannemer is er wars van.

Sakai-san

eerste bespreking met de aannemer

Sakai-san (77), die net als wij in een krimpdorp woont op zo’n 30 auto-minuten bij ons vandaan is een kleine lokale ondernemer. Een bescheiden man van weinig woorden en zachte stem maar met grote zeggingskracht. Tenger van postuur ziet hij er altijd fris geschoren uit, draagt meestal jeans, een strohoed op zijn hoofd en sneakers aan zijn voeten. Zijn enorme ervaring met gecompliceerde (oude) bouwwerken gaf de doorslag voor hem te kiezen. En uiteraard zijn redelijke offerte. Aanvankelijk vragen we ons af of hij wel open staat voor eigentijdse materialen en voorzieningen, maar die angst blijkt al snel overbodig. Bij elke voor hem onbekende techniek of materiaal speurt hij het internet af en belt heel Japan rond tot hij precies gevonden heeft wat we willen.

in de weer met graafmachine

overleg met installateur water en elektra

Het bouwkundige inzicht van Sakai-san en de manier waarop hij met ons praat over wat wél of juist niet kan maakt een architect overbodig. Hijzelf tekent een plattegrond van ons huis met alle maten erin. Daarin geven wij de indeling aan. Kopietjes daarvan plakt hij op een stuk triplex en deelt deze uit aan timmerlui en installateur van water en elektra en ook weer aan ons. Het is een basisplan met ruimte voor aanpassingen en detaillering. Veel wordt gaandeweg beslist. Thuis berekent, plant en puzzelt hij, spreekt af met leveranciers en onderaannemers. Geen planborden, bouwvergaderingen of papierwinkel, maar informeel overleg ter plekke, soms geholpen door een schetsje of berekening op toevallig voorhanden karton of afvalhout. Een bijna aandoenlijke  eenvoud van werken. En dan te bedenken dat het niet over het opknappen van een tuinhuisje gaat, maar om een renovatieproject van een paar ton (Euro). 

Sakai-san met Kinia

Ko-chan (L) en Kinia (R)

Als voorstanders van duurzaamheid willen we ‘van het gas af’, goed isoleren, dubbel glas en vloerverwarming. Ook kiezen we een ‘westerse’ badkamer. In Japan is isolatie een vrij onbekend verschijnsel net als vloerverwarming met warmtepomp. Beide zijn een primeur en daarmee een uitdaging voor onze aannemer en timmerlui. Ze voeren het uit alsof ze nooit anders gedaan hebben.

Meestal reageert Sakai-san met een kort lachje als hij iets niet ziet zitten of onze wens overdreven vindt. Vooral ik ontlok hem nogal eens zo’n grijns met in zijn ogen onrealistische voorstellen. Nooit een minachtende reactie, laat staan botte afwijzing. Hij vermaakt zich met mijn onkunde en lijkt te denken: ‘daar heb je die oranda-jin weer’.

Kinia

Ko-chan

Sakai-sans zoon Kinia (45) is de enige werknemer in loondienst. Samen met zzp-er Ko-chan (50) doet hij al het timmerwerk. En dat is heel veel in een groot traditioneel hout-skelet-bouw huis als dat van ons. Zij vormen een fantastisch duo kwa samenwerking – Kinia is specialist in constructies, Ko-chan in detail-afwerking – en kwa werksfeer. Op het ochtendhumeur van Ko-chan na zijn beiden permanent in voor grappenmakerij en plagen elkaar voortdurend. Die vrolijkheid gaat nooit ten koste van aandacht voor werk, precisie en voortgang. Ze zijn vaklui met groot verantwoordelijkheidsgevoel. Het is  Sakai-san die de lat voor deze arbeidsmoraal zo hoog legt. Niet alleen voor zichzelf, maar voor iedereen die hij bij de renovatie betrekt. Hij heeft daar geen protocollen of procedures voor nodig, hijzelf straalt die norm eenvoudigweg uit. Op een haast vaderlijke manier geeft hij aanwijzingen, overlegt met betrokkenen en vraagt soms zelfs advies aan iemand als Ko-chan. Zijn aanwezigheid is onnadrukkelijk, maar altijd op de een of andere manier voelbaar.

vanaf links: Hiroe, Ko-chan, Kinia, deurenmaker en zijn assistent

vanaf links: Ko-chan, Kinia, Tatsumi-san/ kaboutertje en Sugi-san, de stukadoor

Van tijd tot tijd bedenkt Sakai-san een klus voor zichzelf, zoals het bouwen van een werkkeet, maken van een trap, het verslepen van zware stenen en het verrichten van grondverzet. In dat laatste lijkt hij vooral plezier te hebben. Met zijn oude vrachtwagen, die we al van verre horen aankomen, transporteert hij graafmachines van zijn werf naar hier. Hij lijkt helemaal in zijn element wanneer hij met die machines in de weer kan zijn. Vrachtwagens grond en tonnen aan steen heeft hij er hier inmiddels mee verzet. Bij de zware klussen laat hij zich graag assisteren door Tatsumi-san. Deze midzestiger is eigenlijk tegelzetter van beroep, maar omdat badkamers tegenwoordig kant en klaar als een (kunststof) unit uit de fabriek komen is er amper emplooi voor tegelzetters. We noemen hem gekscherend ‘kaboutertje’ vanwege zijn nijverheid en kleine postuur (15 cm gekrompen onder het tillen van te zware stenen naar eigen zeggen). Sakai-san bezorgt hem geregeld klussen. Zo staat kaboutertje dagenlang op ladders en stijgers   de beroete en zwaar onder stof en vuil zittende balken in onze keuken schoon te maken. Een rotklus, maar het is een opdracht van Sakai-san en dan doet hij dat met plezier. Mooi om te zien ook is hoe die twee met elkaar werken: de aannemer, die ‘de baas’ is maar zich daar volstrekt niet op laat voorstaan en kaboutertje, die een en al ontzag voor hem uitstraalt. Natuurlijk, het is zijn broodheer, maar ook afgezien daarvan respecteert hij hem. Andersom idem dito.

Tatsumi-san assisteert Sakai-san

Tatsumi-san als tegelzetter

Niet om kaboutertje te plezieren of hem nog eens in zijn vak te laten schitteren, maar we besloten – op het laatst –  tot een tegelwand in de keuken. Al heeft het iets weg van een  ‘copy-paste’- handeling kaboutertje brengt de mini-tegeltjes met grote toewijding aan. Niet zijn smaak, wel zijn trots.

 

OMOYA

Ooit had ik in Eindhoven een 100 jaar oud huisje in een rijtje van acht, allemaal met kleine voor- en heel diepe achtertuinen. Dat maakte die plek tot een uitzonderlijk groene oase midden in de stad. Het kleine huis was prettig primitief, maar ik droomde van een verbouwing waarbij het binnen en buiten soepel in elkaar overgingen, geïnspireerd door het boek  ‘A Japanese touch for your home’. Het is er niet van gekomen. Ik verhuisde naar een groter huis met kleinere tuin en leerde Hiroe kennen. Zij gaf het stadstuintje een ‘Japanese touch’ evenals – later – de grote tuin in Heesbeen.

Een bijna leeg huis met tatami-matten en soji-deuren overgaand in een mos-tuin met rotsen, water en gestileerde bomen bleef een mooie, maar irreële droom. Tot we in 2017 hier een huis op het platteland van Japan vonden. Een huis omgeven door groen en gebouwd rond 1750.

De eerste kennismaking ermee was via een makelaarswebsite en bestond uit niet meer dan een satelietfoto van een dichtbegroeide plek. Uit het gebladerte stak een dak. Dat was alles. De omschrijving was al even summier en eigenlijk niet meer dan een vooraankondiging: ‘binnenkort komt dit bijzondere object op de markt’. Nara-provincie, waar het huis stond, had onze vestigingsvoorkeur. Het was dus op z’n minst een bezichtiging waard.

Op een stralende dag en verwelkomd door het opgewekte gezang van een oegoeisoe stonden we voor het ‘naakte’ huis. Van het oerwoud, waarin het volgens de satellietfoto verborgen lag was geen blad of boom meer te bekennen. Die radicale kaalslag was noodzakelijk verklaarde de makelaar, we hadden ons anders met kapmessen een weg naar de voordeur moeten banen. Decennialang was het huis onbewoond geweest en had de vegetatie eromheen de bebouwing compleet overwoekerd. Later hoorden we van onze buren dat de ontbossing zelfs tot hún verrassing een ‘ido’ (waterput), ‘hanare’ (bijwoning) en ‘kura’ (opslagplaats) aan het licht bracht. Die hadden ze nooit gezien. Gevraagd of ze ooit een bewoner hadden waargenomen kwamen ze niet verder dan de vage herinnering aan een oude dame, die teruggetrokken leefde in de hanare. En ook nog dat er zich ooit een familie wasberen in het verborgen huis had genesteld.

omoya 2017

De ‘omoya’ (hoofdhuis) had een kwart millennium overleefd. Dat is al bijzonder in een land dat voortdurend geteisterd wordt door aardbevingen, tyfoons en huisbranden. Hoge luchtvochtigheid in de hete zomermaanden is verder een ideaal klimaat voor schimmels, wormen, witte mieren en andere op hout beluste insecten.

Particulier bezit valt hier buiten het blikveld van zoiets als monumentenzorg. De meeste eigenaren herkennen de cultuurhistorische waarde van hun erfgoed niet en verknallen het met ‘moderniseringen’, timmeren het waterdicht met plastic en roestende golfplaten of laten het gewoon wegrotten. Dat lot was ons huis gelukkig bespaard gebleven.

Niet dat het er ongeschonden bijstond – verre van dat – maar de basisconstructie was nog goed en de traditionele structuur in tact. Het middendeel van het dak heeft een rieten bedekking, dat nu verborgen zit onder ‘galvanium’ platen in de vorm en kleur van de pannen, die de rest van het dak bedekken. Misschien is de betrekkelijk goeie conditie van het huis te danken aan de twee ‘Kirins’ (vervaarlijke beschermdraken) die elk van de twee nok-uiteinden sieren. De dakvorm is sowieso vrij uniek en was voorbehouden aan mensen met een bepaalde positie. In ons geval waarschijnlijk een grootgrondbezitter, waarvan het bezit in de loop van de tijd is verkruimeld. In elk geval intrigeerde het huis ons, besloten we het te kopen en te renoveren.

Voor het goeie begrip: we kochten een omoya (hoofdhuis), hanare (bijwoning – van latere datum), kura (bewaarplaats), ido (waterput) en 2200 m2 grond. lk beperk me nu even tot het hoofdhuis.

hanare 2017 kura 2017 ido 2017

Van de ‘omoya’ valt meteen zijn enorme – overstekende – dak op. Het stelt de robuuste houten draagconstructie eronder letterlijk in de schaduw. Tanizaki gaf zijn beroemde essay over het Japanse huis en interieur niet voor niets de titel  ‘Lof der schaduw’ mee. De schrijver dweept met schaduw en schemer als het toppunt van traditionele Japanse schoonheid. Maar die ‘kolossale paraplu’ moet op de eerste plaats bewoners en interieur beschermen tegen overvloedig water in het regenseizoen en felle zon in de lange bloedhete zomers. Voeger waren de zijkanten van dit soort huizen helemaal open, enkel voor de buitenwereld afgeschermd door iets teruggelegen ‘soji’, schuifdeuren van latten beplakt met rijstpapier. Ze beschermen tegen inkijk en kou en filteren het zonlicht. Bij extreme omstandigheden en ’s-nachts werden er extra houten luiken over de hele lengte aan de buitenkant geschoven. Sinds de aluminium schuifpui zijn intrede deed zijn de buitenzijden ook nog eens van glazen schuifdeuren voorzien. Japanse (traditionele) huizen zijn met hun vele schuifschermen in een bepaald opzicht dan ook zeer open en flexibel.

Onze omoya kent op de begane grond twee gedeelten: vanuit de entree gezien links een viertal kamers met een loopgang eromheen, rechts de keuken. Van het linker deel ligt de vloer zo’n veertig centimeter boven de grond. De kamers – met houten plafond – zijn allemaal voorzien van tatamimatten en onderling van elkaar gescheiden door schuifdeuren. Je kunt er dus makkelijk één grote ruimte van maken. Dat gebeurde vroeger bij gelegenheden als trouwerijen en begrafenissen. Daar verzamelde zich dan familie en dorpsgenoten, wat vaak – zoals in ons dorp – op hetzelfde neerkomt.

kamers met tatami tokonoma en altaarkast

In een van de twee kamers aan de Zuidkant bevinden zich tokonoma. Dat zijn alkoven uitsluitend gereserveerd voor een kunstwerk en bloemschikking, aangepast aan het seizoen. Dan is er nog een afsluitbare kast waarin de butsudan, het huisaltaar voor de voorouders stond. Het altaar, dat door het hoofd van de familie verzorgd dient te worden verhuist zo gauw het huis niet meer in handen van de familie is, zoals in ons geval. We troffen dus een lege kast aan.

interieur met tatami en schuifdeuren

Verder is er niets: geen meubels of decoratie. Op koken en sanitaire zaken na speelt het hele leven zich af op de kale tatamimatten: slapen, eten, vermaak en gastenontvangst. Na het slapen of eten gaan de futons in de kast en het eetgerei naar de keuken. Zulke volstrekt lege ruimten met enkel de verticale en horizontale lijnen van houtconstructie en zwart omzoomde tatami hebben mij altijd enorm aangesproken. Dikwijls moet ik daarbij denken aan Piet Mondriaan en De Stijl. Hebben zij ooit foto’s van Japanse interieurs gezien, die hen tot geometrie en abstractie inspireerden, zoals Van Gogh Japanse pruimenbloesem imiteerde? Wie weet. In elk geval lijkt het Rietveld-lampje, dat nog in de verhuisdoos zit, hier helemaal op zijn plaats.

dak boven de keuken met rookuitgang

Voor ik me verlies in artistieke fantasieën nog even een blik in het ‘rechter’ deel van de omoya, de keuken. Wat heet. Meteen bij binnenkomst wordt je overweldigd door enorme zware en zwarte balken. Daartussen kijk je tegen de beroete onderkant van het dak tot in de nok, waar een opening zit bij wijze van schoorsteen. Tot ver in de 20e eeuw werd gekookt op kamado, uit klei opgetrokken en met hout gestookte ‘fornuizen’. Rook en dampen stegen vrij in de ruimte omhoog en ‘teerden’ het hout, dat op deze manier tevens werd geconserveerd. Die stookplaatsen waren uit onze keuken verdwenen op een klein mobiel exemplaar van jongere datum na. Wel nog aanwezig was een ruw uitgehakte gootsteen met een gasgijsertje erboven alsof twee tijdperken hier met elkaar botsten.

keuken met kamado en gootsteen

Als er geen betonnen vloer van recente datum had gelegen, maar nog de oorspronkelijke van aangestampte aarde, dan had ik me zo 1 à 2 eeuwen terug gewaand. Dat gevoel was er toch nog een beetje door de okergele buitenmuren, bestaande uit met klei gevulde bamboe frames.

Is of wordt dit het huis waarvan ik destijds droomde? We zijn nu anderhalf jaar bezig om in elk geval een stukje cultuurhistorisch erfgoed van de ondergang te redden. Het wordt een mooi huis, traditioneel maar comfortabel. Zij het met ‘a Western touch’.

Wordt vervolgd.

BESTAANSZEKERHEID

Het is niet mijn bedoeling over in Japan wonende landgenoten te schrijven. Ik ken er amper. Maar onlangs bezochten Hiroe en ik een ‘nieuwjaarsbijeenkomst’ van de Nederlandse Vereniging West Japan (NVWJ). Deze vereniging mailt me af en toe uitnodigingen zoals die voor de ‘Nieuwjaarsborrel’ op 27 Januari j.l., ’s-middags in café LeKKeR te Osaka.

Café LeKKeR vinden we aan het begin van een shopping arcade in het stadsdeel Ibaraki, gemarkeerd door de Nederlandse driekleur. De zaak wordt gerund door een Japanse dame van middelbare leeftijd. Dankzij haar vroegere werkkring bezocht ze regelmatig Nederland en kreeg zodoende de smaak te pakken van een Hollandse nering. Ik vraag me wel af wie die naam verzonnen heeft. Geen Japanner die een L van een R kan onderscheiden, laat staan uitspreken, dat ‘bekt toch niet ReKKeL’.

Als we arriveren is de caféruimte al helemaal vol. Voor het eerst sinds onze verhuizing zie ik Nederlandse gezichten: frisse blos op de wangen, blauwe ogen, blonde haren. Klopt dus. Maar ook AANWEZIG: we zijn een kop groter dan Japanners, organiserend, dirigerend. De secretaresse heet ons persoonlijk welkom: er is koffie en thee, oliebollen, broodjes Goudse kaas, snert en pannenkoeken. Bijdragen bij de penningmeester te voldoen. Midden in de ruimte een kleurig speelveldje op de grond voor jonge kinderen. Allemaal ‘hafu’: vruchten van Japans – Nederlandse relaties. Eromheen hun veelal jonge ouders. We schudden hier en daar wat handen, wisselen beweegredenen om in Japan te wonen uit. Mijn eerste behoefte is vooral koffie en een broodje kaas. Als de meeste jonge ouders met hun kroost vertrekken voor een speurtocht ontstaat er meer ruimte en gelegenheid om met wat bedaarder achterblijvers te praten. Hiroe raakt in gesprek met twee Japanners waarvan het leeftijdsverschil zo’n 30 jaar bedraagt. De oudste, Ueda-san, is een gepensioneerde topambtenaar Internationale Economische Betrekkingen van de Provincie Osaka. Hij heeft in de jaren ’80 in Rotterdam gewerkt en gewoond en koestert mooie herinneringen aan zijn Nederlandse tijd. Wat hem voor Hiroe vooral interessant maakt is zijn contact met Ryotaro Shiba (1923-1996), een beroemde schrijver/journalist, die zij erg bewondert. Ze heeft diverse van zijn boeken gelezen, o.a. over de diepere maar officieel verzwegen oorzaken van Japans’ agressie in de Tweede Wereldoorlog. Ueda-sans verhalen over zijn ontmoetingen met Shiba zijn zo levendig dat Hiroe soms het gevoel heeft met de schrijver zelf aan tafel te zitten.

Behalve de ‘bedaarden’ zijn het ook koppels zonder kroost die het café nog bevolken. Met zo’n stel raak ik in gesprek. Nederlandse man, Japanse vrouw: Rob en Yuka, hij 60, zij tegen de 40. Ze wonen in dezelfde provincie als wij. Ons gesprek gaat vooral over dat ‘wonen’. Wíj laten een oud huis opknappen, zíj bouwen eigenhandig een ‘floating house’, wíj in een dorp, zíj in de bergen. Een ‘floating house’ in de bergen? Voor als de zondvloed komt? Ja, in zekere zin wel. Hun vrijwilligerswerk na de aardbeving en tsunami van 2011 heeft hen op het idee gebracht een zelfbouwhuis te ontwikkelen. Het moet bestand zijn tegen overstromingen doordat het opgetild wordt bij wassend water, dus zonder fundering en van materiaal dat drijft. Proefondervindelijk en eigenhandig hebben Rob en Yuka zo voor zichzelf een prototype ‘drijfhuis’ gebouwd van XPS, een stevige soort isolatiemateriaal. Dat spul is goedkoop, makkelijk verzaagbaar, goed te verlijmen en vergaat niet, tenzij blootgesteld aan zonlicht. Ze leven geheel zelfvoorzienend. Ter illustratie toont Rob me foto’s van hun kleine utopia. Ze proberen het ‘floating house’ te slijten aan regio’s die geregeld overstromingen riskeren, zoals Bangladesh. Misschien iets voor Nederland, dat bij de alsmaar stijgende zeewaterspiegel ook het hoofd boven water moet zien te houden. Rob heeft goeie contacten met de Nederlandse Ambassade in Tokyo dus het lijntje is zo gelegd.

Ik proef van de Hollandse lekkernijen. Met uitzondering van de kaas, die echt uit Nederland komt, hebben de gerechten wel de vorm, maar niet de smaak van snert en pannenkoeken. Het is als met veel sushi in Nederland, waarvan Hiroe en andere Japanners dikwijls zeiden: het lijkt wel op sushi, maar ze smaken er niet naar. Lekkere koffie en oliebollen zorgen voor een appetijtelijk tegenwicht. Tegen vijven begint de leegloop. Na het uitwisselen van contactgegevens met onze gesprekspartners nemen ook wij afscheid. Net een stap buiten de deur komt een rijzige man ons na en drukt ons gauw nog twee ‘Goudse stroopwafels’ in de hand. “Via internet te bestellen” voegt hij eraan toe. Eerder op de middag had ik al kennis met hem gemaakt en adviseerde hij me mijn Japanse cursusboeken weg te gooien. “Kom maar in mijn stroopwafeltentje werken dan heb je het Japans zo onder de knie”. Maar voor die praktijk hoef ik niet naar Kobe, die heb ik hier al in en om het huis. Als ik later thuis zijn wafels proef moet ik teleurgesteld constateren, dat ze wel erg ver van het oorspronkelijk recept zijn afgedwaald. Net als met al die andere versnaperingen: wel het uiterlijk, maar niet de smaak. Het is handel en daar zijn Nederlanders over het algemeen beter in dan in verfijnde smaken.

Bewijs van in leven zijn.

Eind januari ontving ik een formulier van de SVB, die mijn AOW-uitkering verzorgt. Daarmee moet ik aantonen dat ik nog leef. Van vrienden die naar Spanje zijn geëmigreerd weten we al dat dit een jaarlijkse controle is, die nauwgezet opgevolgd moet worden. Het invullen en ondertekenen van het papier stelt niets voor. De juistheid daarvan te laten bevestigen door een bevoegde autoriteit heeft ook weinig om het lijf: het formulier is in het Engels gesteld.

Vijf ambtenaren op zoek naar bevestiging van mijn levensbewijs

Dus naar het stadhuis-filiaaltje bij ons om de hoek. De ambtenaren daar kennen ons. Wij hen ook: duimendraaiend in afwachting van klanten. Inclusief chef, schaart de gehele bezetting – vijf ambtenaren – zich rond het formulier, allemaal in de ban van de vraag “hoe lossen we dit op”. Niemand kent Engels en de vertaling plus uitleg door Hiroe begrijpen ze wel, maar zet ze niet aan tot enige vorm van handeling. Terwijl een van hen ons geregeld toevoegt  “een ogenblikje, gaat u rustig zitten”, wordt door de rest druk overlegd wat ze met deze nooit eerder voorgekomen kwestie aanmoeten. De chef belt met het stadhuis. Ondertussen heeft de oudste van het stel het benul om even de site van de Nederlandse ambassade te raadplegen. Hij vindt zowaar een pagina met uitleg in het Japans over het formulier en de taak van de Japanse overheid daarbij. De uitdraai daarvan wordt vervolgens door het voltallig team bestudeerd. We zijn dan al een uurtje verder, maar krijgen nog steeds een vriendelijk “ogenblikje” te horen. Het hele gedoe werkt gelukkig meer op mijn lachspieren dan op mijn zenuwen.

Na een tweede telefoontje van de chef – iedereen vliegt voor hem met telefoonboek, potlood en schrijfblokje – lijkt de oplossing in zicht. Met een uittreksel uit het bevolkingsregister moet ik naar de Japanse evenknie van de SVB in Nara-stad. Daar weten ze van de hoed en de rand. Onze komst is aangekondigd, dus spoorslags naar het Japanse AOW-kantoor. En inderdaad, de ambtenaar die ons daar te woord staat begrijpt waar het om gaat. Ze neemt het formulier in en belooft het ingevuld, bestempeld en gesigneerd naar de SVB te retourneren. Hoewel ik er nog steeds niet voor 100% gerust over ben leg ik mijn lot in haar handen en troost me met Descartes woorden “ik twijfel, dus ik besta”.

Had ik in cafe LeKKeR maar om advies gevraagd…….

MODERN COMFORT

Ruim dertig jaar geleden reisde ik voor het eerst – solo – door Japan. Bijna alles is dan fascinerend, vreemd, wonderlijk: van de bullet-trein, die inderdaad als een kogel door het landschap schiet tot de Tokyose bierstube waar frêle Japanse meisjes in Tiroler dirndl Sauerkraut mit Wurst serveren.

Een onvergetelijk moment destijds was het toiletgebruik in een kleine Ryokan (hotelletje) in Kyoto, gerund door drie hoogbejaarde dames. Ik had een tatamikamer op de eerste (voor Japanners tweede) verdieping en maakte gebruik van een gemeenschappelijke was- en toiletruimte: links een rij wasbakken en rechts een rij toiletdeuren, aan onder- en bovenkant open, net als op kostschool. Gelukkig was ik de enige gast toen ik het gemak achter zo’n deur opzocht. Gelukkig, want de ergernis over de minimale afmetingen van dit alles behalve comfortabele hokje ontlokte mij meermaals een hartgrondig en luid ‘gotverdomme’. Zelfs begrijpelijk voor Japanse oren. Ingeklemd tussen spoelbak en deur was het een ware tour om er met mijn Westerse gestalte m’n behoefte te doen. Je móet, dus je gaat. Het zweet brak me aan alle kanten uit en terwijl de ergernis tot maximale hoogte steeg trok ik driftig papier van de roller, waaruit pardoes een vrolijk melodietje klonk. Deze muzikale overrompeling was zó compleet dat mijn irritatie op slag verdween en ik sindsdien nooit meer mopper over Japanse toiletten. Hoeft ook niet meer. Want wat toen nog een chipje in een closetrol was is inmiddels een compleet gedigitaliseerde stoelgang.

klassiek Japans hurktoilet – nog steeds in zwang ‘Westers’ toilet jaren ’60 met geïntegreerde was- en spoelbak

We laten in ons huis twee toiletten maken. Ruim, comfortabel en overeenkomstig de eisen van sanitaire hygiëne naar hedendaagse Japanse maatstaven.

Gekozen uit een catalogus. Bijna alles voor de bouw, zoals ramen, deuren, trappen, verlichting, keukens, sanitair en badkamers kies je uit vuistdikke catalogi met duizelingwekkende hoeveelheden informatie en afbeeldingen op postzegelformaat. Het zijn meer naslagwerken voor aannemers dan informatie voor consumenten. De gemiddelde Japanner verlaat zich dan ook volledig op architect of aannemer. Wij betonen ons iets minder gedwee en proberen zelf alternatieven en oplossingen te bedenken of te vinden, zoals hergebruik van oude deuren, lampen en andere materialen. Maar voor de wc’s zijn we toch ook aangewezen op die boekwerken. Kwa vorm en formaat maakt het allemaal niet zoveel uit. De crux zit ‘m in de mate van comfort, die volledig gebaseerd is op chip- en sensorentechnologie. Een modern toilet is geen doos of pot meer, maar een apparaat met ledjes, bliebjes en een touch screen. Het ontlasten is nog aan jezelf, al het overige kun je aan de techniek overlaten.

high tech toilet 2019

Wij hebben hem niet, maar het meest geavanceerde toilet ziet er ongeveer als volgt uit: als je binnenkomt gaat de sfeerverlichting rond het toilet aan en wordt je door een melodietje verwelkomd. Het deksel vliegt omhoog en terwijl een verfrissende spoeling en een lichtje in de pot je verzekeren van schoon sanitair neem je plaats op een verwarmde bril. ’Odeur- en klankprinsessen’ neutraliseren ongewenste geurtjes en geluiden. Na gedane zaken toucheer je een ‘douche-icon’ op het controlescherm dat resulteert in een doelgerichte warmwaterstraal tegen je poepgat; kracht en temperatuur regelbaar. Heb je de douche gestopt dan treedt de föhn in werking. Klaar is kees. Zo gauw je je billen licht treedt automatisch een nagenoeg geluidloze spoeling in werking, zodat je het toilet verlaat zoals je het aantrof.

Nogmaals, wij zitten niet op zo’n ding, maar op een vereenvoudigde versie ervan, eentje, die nog een beroep doet op je eigen handelingsbekwaamheid.

Ik zou Tanizaki, een van mijn favoriete Japanse schrijvers na kunnen zeggen “Natuurlijk heb ik geen bezwaar tegen modern comfort…….maar”. In zijn beroemde essay ‘Lof van de schaduw’ (1933)*) wijdt hij een verrukkelijke passage aan ‘het kleinste kamertje’ in Japan. Met lede ogen ziet hij het moderne Westerse toilet oprukken: helle verlichting, hagelwitte betegeling, dito sanitair en handvatten van blinkend metaal. Kortom alles wat indruist tegen hetgeen de ouderwetse Japanse plee tot toppunt van architectonische verfijning maakt: volledig van hout, kraaknet, schemerduister en dichtbij de natuur. Niettemin laat Tanizaki zelf ook een Westerse w.c. in zijn huis installeren, want hygiëne, gemak en de lagere kosten van modern (Westers) sanitair winnen het uiteindelijk van de nostalgie.

Tanizaki’s toilet-ideaal (rond 1900) washlet in ons huis

Ik weet zeker dat de toiletten in ons huis hem zouden bevallen: donker hout, gedempt licht en op een plek, waar je de vogels hoort zingen. Modern comfort …….maar in een traditionele setting.

 

*) Junichirō Tanizaki, Lof op de schaduw (1933) in ‘De brug der dromen en andere verhalen’. Samengesteld, vertaald en toegelicht door Jos Vos. De Bezige Bij, Amsterdam 2017. Er bestaan ontelbare vertalingen van Tanizaki’s essay; de Nederlands titel luidt meestal ‘Lof der schaduw’.

STILLE NACHT

December feestmaand, lange avonden en veel lichtjes. Zo ken ik dat van Nederland. Sinterklaas ging wel aan ons voorbij, maar Kerst en jaarwisseling vierden we geregeld met vrienden. Altijd plezierig maar nooit zo uitbundig. Nu woon ik in een land zonder die Hoogtepunten van Hollandse Gezelligheid. Vooralsnog mis ik ze niet.

Kurisumasu/Christmas is hier zo’n 30 – 40 jaar geleden geïntroduceerd door niemand minder dan Mister Kentucky. Ja, die van de ‘Fried Chicken’. Een Tokyose zetbaas van deze fast food keten (KFC) probeerde toen met een enorme reclame campagne de Japanse consument aan zijn gebraden kippetjes te krijgen. In TV spotjes vlak voor de kerst bood KFC zijn goudbruine en krokant gebakken stukjes kip als alternatief aan voor de kolossale kerstkalkoen. Schot in de roos. Het sloeg niet alleen enorm aan, het werd dé standaard voor een geslaagde kerstmaaltijd. Sindsdien geeft een bak gefrituurde KFC kip cachet aan Christmas in tal van Japanse huishoudens. Ze staan er voor in de rij*).

En voor wie de film Departures (2008) van Jōjirō Takita heeft gezien, herinnert zich misschien de scene waarin de begrafenisondernemer op kerstavond zijn personeel op een enorme doos KFC drumsticks trakteert. Toen een bizar detail, nu valt het kwartje.

Christmas is dus een uit Amerika overgewaaide ‘marketing-tool’. Middenstand en horecawezen hebben er zich inmiddels op gestort. Zij gaan voor de ‘gouden eieren’ en gebruiken Christmas als advertisement om het commerciële gat tussen zomer- en winteruitverkoop te vullen. Stijve plastic kerstbomen, in dartele letters geschreven ‘Merrie Christmas’ en knipperlichtjes verwelkomen de klandizie. In warenhuizen en supermarkten druipen – Westerse – kerstliedjes als honing uit de speakers. Kassières dragen rood-witte santa claus mutsen. Stadse jongeren volgen internationale kersttrends zoals life style magazines ze voorschrijven. Kleding, diners, cadeaus. Hier op het platteland niets van dat alles. Zalig.

Kerstdagen zijn hier gewone werkdagen. Terwijl in het westelijk halfrond de ‘jingle bells’ klinken stort de aannemer een betonvloer in onze keuken. Een pittige klus voor de bouwvakkers. Twee van hen – stukadoor en tegelzetter – werken tot half elf ’s-avonds om de toplaag spiegelglad te krijgen. Het is dan ijskoud. De betonvloer is hun laatste grote klus voor het nieuwjaarsverlof.

25 december – beton storten

Nieuwjaar is een hoogtepunt all overJapan. Daar wordt naar uitgekeken. Het is een feest met verschillende tradities en vrije dagen. Sowieso is op1 januari alles gesloten, ook de horeca.

Alleen ons postkantoortje sluit op 2 januari als compensatie voor het bezorgen van alle  nieuwjaarswensen op 1e. Na het storten van beton zijn aannemer en timmerlieden alles gaan opruimen en schoonmaken. Dit valt onder die tradities: vóór nieuwjaar moet alles er pico bello uitzien en allerlei zaken afgehandeld, beloftes en afspraken nagekomen. Ook wij hebben in ons huisje de ramen maar eens gelapt en zijn met een stofdoek langs de richels gegaan. We zien de vaklui pas weer op 9 januari. Niet eerder zijn ze zo lang afwezig geweest. Zes dagen per week hoorden we het afgelopen half jaar vrijwel onafgebroken hun stemmen, lachen en getimmer. Het is nu dan ook ongewoon stil.

Zelf brengen we het ‘kerstreces’ hoofdzakelijk klussend door: nu ons huis even niet het domein van de bouwvakkers is kunnen wij er onbelemmerd onze gang gaan. Een flinke partij oude en nieuwe deuren willen we voor de tweede week van januari geschilderd hebben, zodat de deurmaker ze kan hangen. Onze toekomstige slaapkamer dient als werkplaats. De net geïnstalleerde vloerverwarming draait er. Met de thermostaat op10 gr.C. houden we onze voeten warm en ons hoofd koel.

Nog drie dagen te gaan voor de jaarwisseling: op 29 december bezoeken we op uitnodiging van Kuroda-san (‘opbouwwerker’ uit mijn vorige blog) het dorp Nyu om er een ‘mochi’-evenement **) mee te maken. Bedoeld om het vergrijzende en leeglopende platteland te revitaliseren. Traditioneel maakt elk huisvrouw haar eigen mochi. In Nyu gebeurt dat nu collectief. Wij zijn er op tijd en maken zo het hele proces mee, van het stoken van de houtvuren, koken en tot paté slaan van de rijst, het draaien van de ‘mochi-bolletjes, roosteren en consumeren. Het loopt niet storm ondanks een stralende winterzon, knetterende vuurtjes en stomende ketels. Vrijwel alle ± 25 bezoekers zijn familie, vrienden of kennissen – zoals wij – van Kuroda-san. De enige autochtonen zijn twee stokoude dames die er hun lokale producten verkopen. Verder wat ‘import’: de uitbater van een Italiaans restaurant (alleen op afspraak) en een filmmaker, die zich samen met de ‘opbouwwerker’ de hele ochtend uitsloven om van het ‘mochi-festival’ een succes te maken. Als publieke belangstelling hiervoor de graadmeter is mogen ze nog wel een tandje bijzetten. De leefbaarheid van het Japanse platteland gaat Hiroe en mij ook aan het hart. Elk initiatief dat daaraan bijdraagt kan op onze sympathie rekenen. Maar dit evenement heeft zelf iets van een mochi:  Plakkerig van binnen, gesloten van buiten. Incrowd organisatoren met teveel enthousiasme en te weinig strategie. Gelukkig zijn er onder de bezoekers ook enkele (jonge) mensen, die er bewust voor kiezen een bestaan op het platteland op te bouwen. Pioniers van de revitalisering. Hiroe vangt ze meteen in haar netwerk.

rijst tot paté slaan eten van mochi

Zondag 30 en maandag 31 december zijn voor ons werkdagen: doorgaan met schoonmaken en schilderen. Sakai-san, onze aannemer heeft aangekondigd die zondag samen met zijn vrouw te komen. Zij is nieuwsgierig naar het grote project van haar man en naar ons, de opdrachtgever ervan. In het afgelopen half jaar bezorgde ze ons geregeld via haar echtgenoot groenten, gerechtjes en zelfgemaakte jam, dikwijls begeleid door een kort handgeschreven briefje. Tot nu toe beantwoordde Hiroe haar attentheid met ‘tegengerechtjes’ of een A4tje met foto’s waarop wij van haar kookkunst genieten. Tijd dus om elkaar eens echt te ontmoeten.

In het gezelschap van hun dochter melden ze zich in de loop van de middag. Sakai-san – toch al de bescheidenheid zelve – houdt zich nu helemaal op de achtergrond. Terwijl de dames zich door ons huis laten rondleiden, inspecteert hij uitvoerig de onlangs gestorte betonvloer. Met aandacht bekijken ze het bouwproject en onderhouden zich met Hiroe, die met haar oranda-jin al zo vaak in huize Sakai over de tong is gegaan. Ze geeft ons zelfgemaakte soba (boekweitnoedels). Het klikt tussen Hiroe en Joko-san, niet alleen vanwege een gedeelde culinaire belangstelling, maar ook omdat ze allebei graag plaagstootjes richting Sakai-san uitdelen. Hij kan er wat verlegen maar altijd hartelijk om lachen. Ze slaan de aangeboden thee af en vertrekken na een uur. Ze zien dat we druk zijn en willen ons niet ophouden. De Sakai’s kunnen in elk geval dit bezoek schrappen van hun vóór 2019 nog-te-doen-lijstje.

Zo’n gedachte schoot me ook te binnen toen Yamamoto-san ons in de loop van oude-jaars-dag belde voor een bezoekje eind van de middag. Hij komt hiermee zijn belofte na nog dit jaar een afspraak te maken. Yamamoto-san is een dorpsgenoot en lid van de gemeenteraad in Nara. Wij hebben vragen over onder andere het gemeentelijk beleid ten aanzien van de krimp op het platteland en de gemeentelijke watervoorziening en -zuivering. Ter illustratie van dat laatste biedt Hiroe hem twee glazen kraanwater aan: één rechtstreeks uit de kraan en één gefilterd door een peperduur apparaat. Het smaakverschil overtuigt. Het eerste smaakt  – vies – naar verdunde chloor, het tweede – lekker – naar zuiver water. Hij luistert niet alleen welwillend, maar deelt onze zorgen. Niet eerder sprak hij met burgers, die zo goed geïnformeerd zijn en zich zo kritisch uitlaten over de overheid. Hij noteert titels van boeken die Hiroe over de materie gelezen heeft en YouTube films over gezonde rijstteelt. Komend jaar zal hij erop terugkomen. ‘Afspraak met Okubo’ verhuist van het to-do lijstje 2018 naar dat van 2019. Dat jaar is nog lang.

En zo naderen we het einde van 2018. ’s-Avonds zitten we getweeën lang aan tafel met wijn en lekkernijen. Tegen 12 uur kookt Hiroe de soba, die we ’s-middags van mevrouw Sakai kregen. Al weer een oudejaarstraditie. We houden de klok in de gaten om het uur 0 niet te missen. Met een ‘Akemashite omedetou’ – gelukkig nieuwjaar – stappen we 2019 in. Op het gezoem van de verwarming na is het verder muisstil. Het is misschien de stilste jaarwisseling, die ik ooit meemaakte.

Het hele dorp is – elke dag van het jaar – vanaf een uur of negen ‘s-avonds al in diepe rust, er blaft zelfs geen hond. Af en toe slechts het geluid van een krolse kat.

 

*)  https://www.bbc.com/capital/story/20161216-why-japan-celebrates-christmas-with-kfc?ocid=ww.social.link.email

**)’Mochi’ is een sterk elastische rijst-paté in de vorm van een geplet bolletje of rechthoekje. Het wordt traditioneel op nieuwjaarsdag ’s-ochtends gegeten, geroosterd dan wel in de miso-soep.

WADA-san

We wonen nu bijna een half jaar in Japan. Over leven op het platteland en in een dorpsgemeenschap hadden we ons tevoren niet al te druk gemaakt. Hiroe legt makkelijk contacten en ik weet me – als taalarme buitenlander – genoeg aan te passen. Op het juiste moment het juiste Japanse woord of zinnetje en het ijs is gebroken. Tot nu toe hebben we dan ook weinig moeite met het leren kennen van mensen uit de omgeving. Ze zijn open, eerder nieuwsgierig dan wantrouwig en een eerste kennismaking kan meteen al de intensiteit van een langdurig contact hebben. Via de een leren we weer een ander en zo vertakt zich het netwerk.

Op deze manier hebben we onder andere Kurumaï-san (75) leren kennen. Hij woont in een naburig dorp, verbouwt zijn eigen groenten en is jager.  Ooit heeft Hiroe samen met hem een wild zwijn gevild, geslacht en de hammen ervan gerookt. Afgelopen september zitten we bij Kurumaï-san in de tuin aan tafel voor een etentje samen met drie vrienden van hem. Allemaal van ongeveer dezelfde leeftijd en op één na afkomstig uit het naastgelegen dorp. Mooie koppen, gehard door werk, getekend door levenservaring, rood van de alcohol. Zware, doorrookte stemmen. Eén van hen heet Wada-san. Lang gewerkt voor de Shinkansen, de hogesnelheidstreinen die door heel Japan razen. Opgeklommen tot de subtop van het bedrijf maar nooit de baas geworden. Sociaal meer getalenteerd dan diplomatiek werd hij er altijd op uitgestuurd om verontschuldigingen en financiële compensatie aan te bieden aan slachtoffers of nabestaanden van bedrijfsongevallen. Hij vertelt zijn verhalen alsof ze gisteren zijn gebeurd. Televisie verbleekt erbij. 

Wada-san is dan ook een geboren acteur: op enige afstand van de tafel dist hij zwaaiend met armen en benen het ene na het andere verhaal op, allemaal ‘uit het leven gegrepen’. Zijn dophoedje danst daarbij op zijn kalende hoofd en zijn bril glijdt voortdurend naar het puntje van zijn neus. Geregeld priemt hij bezwerend een vinger in onze richting om ons van ernst of absurditeit te overtuigen. De inhoud ontgaat mij vrijwel compleet, maar ik vermaak me best met zijn show. Aan eten komen we amper toe, aan drinken des te meer. Gelukkig onderbreekt hij zijn ‘eenakters’ geregeld om ook anderen het woord te laten of onze eetstokjes in de ‘nabe’ te steken en naar schildpad of groente te vissen. 

Als onze motivatie om in het buitengebied van Nara te gaan wonen ter sprake komt spitst hij zijn oren. Met de nodige zelfspot bekent Wada-san dat hij naar zijn geboortedorp terugkeerde nadat zijn carrière bij de Shinkansen stokte. Hij had het niet echt ‘gemaakt’ in Osaka, symboolstad voor  succesvolle carrières. In plaats van ‘schuilplaats voor loosers’ zien wij in het platteland een schatkamer vol mogelijkheden. Het maakt hem nieuwsgierig. Bij het vertrek vraagt Wada-san ons telefoonnummer, want hij wil graag eens op bezoek komen.

De volgende dag staat hij al op de stoep. Het telefoonnummer was door gemorst bier onleesbaar geworden. Hij komt terug op onze verhuizing naar het platteland. Dat heeft indruk op hem gemaakt, vertelt hij. Dat we willen bijdragen aan de leefbaarheid ervan en ons actief willen inzetten om het buitengebied aantrekkelijk te houden of maken voor jonge mensen is hem uit het hart gegrepen. Hij dringt erop aan hem thuis te bezoeken, zich bij voorbaat verontschuldigend voor zijn oude en krakkemikkige onderkomen. We beloven het. Als hij vertrekt begeleiden we hem tot bij zijn auto, waar hij ons nog gauw een pakket noedels toestopt.

Een week geleden – zaterdag – staat Wada-san weer voor de deur, nu met kaki-vruchten uit Yoshino. Vrolijk en wel. De tijd tussen het vorige en dit bezoek lijkt niet meer dan een adempauze in de verhalenstroom, die onmiddellijk op gang komt zo gauw hij een voet over de drempel zet. We verontschuldigen ons dat we nog geen tegenbezoek hebben gebracht en spreken onmiddellijk af voor de volgende dag, zondag dus.

Yagyu, zijn woonplaats, ligt op 20 minuten rijden van ons huis en valt net als Sugawacho onder Nara-stad. Het dorp genoot ooit landelijke bekendheid vanwege een TV-serie die er werd opgenomen over een machtige landlord en zijn familie. Van de hordes toeristen, die vlak daarna het dorp overspoelden is niets meer over. Te veel en te grote parkeerterreinen liggen er nu verlaten en verwaarloosd bij. Een groot schoolgebouw heeft jaren geleden definitief zijn deuren gesloten.  Plattegronden met bezienswaardigheden zijn verbleekt. Te veel achterstallig onderhoud, te weinig leven. Het mooie dorp heeft zijn glans verloren. 

Wada-san woont tegenover het park waar de landlord zijn kasteel had en waarvan niet meer dan fundamenten resten. Zijn hond en bewakingscamera hebben ons gespot dus komt hij ons tegemoet gelopen. Voeten in V-stand, als het loopje van Charlie Chaplin, alleen minder snel. 

Kasteelpark in Yagyu

Na een rondje park met vuurrode esdoorns in herfsttooi wandelen we naar beneden om in een shabby restaurantje de lunch te gebruiken. Mevrouw Wada kookt er als vrijwilligster. Een opgewekte man in een blouse van schotse ruit en met hoofddoekje bedient. Wada-san stelt hem uitdrukkelijk aan ons voor. Hiroe ontvangt zijn visitekaartje dat te klein is voor alle functies die hij bekleedt. Eén ervan is adviseur van de gemeente voor toeristische evenementen, maar hij lijkt meer een opbouwwerker die bewoners helpt het platteland leefbaar te houden. In elk geval weet hij veel over de streek en we spreken af elkaar nog eens te treffen.

We kunnen dan niet bevroeden hoe snel en onder welke omstandigheden dat zal zijn. Wada-san leidt ons die middag rond door de buurt waar hij woont. Daarbij ontmoeten Michiko een vriendin van Wada-san, die – kwa expressie – zijn zus kon zijn. Grappige vrouw, klein van stuk en groot van hart, geen blad voor de mond.

Thuis laat hij ons nog een 20 jaar oude video zien over Nederland, gemaakt door een bekende Japanse journalist. Kinderdijk, Leiden, Afsluitdijk, tulpen en Rembrandt van Rhijn in het Rijksmuseum dat nog niet gerestaureerd was.Tegen vieren vertrekken we met de belofte elkaar vaker te bezoeken. Wanneer we op woensdagavond weer eens bij Kurumaï-san aan tafel zitten vertellen we over de voorbije zondagmiddag. Hoe plezierig het was en hoezeer ook Wada-san begaan is met de vitaliteit van zijn dorp.

(Van links naar rechts:)  Michiko, onbekende gast, Wada-san, mevrouw Wada

Vrijdagavond. We zijn net klaar met het avondeten als Kurumaï-san belt: Wada-san is dood. Donderdagochtend. Hartstilstand. Niet te geloven. Kurumaï-san vraagt of we met hem en een van de vrienden die we eerder ontmoetten naar Wada-sans huis komen. We spreken af op de parkeerplaats achter zijn huis om samen binnen te gaan. Ik heb nooit eerder een rouwbezoek afgelegd in Japan, weet niet wat te zeggen of te doen. Ken zijn vrouw amper. Gevieren betreden we het huis en worden in de entree begroet door mevrouw Wada en – tot mijn verrassing – door de ‘opbouwwerker’ en Michiko. De onverwachte aanwezigheid van die laatste twee brengt me lichtelijk in verwarring. Er zijn geen familieleden. Ook geen ernstige of bedroefde gezichten, enkel uitingen van verbazing en ongeloof over het plotse overlijden. Via de keuken brengen ze ons naar een hel verlichte tatamikamer ernaast. Wierookgeur walmt me tegemoet. Wada-san ligt midden in de kamer opgebaard op een futon op de grond. Zijn lichaam is tot zijn hoofd bedekt met een felkleurige plaid en zijn hoofd ligt tussen twee met witte stof overtrokken steunen. Zijn gezicht is afgedekt met een kanten doekje, dat door Michiko eerbiedig wordt weggenomen.

Vredig gezicht zo zonder bril en zonder mimiek. We zitten rondom hem op onze knieën en praten hardop alsof Wada-san zelf nu even zijn mond houdt. Het is vooral Michiko die vertelt over de omstandigheden van zijn overlijden. Na een kwartiertje verhuizen we naar de keuken en scharen ons rond de tafel vol etenswaar en blikjes bier. Er heerst alles behalve een ingetogen stemming. Mevrouw Wada vertelt hoe zij haar man dood aangetroffen heeft, dat er nog een poging tot reanimatie is gedaan door een arts en dat ze bezoek kreeg van vijf politieagenten/rechercheurs, die uitgebreid onderzoek deden in haar huis en haar urenlang ondervroegen.

We doen ons tegoed aan het bier en de snacks. De stemming wordt alsmaar vrolijker. Terwijl mevrouw Wada met nieuwe bezoekers bij haar opgebaarde man verblijft, nemen Michiko en ‘de opbouwwerker’ de honneurs van de gastvrouw waar. In geuren en kleuren vertelt Michiko over de drinkgelagen samen met Wada-san en zijn vrouw, wijzend op een indrukwekkende collectie lege Whiskydozen op schappen langs de keukenwand. Er wordt over van alles gepraat en vrolijk gelachen, je zou haast de aanleiding voor dit gezellige samenzijn vergeten. Op een gegeven moment gaat het over ‘geesten’ en vertelt Michiko dat haar man ooit ’s-nachts een geestesverschijning had waarna hun huis heen en weer bewoog. Ze onderstreept haar woorden met handgebaren.

Tegen tienen stappen we op. We knielen nog even bij Wada-san ten afscheid en vertrekken.

Later hoor ik dat deze manier van afscheid nemen van een overledene niet uitzonderlijk is. Er is zelfs een woord voor: ’tsuya’ (de hele nacht door). Vóór de familie nemen vrienden afscheid en dat doen ze in de ruimte naast die waar de overledene ligt. Luidruchtig, vrolijk en vooral de draak stekend met de dood of zijn geesten. Dat alles onder het genot van lekker eten en veel drank.

Wada-san is niet meer. Het nóg stiller geworden in zijn dorp.

LIBERTY HOTEL

Kyoto is wereldberoemd om zijn cultureel erfgoed: paleizen, tempels, tuinen en schrijnen. Om die reden gespaard voor de napalmbombardementen, waarmee Amerikanen in 1945 tal van Japanse steden in de as leggen. Jaarlijks trekt de stad miljoenen toeristen.

Op een uur reisafstand ligt Nara-stad in het buitengebied waarvan wij wonen. Een relaxte provinciestad, zoiets als Den Bosch. Het is ouder dan Kyoto, was eerder een keizerlijke residentie en is rijker aan historisch erfgoed. Zelfs de meeste Japanners weten dat niet. Toeristen uit Kyoto maken vaak een dagtrip om in Nara twee dingen te bezoeken: de beroemde Todaiji tempel (Unesco Wereld Erfgoed) en het Nara Park met loslopende herten. Buiten die hight-lights treft je ze nauwelijks aan.

Todaiji tempel Nara

Gevolg: relatief weinig overnachtingen en ’s-avonds een uitgestorven stad. Daar ligt het stadsbestuur nu wakker van. Om van het suffe imago af te komen ontwikkelt het momenteel een historisch pretpark op de plek van het vroegere Keizerlijke paleis. Enkele voetbalvelden groot. Dat moet dé trekpleister worden, concurrerend met Kyoto’s Tempels en Tokyo’s Disneyland. Verder komt er in de nabije toekomst een super hogesnelheidstrein-verbinding tussen Tokyo en Osaka, die niet Kyoto, maar Nara aandoet. Handenwrijvend ziet het stadsbestuur de massa’s toeristen binnenstromen en hoort de middenstand z’n kassa’s rinkelen.

Met dit vooruitzicht gaat ook de overnachtingscapaciteit in de lift. Pal tegenover het stadhuis verijst een gigantisch hotel, AirB&B ligt bij de gemeente in bed.

Maar het meest opzienbarende plan is het realiseren van hotelaccommodatie in een leegstaande gevangenis. Daarmee heeft Nara wereldwijd geen primeur, maar landelijk wel. Laat je ‘Nara gevangenis’ vallen dan is de reactie prompt: ‘Oh, dat wordt een luxe hotel’. ‘Liberty Hotel’, heel Japan kijkt ernaar uit. Het spreekt kennelijk tot de verbeelding om – tegen een fiks bedrag – straks te kunnen overnachten achter dezelfde tralies waar een eeuw lang mensen werden opgesloten. 

Toegangspoort gevangenis
‘open dag’ gevangenis 2018

Interessanter dan zijn herbestemming is – voor mij althans – de geschiedenis van de gevangenis. Het uit rode baksteen opgetrokken en ommuurde complex uit 1908 is zonder meer een eye catcher. Zijn architectuur oogt vriendelijk, maar is in zijn omgeving een volstrekt vreemde eend. Net als Tokyo Station (1914), dat – gelijkend op het Amsterdamse Centraal Station – compleet verdwaald lijkt in de Japanse metropool.

Tijdens de Meiji-periode (1868 – 1912) ondergaat Japan de meest radicale veranderingen uit zijn geschiedenis. Deels gedwongen door buitenlandse mogendheden, deels uit eigen beweging. Mede uit angst voor kolonisatie transformeert Japan in enkele decennia tot een ‘Westerse’ mogendheid. Een ongeëvenaarde prestatie maar met de nodige schaduwkanten. Eén ervan is de toegeeflijkheid die de Japanners aan de dag moeten leggen bij het sluiten van (handels)overeenkomsten met de zich superieur voelende Amerikanen, Britten, Nederlanders, Fransen en Russen. In de eerste overeenkomsten worden bijvoorbeeld quota voor modern militair materieel als kanonnen en marineschepen eenzijdig door de buitenlanders vastgesteld. Ze dwingen ongelijke handelsvoordelen af en eisen allerlei privileges, met name toepassing van eigen recht op hun onderdanen in Japan. Argument: ‘Japanse straffen zijn onmenselijk wreed’.

Om zich te meten met het buitenland en daarmee voor ‘vol te worden aangezien’, sloven Japanners zich uit om het in elk opzicht te evenaren, zo niet te overtreffen. De regering in Tokyo stuurt tal van pientere mannen de aardbol over om o. a. rechts- en strafsystemen uit de Westerse wereld te bestuderen. En die kennis krijgt onmiddellijk praktische toepassing in Japan.

gevangenis in vogelvlucht 
centraal toezicht op vijf vleugels

Zo verijzen er vlak na 1900 vijf gevangenissen verspreid over Japan gebouwd naar buitenlands model, waaronder die in Nara. Het is een half ‘panopticum’ met de vorm van een hand. Vanuit de ‘palm’ hebben bewakers zicht op de vijf ‘vingers’. Erom heen liggen dienstgebouwen, lucht- en werkplaatsen. Zijn het rechtssysteem en de behuizing, inclusief bed en sanitair, geschoeid op Westerse leest, blijft nog een ander heikel punt voor westerlingen: het eten. Ten tijde van de bouw lag de gevangenis net buiten de stad in een groene, agrarische omgeving. Geschikt voor de productie van aardappelen en andere groenten, onmisbaar in een westers menu. De omgeving van de gevangenis is al lang verstedelijkt en niets herinnert meer aan moestuinen voor gedetineerden. Hooguit de zaad- en plantenhandel, waar ik onlangs het plantgoed voor mijn moestuin kocht.

             

Terwijl Hiroe en ik er rondstruinen ontdekken we op steenworp afstand van de gevangenis levensgrote zwart/wit koeien van triplex langs de straat. Ze wijzen naar een heuse melkveehouderij achter de bebouwing. Uemura Farm. Een onverwachte agrarische oase: een koeienstal, een restaurantje en winkel. Ze verkopen verse melk, zelf gemaakt ijs en melksnoepjes. Een medewerkster vertelt dat de stal nog de oorspronkelijke is: 130 jaar oud, naar Deens model. De veestapel bestaat uit dertig koeien, een paar geiten en schapen. Geld om te moderniseren en aan actuele eisen van voedselveiligheid te voldoen is er niet. Met moeite houden ze het hoofd boven water. De melk wordt duur verkocht en het meest geleverd aan hotels en restaurants. De melkerij functioneert als ‘zorgboerderij’ en de hoop is gevestigd op bezoek van toeristen. Naast zuivelhandel verhuren ze om die reden fietsen. De link met de gevangenis is natuurlijk snel gelegd maar de boerderij bestond al ruim voor de gevangenis gebouwd werd.  Het is niet zeker, maar wel waarschijnlijk dat melk, boter en kaas aan de gevangenis werden geleverd voor Westerse boeven die geen vis, groene thee of rijst verdroegen. 

open dag 2018
open dag 2018

Tijdens een onlangs gehouden ‘open dag’ bezoeken wij de gevangenis. Duizenden mensen komen erop af. Leuk ‘dagje in de bak’: er is een markt, braderie en muziek. We omzeilen de lange rijen voor de poort en de vastgestelde tijdsblokken door langs de gebrekkige controle te glippen. De vijf cellenblokken van elk twee verdiepingen met hun centrale bewakingspost zijn een curieuze bezienswaardigheid. In een van de ‘vingers’ is de markt met producten die door gevangenen (van elders) zijn gemaakt. We tikken een metalen houtskool gril en houten trapje op de kop. Perfect gemaakt en voor een habbekrats. Het leren van een vak en het verplicht werken zijn – nog steeds – onderdeel van disciplinering en heropvoeding van gedetineerden. De eerste gevangenissen zijn zelfs voor een deel door gevangen zelf gebouwd. Het gedrang langs de cellen doet ons snel de mensenmassa en de gevangenis ontvluchten. We hebben genoeg opgestoken om onze fantasie te laten prikkelen door het penitentiaire complex.

Er ligt een unieke kans om van de gevangenis een interessante trekpleister te maken. Zelf moet ik hierbij denken aan ‘Vila Augustus’ in Dordrecht, waar een voormalige watertoren en pompgebouw (Rijksmonument uit 1881) als hotel, restaurant en winkel dienst doen. Op het ommuurde terrein worden groenten verbouwd en brood gebakken voor het eigen restaurant. Liberty Hotel zou dit concept zo over kunnen nemen. Herbestemming naar Westers voorbeeld. Wie weet is er al een delegatie pientere Japanners langs geweest om zich te laten inspireren.

In de gevangenis waar het ooit buitenlandse boeven naar de zin werd gemaakt kan Liberty Hotel straks toeristen behagen naar Westerse maatstaven. Verse melk om de hoek. Dat zou ook de melkveehouder kunnen bevrijden van zijn financiële zorgen.

interieur-impressies Liberty Hotel